Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL26.20352
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechtenArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, een Libanese nationaliteit dragende persoon, diende op 29 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit werd bevestigd door Eurodac-gegevens en de acceptatie van het terugnameverzoek door Frankrijk.

Eiser voerde aan dat Frankrijk vanwege structurele tekortkomingen in opvangcapaciteit en risico op indirect refoulement niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet, waardoor overdracht aan Frankrijk onrechtmatig zou zijn. Hij verwees naar het AIDA-rapport 2024 en stelde dat hij daardoor risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Frankrijk zijn verplichtingen niet nakomt. Eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat de problemen in Frankrijk niet zodanig ernstig zijn dat overdracht onrechtmatig is. Ook het risico op indirect refoulement kan niet binnen de Dublinprocedure worden beoordeeld.

Daarom is het beroep kennelijk ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Frankrijk verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20352

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Libanese nationaliteit. Hij heeft op 29 december 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 3 oktober 2024 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening [3] de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 2 februari 2026 geaccepteerd.
3. Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser verwijst naar het AIDA [4] -rapport over Frankrijk, update 2024, van juni 2025, waaruit blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt vanwege een structureel tekort aan opvangcapaciteit. Hierdoor komt een aanzienlijk deel van de asielzoekers zonder opvangplek te zitten. Eiser voert daarom aan dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel en voorzienbaar risico loopt verstoken te blijven van opvang en terecht komt onder omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Daarnaast vreest eiser bij overdracht aan Frankrijk voor indirect refoulement naar Libanon, omdat zijn verzoek om internationale bescherming in Frankrijk is afgewezen en daarbij een terugkeerbesluit is opgelegd. Gedwongen terugkeer naar Libanon is volgens hem in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
5. Uit verschillende de uitspraken [7] van de Afdeling [8] volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) met de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. In de uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport van juni 2025 geen wezenlijk ander beeld oplevert dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 30 augustus 2024 door de Afdeling is betrokken. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarnaast met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk kan hij zich wenden tot de Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. De omstandigheden en ervaringen van eiser in Frankrijk heeft verweerder al beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoeven daarom niet opnieuw te worden beoordeeld in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Omdat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan ook de beoordeling van het gestelde risico op indirect refoulement niet plaatsvinden binnen de kaders van een Dublinprocedure. [9]
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Asylum Information Database.
5.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Bijvoorbeeld van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.