Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Procesverloop
Overwegingen
19 maart 2026, 16 april 2026 en 23 april 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hetgeen eiser heeft verklaard tijdens het vertrekgesprek op 23 april 2026 niet veel verschilt met het vertrekgesprek op 16 april 2026 en de belangen van eiser al op 16 april 2026 zwaarder hadden moeten wegen, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de minister dat eiser bij zijn eerste uiting, tijdens het vertrekgesprek op 16 april 2026, waarin hij aangaf Nederland te zullen verlaten, nog een slag om de arm hield. Gelet op de niet-meewerkende houding van eiser gedurende de bewaringsperiode heeft de minister aanleiding gezien om eiser hierin niet direct op zijn woord te geloven. Deze handelswijze acht de rechtbank niet onredelijk. Vervolgens heeft eiser zelf op 23 april 2026 een vertrekgesprek aangevraagd vanwege nieuwe informatie. Daarin heeft eiser nogmaals verklaard dat hij Nederland direct zal verlaten. Verder geeft eiser aan dat zijn vriend in Italië zeer binnenkort zijn Italiaans paspoort zal ontvangen. Eiser zal samen met zijn vriend naar een land buiten Europa vertrekken en daar alles legaal regelen om zich uiteindelijk gezamenlijk in Italië te vestigen. Na het vertrekgesprek is de bewaring diezelfde dag nog opgeheven bij een afweging van belangen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.