Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse asielzoeker, werd op 9 augustus 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Op 10 december 2025 diende eiser een asielaanvraag in, waardoor de oorspronkelijke grondslag van de bewaring niet langer juist was. De wet vereist dat de grondslag binnen twee dagen wordt gewijzigd, maar verweerder handelde niet voortvarend en wijzigde pas op 13 december 2025 de grondslag.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring vanaf 10 december 2025 tot de opheffing op 21 januari 2026 onrechtmatig was. De intrekking van de asielaanvraag door eiser deed hieraan niet af. Verweerder had uiterlijk op 12 december 2025 een nieuwe maatregel moeten opleggen. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe voor 43 dagen onrechtmatige bewaring à €120 per dag, totaal €5.160.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €934. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en wees een bevel tot opheffing af omdat de bewaring inmiddels was opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanaf 10 december 2025 en kent een schadevergoeding van €5.160 toe.