ECLI:NL:RBDHA:2026:10454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
NL26.3641 en NL26.3642
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 32 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is en beroept zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, medische problematiek en capaciteitsproblemen in het Franse opvangsysteem.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is. De aangevoerde medische stukken geven geen aanleiding voor een Bureau Medische Advisering (BMA) onderzoek, omdat er geen actueel medisch risico is dat overdracht aan Frankrijk tot een onomkeerbare verslechtering van de gezondheid zou leiden. Ook is niet aannemelijk dat eiser in Frankrijk geen adequate opvang of medische zorg zal ontvangen.

Verder overweegt de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor aangenomen mag worden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt. Het AIDA-rapport 2024 en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak ondersteunen dit oordeel. Het verschil in toelatingsbeleid voor Ahmadi’s tussen Nederland en Frankrijk is volgens de rechtbank niet relevant voor de toepassing van de Dublinverordening.

Het beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening faalt omdat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die overdracht aan Frankrijk onevenredig hard maken. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak niet langer connex is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3641 en NL26.3642
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en op [geboorteplaats] 1988 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser verzoekt hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser behoort tot de Ahmadi-gemeenschap en heeft gewezen op verschil in toelatingsbeleid voor Ahmadi’s tussen Nederland en Frankrijk. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Aan de hand van de van de aangeleverde medische stukken had verweerder advies bij het Bureau Medische Advisering (BMA) moeten inwinnen om te beoordelen of overdracht aan Frankrijk leidt tot een medische noodsituatie voor eiser, op grond van artikel 4 van Pro het Handvest [2] en het arrest C.K. [3] Tot slot stelt eiser dat er in Frankrijk sprake is van structurele capaciteitsproblemen in het opvangsysteem. Ter ondersteuning wordt verwezen naar het AIDA-rapport Frankrijk (update 2024).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [4] Dit betekent dat er vanuit mag worden gegaan dat Frankrijk bij de behandeling van asielzoekers zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Ten aanzien eisers stelling dat er in Frankrijk sprake is van capaciteitsproblemen ten aanzien van de opvang, overweegt de rechtbank het volgende. In het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst blijkt inderdaad dat Frankrijk te maken heeft met capaciteitsproblemen in het opvangsysteem voor Dublinclaimanten. De Afdeling [5] heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 [6] dit AIDA-rapport beoordeeld en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor asielzoekers in Frankrijk. Daarmee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport 2024 niet blijkt dat er in het opvangsysteem in Frankrijk sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling.
7. Ten aanzien van de grond dat het toelatingsbeleid voor Ahmadi’s in Nederland en Frankrijk verschillend is, heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [7] op het standpunt kunnen stellen dat een mogelijk verschil in beschermingsbeleid van asielzoekers in Nederland en Frankrijk bij de toepassing van de Dublinverordening niet relevant is.
8. Uit WI 2021/3, onder paragraaf 5, volgt dat verweerder gehouden is om een BMA-onderzoek op te starten als de vreemdeling tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 [8] , omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. Als uit objectieve medische gegevens verder blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, dan dient verweerder dit risico door het BMA te laten onderzoeken. Het BMA kan vervolgens beoordelen of de vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen en welke reisvoorwaarden daarbij eventueel aan de orde zijn.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de overgelegde medische stukken geen aanleiding heeft hoeven zien om een BMA-onderzoek op te starten. De stukken dateren van 2023 en 2024 en uit de stukken blijkt niet dat eiser momenteel onder behandeling staat voor zijn gestelde (hart)problemen. De stukken bevatten ook geen aanknopingspunten om te concluderen dat een overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser met zich meebrengt, zoals bedoeld in het arrest C.K.
Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser in Frankrijk geen toegang zal hebben tot adequate opvang en medische zorg of dat eiser specialistische behandeling nodig heeft. Daarnaast kent Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland en staan deze voorzieningen ook ter beschikking aan Dublinclaimanten. Verweerder stelt bovendien dat, als eiser daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, de Franse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht in te lichten over de medische situatie van de eiser.
9. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, slaagt ook dit beroep niet. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).
4.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3724) en van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623).
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.