Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/552
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslistermijn na gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig beslissen UWV herbeoordeling WIA-uitkering

Eiseres, Stichting DAK kindercentra, heeft namens een ex-werkneemster beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op een herbeoordelingsverzoek van een WIA-uitkering. Het UWV kampte met een tekort aan verzekeringsartsen en voerde een nieuwe prioritering in waarbij geen voorrang meer wordt gegeven aan (her)beoordelingen en bezwaarzaken met rechterlijke uitspraken. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist.

De rechtbank stelt een beslistermijn vast van negen weken na verzending van de uitspraak, waarbij zes weken zijn gereserveerd voor de medische beoordeling en drie weken voor het nemen van het besluit. De rechtbank erkent de problematiek bij het UWV maar wijst een langere termijn af omdat de vertraging het gevolg is van beleidskeuzes van het UWV en niet van onvoorziene omstandigheden.

De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de termijn en veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van effectieve rechtsbescherming en dat het aan de wetgever is om structurele oplossingen te bieden voor de capaciteitsproblemen bij het UWV.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt een beslistermijn van negen weken voor het UWV om alsnog een besluit te nemen op het herbeoordelingsverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/552

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

Stichting DAK kindercentra, uit Den Haag, eiseres

([gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv ([gemachtigde 2]).

Procesverloop

1.1.
[naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 21 januari 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.
1.2.
Eiseres heeft op 18 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft partijen in een regiebrief van 17 maart 2026 meegedeeld dat zij een zitting nodig acht en partijen laten weten hoe zij vooralsnog tegen de zaak aankijkt. Zij heeft het Uwv een aantal vraagpunten voorgelegd ter bespreking op zitting.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door D. Wonnink, en de gemachtigde van het Uwv, vergezeld door mr. R. van Gangelt, mr. T. Eversteijn, mr. A.A.H. Ibrahim en mr. R. Spanjer. Omdat dit beroep alleen gaat over het niet tijdig beslissen, is de ex-werkneemster niet uitgenodigd om aan de zitting deel te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 12 november 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
4. Als het beroep gegrond is en het Uwv nog geen besluit bekendgemaakt heeft, stelt de rechtbank een nadere beslistermijn vast, waarbinnen het Uwv alsnog een besluit moet nemen. De Awb bepaalt dat het bestuursorgaan in zo’n geval binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. [2] In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. [3] Volgens vaste rechtspraak moet deze andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn. [4]
5. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval. [5] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een beslissing bekend te maken. Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de datum van het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken.
De situatie in de sociaal-medische dienstverlening bij het Uwv
6. In het verweerschrift en op de zitting heeft het Uwv de situatie in de sociaal-medische dienstverlening toegelicht. Het Uwv kampt al langere tijd met een tekort aan verzekeringsartsen, terwijl het aantal aanvragen voor een WIA-uitkering stijgt. De achterstanden in de sociaal-medische dienstverlening lopen hierdoor op en het Uwv kan deze niet inhalen. Tegelijkertijd worden Uwv-medewerkers geconfronteerd met morele dilemma’s. Het Uwv gaf tot 1 januari 2026 voorrang aan dossiers waarin rechtstreeks beroep was ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. Daarbij ging het niet altijd om situaties waarbij het nog niet uitvoeren van de medische beoordeling of de heroverweging tot ernstige problemen voor de belanghebbende(n) zou leiden. Desondanks had deze prioritering tot gevolg dat cliënten die geen beroep instelden langer moesten wachten op een besluit.
7. Op de zitting heeft het Uwv de Kamerbrief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2025 toegelicht. [6] Daarin is aangegeven dat vanaf 1 januari 2026 Uwv-breed een andere prioritering geldt bij (her)beoordelingen en in bezwaarzaken. Een ingebrekestelling, het instellen van direct beroep, het opleggen van een (gerechtelijke) dwangsom of het verstrijken van de voor het Uwv geldende (al dan niet verlengde) beslistermijn leidt niet meer tot het naar voren halen van die (her)beoordeling of bezwaarzaak. Er gelden zo min mogelijk uitzonderingen. Een herbeoordelingsaanvraag zal alleen behandeld worden wanneer de partij die de herbeoordeling heeft aangevraagd zich in een schrijnende situatie bevindt. Op deze manier heeft het Uwv de grootst mogelijke invloed op het beheersbaar houden van de werkvoorraad en kunnen dossiers zo efficiënt mogelijk worden behandeld. Door geen voorrang meer te geven aan herbeoordelingen en bezwaren waarover de rechtbank een uitspraak heeft gedaan, zorgt het Uwv er ook voor dat cliënten die geen beroep instellen niet langer meer hoeven te wachten op een besluit dan degenen die dat wel doen. Het Uwv erkent dat deze prioritering er wel toe leidt dat sommige belanghebbenden nog langer dan voorheen moeten wachten op een besluit. Dat betreft dan vooral werkgevers die een verzoek om herbeoordeling hebben gedaan en - in mindere mate - degenen die bezwaar hebben ingesteld.
8. Op de zitting heeft het Uwv verder toegelicht dat sinds 1 januari 2026 voor verzoeken om een herbeoordeling niet meer is aan te geven wanneer een besluit zal worden genomen. Dat komt vooral door de nieuwe prioritering. Een dossier met een lage prioriteit kan nog wel enkele jaren blijven liggen. Het Uwv heeft in dat verband naar voren gebracht dat de dwangsom, die bedoeld is als prikkel om een besluit te nemen, niet meer effectief is. De huidige situatie in de sociaal-medische dienstverlening is daar de oorzaak van. Het Uwv kan eenvoudigweg niet meer voldoen aan de gestelde termijnen, of het daarbij nu gaat om de wettelijke termijn van twee weken of de door de rechtbank in individuele beroepszaken tegen het niet tijdig beslissen gestelde nadere termijn van negen weken.
De standpunten van partijen
9. Het Uwv verzoekt de rechtbank om een langere beslistermijn te bepalen en daarbij aan te sluiten bij de uitspraken van enkele andere rechtbanken, die het Uwv in vergelijkbare gevallen hebben opgedragen om binnen vier maanden na de uitspraak een beslissing te nemen.
10. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen de wettelijke termijn van twee weken na de dag van de uitspraak alsnog een besluit op het verzoek om herbeoordeling bekend te maken. Eiseres betwist de wenselijkheid en onderbouwing van de door het Uwv ingevoerde prioritering. Ook is het eiseres onduidelijk wanneer er sprake is van een schrijnende situatie die tot voorrang leidt, en dat tegen het oordeel dat er geen sprake is van een schrijnende situatie volgens het Uwv geen bezwaar kan worden gemaakt. Daarnaast benadrukt eiseres het belang van de dwangsom. Deze is essentieel om het Uwv een prikkel te geven om een besluit bekend te maken. Tot nu toe heeft de gemachtigde van eiseres niet gemerkt dat opgelegde dwangsommen niet effectief zouden zijn.
De nadere beslistermijn in deze zaak
11.1.
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat in een zaak als deze sprake is van een bijzonder geval, zodat er geen aanleiding is om een termijn van twee weken te bepalen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een andere beslistermijn te bepalen dan de termijn van negen weken die in de uitspraken van 31 maart 2025 is opgenomen. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
11.2.
De rechtbank acht het op zichzelf begrijpelijk dat het Uwv een prioritering aanbrengt in de behandeling van dossiers waarin een medische beoordeling door een verzekeringsarts noodzakelijk is. Het Uwv heeft immers een beperkte capaciteit aan artsen en moet keuzes maken over de inzet daarvan. De rechtbank onderkent ook dat het Uwv structurele problemen heeft bij de dossierbehandeling als gevolg van de beperkte artsencapaciteit.
11.3.
Dat neemt echter niet weg dat het Uwv bij de keuze van de te stellen prioriteiten bij het uitvoeren van sociaal-medische beoordelingen rekening moet houden met de geldende wetgeving. De nieuwe prioritering die het Uwv sinds 1 januari 2026 hanteert, is een door dat bestuursorgaan gemaakte keuze om de problematiek die door het artsentekort wordt veroorzaakt, aan te pakken. Die keuze is toegelicht in het bij de meergenoemde Kamerbrief van 19 december 2025 gevoegde document “Sociaal-medische dienstverlening - Als één UWV werken aan de sociaal-medische dienstverlening” (het document). [7] De nu gekozen prioritering lost de ontstane problematiek niet op: de prioriteiten zijn enkel gewijzigd, met als gevolg dat de behandeling van niet-geprioriteerde WIA-herbeoordelingen en bezwaarzaken nog langer op zich zal laten wachten. Het Uwv, zo blijkt uit het document, realiseert zich daarbij dat het niet prioriteren van die zaken ertoe zal leiden dat het aantal rechtstreekse beroepen bij de rechtbank als gevolg daarvan zal stijgen. Door de rechtstreekse beroepen niet hoger te prioriteren dan andere zaken (wat eerder wel gebeurde) leidt dit tot steeds hoger wordende dwangsommen die voor rekening komen van het Uwv, zo schrijft het Uwv in het document. De rechtbank begrijpt dat het Uwv zich bij de gemaakte keuze rekenschap heeft gegeven van de gevolgen daarvan, in die zin dat door die keuze bepaalde groepen belanghebbenden (veel) langer moeten wachten op een besluit, terwijl door de te verwachten stijging van het aantal rechtstreekse beroepen tegen het niet tijdig beslissen de kosten van gerechtelijke dwangsommen verder zullen oplopen.
11.4.
De rechtbank heeft in een beroep als het onderhavige tot taak om een beslistermijn te stellen. Die beslistermijn dient er primair toe om de belanghebbende (in deze zaak: eiseres) effectief rechtsbescherming te bieden tegen onredelijk lange beslistermijnen. Die rechtsbescherming komt volgens de rechtbank en volgens de wetgever zowel toe aan burgers als aan bedrijven. [8] De belanghebbende verkrijgt aldus, zo is het uitgangspunt van de wetgever, door de nadere gerechtelijke beslistermijn zekerheid over de datum waarop uiterlijk een besluit kan worden verwacht. Om dit te bereiken stelt de rechtbank een termijn die niet onrealistisch kort is, maar ook niet onnodig lang.
11.5.
Daarbij moet de rechtbank er dus voor waken dat de te bepalen termijn voor het Uwv onhaalbaar is. Het is de rechtbank in deze zaak niet gebleken dat de termijn van negen weken na de datum van verzending van de uitspraak, zoals die in de uitspraken van 31 maart 2025 is opgenomen, in de nieuwe situatie onhaalbaar zou zijn. De lange behandeltermijnen waarvan sinds 1 januari 2026 volgens het Uwv sprake is, zijn immers te wijten aan de door het Uwv gemaakte keuze om bepaalde dossiers nog niet te behandelen, en worden niet ingegeven door de tijd die het Uwv daadwerkelijk nodig heeft voor het nemen van een besluit. Onduidelijk is ook wat een realistische beslistermijn voor de niet-geprioriteerde beoordelingen zal zijn. De ter zitting genoemde termijn van ‘enkele jaren’ voor niet-geprioriteerde beoordelingen acht de rechtbank niet alleen onnodig lang, maar laat naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende zien dat het Uwv oog heeft voor de rechtsbescherming van de belanghebbenden die bij de Uwv-besluitvorming in deze zaken betrokken zijn.
11.6.
Daar komt nog bij dat het Uwv ervoor heeft gekozen om geen voorrang meer te geven aan zaken waarin de rechtbank het Uwv heeft opgedragen om binnen de door de rechtbank gestelde termijn een beslissing te nemen. Deze keuze heeft tot gevolg dat een belanghebbende die beroep instelt tegen het niet tijdig beslissen ook na een rechterlijke uitspraak geen enkele zekerheid verkrijgt over de termijn waarop een besluit wordt bekendgemaakt. Het Uwv heeft in het document immers slechts bekendgemaakt dat de beslistermijn voor WIA-beoordelingen bij het einde van de wachttijd van twee jaar (binnen de wettelijke kaders) standaard wordt verlengd van acht naar zestien weken. Over de niet-geprioriteerde sociaal-medische dienstverlening vermeldt het document enkel, zoals hiervoor al weergegeven, dat het aantal rechtstreekse beroepen zal stijgen en dat de kosten voor gerechtelijke dwangsommen verder zullen oplopen. [9]
11.7.
De rechtbank concludeert dat het Uwv er welbewust voor heeft gekozen om de belanghebbenden bij zaken als de onderhavige gedurende lange tijd in onzekerheid te laten, en dat het zich neerlegt bij de (financiële) gevolgen hiervan. De rechtbank ziet hierin geen basis om een langere beslistermijn te bepalen. Als het Uwv de gevolgen van zijn eigen werkwijze in dit soort gevallen onwenselijk acht, is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om een structurele oplossing te bieden. Dat het Uwv zich dat realiseert, blijkt ook uit meergenoemde Kamerbrief, waarin staat dat het ministerie van SZW met het Uwv voorbereidingen treft om de procedure rondom bestuurlijke dwangsommen tijdelijk buiten werking te stellen voor de WIA. De rechterlijke dwangsommen blijven dan voorlopig in stand, aldus nog steeds de Kamerbrief. [10]
12. De overige stellingen van het Uwv, die niet met feiten en omstandigheden zijn onderbouwd, brengen ook geen verandering in de beslistermijn. De enkele omstandigheid dat het Uwv eerder genomen maatregelen weer heeft stopgezet en dat verzekeringsartsen de organisatie hebben moeten verlaten, maakt nog niet dat de door deze rechtbank eerder opgelegde nadere beslistermijnen onrealistisch kort zouden zijn.
13. De rechtbank hecht er ten slotte belang aan dat de gemachtigde van eiseres onweersproken heeft gesteld dat het Uwv in het overgrote deel van de dossiers waarin een rechterlijke uitspraak is gedaan, alsnog binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen. Ook dit draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat de gehanteerde termijn van negen weken na de datum van verzending van de uitspraak niet onrealistisch kort is.
Toepassing op deze beroepszaak
14. De rechtbank zal de onder 5 uiteengezette termijnen ook in deze zaak bepalen. In dit beroep is het de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
15. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een dwangsom op te leggen. De rechtbank ziet op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, en de prioritering door het Uwv, geen aanleiding om af te wijken van het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [11] De rechtbank zal dus bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
17. De rechtbank zal het Uwv veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
2.Dat staat in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
4.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346, onder 10.7.
5.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2.
6.Kamerstukken II 2025/26, 26448, nr. 862.
7.Bijlage bij
9.Zie p. 7 en 9 van het document ‘Sociaal-medische dienstverlening - Als één Uwv werken aan de sociaal-medische dienstverlening’, bijlage bij
11.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.