Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.9686 en NL26.9687
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over niet-inbehandelingname asielaanvraag wegens onvoldoende motivering belangen ongeboren kind

Eiser, een Libanese asielzoeker geboren in 1991, diende op 21 september 2025 een asielaanvraag in in Nederland. De minister besloot op 19 februari 2026 de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat hij in Kroatië slecht was behandeld en dat hij een Nederlandse partner heeft die zwanger is van zijn kind, wiens belang meegewogen moest worden.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië blijft gelden en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Kroatië haar verplichtingen niet nakomt. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakte van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, met name omdat het belang van het ongeboren kind niet was meegewogen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen waarbij het belang van het kind expliciet wordt betrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg een proceskostenvergoeding van €2.802 toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het belang van het ongeboren kind en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.9686
NL26.9687
V-nummer: [V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser,

(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Procesverloop

Eiser heeft op 21 september 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft in het bestreden besluit van 19 februari 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat hij niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Barzizaoua als tolk in de Arabisch-Syrische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Libanese nationaliteit. Hij is via onder andere Kroatië naar Nederland gereisd. In Kroatië heeft hij op 11 september 2025 zijn vingerafdrukken afgegeven.
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 29 oktober 2025 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 5 november 2025 aanvaard. Vervolgens heeft de minister in het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiser heeft verklaard over hoe hij is behandeld door de Kroatische autoriteiten nadat hij, en anderen, met behulp van een mensensmokkelaar illegaal de grens naar Kroatië waren overgestoken. Het busje waarin hij zat is achtervolgd en kreeg een ongeluk. Daarna is hij met de hele groep aangehouden. Zij werden behandeld als terroristen en zijn bij die aanhouding in elkaar geslagen. Vervolgens werden zij met de hele groep, ongeveer veertig mensen, in een cel gestopt waarin maar drie of vier houten bedden zonder dekens waren. Hij kreeg weinig te eten en te drinken en er waren nauwelijks sanitaire voorzieningen. Na vier dagen is hij gedwongen zijn vingerafdrukken af te geven en een asielaanvraag te doen. Daarna is hij naar een asielzoekerscentrum gestuurd. Eiser heeft toen besloten niet naar het asielzoekerscentrum te gaan maar verder te reizen.
3.1.
Voor zover eiser hiermee in het algemeen heeft willen aanvoeren dat in Kroatië het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] , zoals bedoeld in het arrest Jawo [3] , slaagt dit beroep niet. Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. Verder heeft Kroatië met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen.
3.2.
Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft echter niet verwezen naar landeninformatie waaruit blijkt dat de situatie inmiddels anders is dan waarvan de Afdeling is uitgegaan. De eigen ervaringen van eiser zijn ook onvoldoende om te oordelen dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als hij van mening is dat Kroatië haar verplichtingen – ten aanzien van onder meer de asielprocedure en de opvang – niet nakomt, dan ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten. Hij heeft dit echter niet gedaan. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Bovendien heeft hij nog geen ervaring met de behandeling van de asielprocedure of met de opvang in het asielzoekerscentrum, omdat hij direct na het indienen van zijn asielaanvraag is doorgereisd.
De discretionaire bevoegdheid van de minister en het belang van het kind
4. Eiser voert verder aan dat de minister zijn aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken, allereerst in verband met hetgeen hij in Kroatië heeft meegemaakt. Daarnaast is van belang dat hij inmiddels een Nederlandse partner heeft, die in verwachting is van zijn kind. Eiser heeft het kind erkend en een akte van erkenning overgelegd. Hij stelt dat het in het belang van het kind is dat hij bij zijn partner kan blijven. Hij heeft een verklaring van de verloskundige overgelegd waarin staat dat hij zeer betrokken is bij de zwangerschap, dat hij aanwezig is bij controles en afspraken en dat hij zijn partner actief ondersteunt. Ook staat daarin dat de situatie rondom de mogelijke uitzetting van eiser naar Kroatië veel stress bij zijn partner veroorzaakt, en dat stress een negatieve invloed kan hebben op het welzijn van zowel de moeder als het ongeboren kind. De aanwezigheid en steun van eiser spelen volgens de verloskundige een belangrijke rol in de emotionele stabiliteit van zijn partner.
4.1.
De minister neemt op basis van de akte van erkenning aan dat eiser de vader van het kind is. Volgens hem heeft eiser echter niet aangetoond dat hij daadwerkelijk een relatie heeft met zijn partner en dat sprake is van familieleven. Als er al sprake is van familieleven, zou dat ook in Kroatië kunnen worden uitgeoefend, omdat de partner de Nederlandse nationaliteit heeft en dus Unieburger is. Het belang van het kind speelt volgens de minister geen rol, omdat het kind nog niet is geboren.
4.2.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede bolletje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc [5] trekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
4.3.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2026 [6] blijkt dat als de minister de gestelde eerdere ervaringen met de asielprocedure in een lidstaat of de behandeling die hij daar heeft ondergaan al heeft betrokken bij de beoordeling of de betrokken lidstaat zijn internationale verplichtingen al dan niet nakomt [7] , de minister die omstandigheden redelijkerwijs niet van betekenis hoeft te achten bij de beoordeling of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld onder het tweede bolletje van het beleid. De minister mag bij de motivering waarom de eerdere ervaringen in de andere lidstaat niet maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt, verwijzen naar zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.4.
De rechtbank is echter van oordeel dat de minister desondanks onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. De minister heeft het belang van het kind namelijk niet meegewogen, enkel omdat het kind nog niet geboren is. De rechtbank volgt die motivering niet. Uit overweging 13 van de preambule bij de Dublinverordening volgt immers dat bij de toepassing van die verordening het belang van het kind voorop dient te staan. Daarbij verwijst overweging 13 expliciet naar het IVRK [8] . In de preambule bij het IVRK staat vervolgens dat het kind zowel vóór als na de geboorte bijzondere bescherming nodig heeft. De minister heeft in de beoordeling enkel waarde gehecht aan de vraag of eiser en zijn partner daadwerkelijk een relatie hebben. Daarbij heeft hij miskend dat het in het belang van het kind is dat het door beide ouders wordt opgevoed, of nou wel of geen sprake is van een relatie. De minister dient dat belang kenbaar mee te wegen, ook in de vraag of het van onevenredige hardheid getuigt om de asielaanvraag van eiser niet onverplicht aan zich te trekken. Het besluit bevat dus een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [9] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7. Omdat de rechtbank op het beroep beslist, bestaat er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank in de zaak met nummer NL26.9686:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2026;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL26.9687:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
4.Zie onder andere de uitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS: 2025:919 en 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Het eerste bolletje uit paragraaf C2/5 van de Vc
8.Verdrag inzake de rechten van het kind.
9.Algemene wet bestuursrecht.