Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11366

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL25.36908
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:22 AwbVreemdelingencirculaire 2000WI 2020/16Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf ondanks erkend familie- en gezinsleven

Eiseres, moeder van een minderjarig kind (referent), verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van eiseres en haar familierechtelijke relatie met referent niet langer werd betwist. Op grond van beleidsregels en jurisprudentie werd het familie- en gezinsleven tussen moeder en kind erkend. Desondanks oordeelde de rechtbank dat de minister ten onrechte de feitelijke omstandigheden van eiseres en referent had meegewogen bij de beoordeling van het gezinsleven, wat leidde tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

De rechtbank passeerde deze gebreken omdat de minister alsnog een belangenafweging had gemaakt, waarbij het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog dan het belang van eiseres en referent bij gezinshereniging. De rechtbank vond dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en dat de afweging een fair balance vormde.

Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan en het belang van het gezinsleven onvoldoende had meegewogen, met name gezien de kwetsbare situatie van eiseres en de rechten van het kind. De rechtbank verwierp deze argumenten en verklaarde het beroep ongegrond. Wel veroordeelde zij de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36908

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder
(gemachtigde: mr. Y.E.C. Thole).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van de door [referent] (referent) ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1988, de Somalische nationaliteit te hebben en de moeder van referent te zijn. Op 1 november 2022 heeft referent onder meer een aanvraag ingediend voor een mvv voor eiseres met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder overweegt dat referent de identiteit van eiseres en familierechtelijke relatie niet aannemelijk heeft gemaakt. Subsidiair overweegt verweerder dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en referent. Weliswaar wordt in beginsel familie- en gezinsleven aangenomen tussen een moeder en haar biologisch kind, maar in dit geval zijn bijzondere omstandigheden om daar anders over te oordelen. Door verweerder is, ondanks dat geen sprake is van familie- of gezinsleven een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de Nederlandse Staat zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van eiseres en referent bij hereniging.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen aanvullend onderzoek aangeboden aan eiseres aangaande haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent. Verweerder stelt ten onrechte dat geen sprake is van gezinsleven tussen eiseres en referent. Primair wordt gegeven de bewoording in paragraaf B7/3.8 van de Vc [2] en de WI [3] 2020/16 in ieder geval familie- of gezinsleven aangenomen in het geval van een biologische moeder. Gelet op het gegunde voordeel van de twijfel in het bestreden besluit, wordt aangenomen dat eiseres de biologische moeder is van referent en zijn er geen redenen om van dit beleid af te wijken. Subsidiair kan de aanwezigheid van familie- of gezinsleven niet afhankelijk worden gesteld van een belangenafweging en moet dit worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie. Dit leidt tot een motiveringsgebrek. Eiseres en referent zijn noodgedwongen gescheiden terwijl het minderjarige kind belang heeft bij de nabijheid van en opvoeding door (één van de) ouder(s). Verweerders standpunt dat herenging tussen eiseres en referent niet in het belang van referent is, nu eiseres is opgenomen in een kliniek en zij waarschijnlijk geen stabiele ouderrol kan vervullen, kan zonder diepgaand onderzoek door een deskundige geen stand houden. Bovendien laat dit onverlet dat beiden de nadrukkelijke wens hebben om het gezinsleven uit te bouwen en te bestendigen. Verweerder weegt het belang van het familieleven van een minderjarig kind met zijn biologische moeder ten onrechte beperkt in het voordeel van eiseres mee. Ten onrechte wordt het economisch belang zwaar in het nadeel van eiseres en referent meegewogen. Dat eiseres een beroep moet doen op de gezondheidszorg wordt bezwaarlijk in het nadeel van eiseres meegewogen. Daarbij kan van een minderjarige, schoolgaande referent niet worden verwacht dat hij voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder dient de banden van referent met Nederland, die hier internationale bescherming geniet, in het voordeel van eiseres mee te wegen. Verweerder schendt het Unierecht en het IVRK [4] die ondubbelzinnig het recht aan referent toekennen om verzorgd te worden door zijn ouder en in de nabijheid van zijn ouder te verkeren.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet langer wordt betwist door verweerder.
Familieleven in de zin van artikel van het 8 EVRM
5. In paragraaf B7/3.8.1 van de Vc is opgenomen dat verweerder ‘
in ieder gevalaanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [5] tussen ouders en hun – uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie – geboren minderjarige kinderen’. Omdat de identiteit van eiseres als moeder van referent niet langer in geschil is, is de rechtbank van oordeel dat familie- of gezinsleven tussen eiseres en referent, als minderjarig kind, moet worden aangenomen. Dit is eveneens in lijn met het beleid van verweerder als neergelegd in paragraaf 3.3.1 van de WI 2020/16, waarin is bepaald dat
altijdsprake is van familie- of gezinsleven tussen ouders en hun minderjarige kinderen. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte de feitelijke omstandigheden van eiseres en referent meegewogen bij de beoordeling of sprake is van familie- en gezinsleven. Voor zover verweerder hiervoor verwijst naar jurisprudentie van het EHRM [6] en zich op het standpunt stelt dat zonder verdere juridische of feitelijke elementen die wijzen op het bestaan van een nauwe persoonlijke relatie geen bescherming op grond van artikel 8 van Pro het EVRM kan worden genoten, [7] volgt de rechtbank verweerder niet in dit standpunt, voor zover dit ziet op de beoordeling of sprake is van familie- of gezinsleven. Anders dan verweerder stelt, worden door het Europese Hof minimumnormen geformuleerd en staat het verweerder vrij om hier in zijn beleid in positieve zin van af te wijken. Het beleid van verweerder ter zake de vaststelling van het familie- of gezinsleven is zodanig directief geformuleerd, dat hierin geen ruimte is voor een belangenafweging of uitleg van de feitelijke situatie.
6. Het ten onrechte niet aannemen van familie- of gezinsleven tussen eiseres en referent leidt tot een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in de besluitvorming van verweerder. De rechtbank ziet echter aanleiding om deze gebreken te passeren. [8] In het bestreden besluit is door verweerder desondanks een ambtshalve belangenafweging gemaakt, waarbij is uitgegaan van de situatie dat sprake is van familieleven tussen eiseres en referent.
Belangenafweging
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [9] volgt in dat geval dat artikel 8 van Pro het EVRM verweerder ertoe verplicht om alle relevante gegevens en belangen van het individuele geval kenbaar af te wegen tegen het algemene belang van het economisch welzijn van de Nederlandse staat. [10] De rechter moet toetsen of verweerder dit heeft gedaan en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dat betekent dat de rechter vol toetst of verweerder alle relevante belangen heeft betrokken [11] en dat de toetsing door de rechter van de weging van de belangen enigszins terughoudend moet zijn. [12]
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging betrokken. In zijn op basis daarvan uitgevoerde belangenafweging heeft verweerder het belang van eiseres om gezins- of privéleven in Nederland uit te oefenen niet ten onrechte minder zwaar laten wegen bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Verweerder heeft ten aanzien van de aard en intensiteit van het familie- en gezinsleven kunnen overwegen dat eiseres en referent sinds 2022 contact met elkaar hebben, maar dat referent heeft verklaard dat zij tot op heden geen inhoudelijk goed gesprek hebben gevoerd. Referent heeft verklaard één keer een videogesprek te hebben gehad. Ook zijn er geen nadere stukken of verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat de band tussen eiseres en referent dermate is dat hier meer gewicht aan moet worden toegekend. Verweerder heeft kunnen overwegen dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt of en waarom het contact niet op afstand kan worden voortgezet. Verweerder heeft de objectieve belemmering om het familieleven in Somalië uit te oefenen in het voordeel van eiseres kunnen meewegen. Echter, hiertoe heeft verweerder kunnen overwegen dat de wijze waarop nu invulling wordt gegeven aan het gezinsleven niet opweegt tegen het economisch belang van de Nederlandse rechtstaat. Verweerder heeft de binding van eiseres met Nederland zwak kunnen vinden en daarbij kunnen meewegen dat deze binding uitsluitend gebaseerd is op het verblijf van referent in Nederland, dat referent in Nederland verblijft binnen een stabiele gezinsomgeving en niet aannemelijk is gemaakt dat het uitblijven van fysieke hereniging ernstige schade zou toebrengen aan zijn ontwikkeling, welzijn of anderszins zou leiden tot een schrijnende situatie. Verder heeft verweerder de economische belangen zwaar in het nadeel van eiser kunnen meewegen. Hierbij heeft verweerder de medische situatie van eiseres, het gebrek aan economische zelfredzaamheid van zowel eiseres als referent en zijn familie en het feit dat eiseres niet eerder in Nederland is geweest kunnen betrekken bij de beoordeling op de wijze als gedaan door verweerder.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10. In het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €1.868,-. [13] Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €194,- aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868,-;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van €194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Werkinstructie.
4.Verdrag inzake de rechten van het kind.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
7.Arrest van het Hof van 14 november 2022, 2303/19 ( [naam] ) en het arrest van het Hof van 12 juli 2001, 25702/94 ( [namen] ).
8.Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
9.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.
13.1 punt voor het verschijnen op de zitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.