ECLI:NL:RBDHA:2026:1030

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1839
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring en schadevergoeding in asielprocedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep betreffende de bewaring van een eiser die een asielaanvraag had ingediend. De eiser, geboren in 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, was op 9 augustus 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 21 januari 2026 is opgeheven, maar dat de beoordeling zich nu beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode waarin de maatregel onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf 10 december 2025, omdat de grondslag voor de bewaring niet meer geldig was en verweerder niet tijdig heeft gehandeld om deze aan te passen. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser recht heeft op schadevergoeding voor 43 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, wat resulteert in een schadevergoeding van € 5.160,-. Daarnaast is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 934,-. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent de schadevergoeding toe aan eiser, te betalen door de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1839

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft op 21 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 16 januari 2026 gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 21 januari 2026, om kennis te nemen van de opheffing van de maatregel. Het onderzoek is vervolgens weer gesloten op 21 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig was vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 4 november 2025.
4. Eiser stelt geen beroepsgronden in te kunnen dienen. Zijn asielaanvraag en de intrekking daarvan ontbreken in het dossier, waardoor niet beoordeeld kan worden of de bewaring wat betreft de grondslag al dan niet terecht is omgezet. Ook ontbreken de rappelberichten in het digitale dossier.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser op 10 december 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat de maatregel van 9 augustus 2025 op dat moment niet meer op de juiste grondslag was gebaseerd. Zoals volgt uit onder andere de uitspaak van de Afdeling [3] van 6 mei 2024 [4] , heeft verweerder in zo’n geval een termijn van twee dagen om de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. De rechtbank stelt vast dat verweerder pas op 13 december 2025 aanstalten heeft gemaakt om de grondslag van de maatregel te wijzigen, door een gehoor af te nemen. Verweerder heeft dus niet voldoende voortvarend gehandeld.
6. Tijdens het gehoor op 13 december 2025 heeft eiser aangegeven zijn asielaanvraag te willen intrekken, waarna hij in de gelegenheid is gesteld om deze intrekking te ondertekenen. Hoewel dat betekent dat de maatregel van bewaring vanaf dat moment wel weer gebaseerd mocht worden op artikel 59, eerste lid, en onder a, van de Vw, doet dat er niet aan af dat de maatregel van 9 augustus 2025 al onrechtmatig was geworden en eiser één dag te lang zonder rechtmatige grondslag in bewaring heeft verbleven. Verweerder was namelijk gehouden om uiterlijk 12 december 2025 de grondslag van de maatregel om te zetten naar artikel 59b van de Vw. Door dit niet te doen is maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, en onder a, van de Vw onrechtmatig geworden en had deze niet voortgezet mogen worden. Dit betekent dat verweerder gehouden was om op 13 december 2025 een nieuwe maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59, eerste lid, en onder a, van de Vw.
7. Voor zover verweerder stelt dat de eerdere onrechtmatig geachte maatregel van 9 augustus 2025 herleeft door de intrekking van de asielaanvraag wordt dit niet gevolgd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025 [5] volgt dat wanneer verweerder een maatregel van bewaring niet binnen twee dagen omzet en dus onvoldoende voortvarend handelt, de maatregel onrechtmatig is vanaf de dag dat de wettelijke grondslag voor deze maatregel niet meer van toepassing is. De maatregel was daarom onrechtmatig vanaf 10 december 2025 tot aan de opheffing van de maatregel op 21 januari 2026.
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 10 december 2025 onrechtmatig te achten.
9. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Eiser heeft wel recht op schadevergoeding op grond van artikel 106, eerste lid, van de Vw. De rechtbank kent aan eiser een vergoeding toe voor 43 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 5.160,-.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.160,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15824, en 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20629.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.