Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 2 februari 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen een redelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden, wordt een kortere beslistermijn passend geacht. Na een nader gehoor op 4 juli 2025 moet de minister binnen vier weken een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.