ECLI:NL:RBDHA:2026:1240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL24.20594+NL24.29223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing mvv-aanvraag wegens onjuist toetsingskader en toekenning schadevergoeding

Eiseressen, zussen van een referent met de Nederlandse nationaliteit, dienden een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als familie- of gezinslid bij hem te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiseressen bezwaar en beroep instelden. De rechtbank oordeelt dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseressen en referent, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank stelt vast dat de minister ten onrechte het criterium hanteerde dat eiseressen en referent niet zonder elkaar kunnen functioneren, wat een te strenge en onjuiste maatstaf is. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke omstandigheden, waaronder emotionele, financiële en praktische afhankelijkheid, en heeft de BIC-rapportage onterecht buiten beschouwing gelaten. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure is overschreden met 17 maanden, grotendeels toe te rekenen aan de minister. Daarom wordt een immateriële schadevergoeding van €1.500,- toegekend, waarvan €1.235,30 door de minister en €264,70 door de Staat worden betaald. De rechtbank draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiseressen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onjuist toetsingskader en eiseressen krijgen een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.20594 en NL24.29223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1,

[eiseres 2],v-nummer: [nummer 2], eiseres 2,
hierna samen: eiseressen
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseressen en over het verzoek tot immateriële schadevergoeding. Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank beoordeelt voorts het verzoek tot immateriële schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseressen krijgen dus gelijk. Voorts wijst de rechtbank het verzoek tot immateriële schadevergoeding toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben een aanvraag [1] ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’ (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 augustus 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2024 op het bezwaar van eiseressen is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseressen hebben ook een verzoek om immateriële schadevergoeding ingediend. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van deze zaak
3. Eiseres 1 en eiseres 2 zijn de zusjes van referent. Eiseres 1 is geboren op
[geboortedatum 1] 2001 en eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2003. Zij hebben beide de Syrische nationaliteit. Referent is geboren op [geboortedatum 3] 1988 in Syrië. Referent verblijft sinds 2014 in Nederland. Hij heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Eiseressen verblijven in Syrië. Hun moeder is overleden op 13 december 2012 en eiseressen stellen dat hun vader wordt vermist. Eiseressen hebben nog één andere broer en zes zussen.
3.1.
Op 25 februari 2015 heeft referent namens eiseressen een aanvraag om verlening van een mvv ingediend. Het gaat om een mvv nareis. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Het beroep van eiseressen tegen de afwijzing van de eerste aanvraag is door de rechtbank gegrond verklaard, waarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gebleven. [3] De minister heeft in die procedure namelijk een onjuiste peildatum gehanteerd voor de vraag of referent als pleegouder van eiseressen kan worden beschouwd. Echter, de vader van eiseressen maakte toen feitelijk deel uit van het gezin van eiseressen, waardoor de minister toen terecht had aangenomen dat de vader het gezag had over eiseressen en dat referent daarom niet als hun pleegvader kon worden aangemerkt. Deze beslissing staat in rechte vast.
3.2.
Op 21 februari 2017 heeft referent namens eiseressen de tweede aanvraag om verlening van een mvv ingediend. De minister heeft de tweede aanvraag op 11 oktober 2017 afgewezen en dat besluit op 11 juli 2018 gehandhaafd. Het beroep hiertegen is op 2 april 2020 door de rechtbank gegrond verklaard, waarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gebleven. [4] De minister heeft in die procedure namelijk middels een verweerschrift gesteld dat hij in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of tussen eiseressen en referent sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister heeft toen die beoordeling in het verweerschrift alsnog gemaakt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 april 2020 geoordeeld dat eiseressen de vermissing van hun vader niet hebben aangetoond. Verder heeft de rechtbank toen geoordeeld dat de minister in het verweerschrift alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseressen en referent. Ook deze beslissing staat in rechte vast.
Het bestreden besluit
4. Op 14 december 2021 heeft referent de derde (huidige) aanvraag voor een mvv ten behoeve van zijn zussen ingediend. Op 5 oktober 2023 heeft er een gehoor ambtelijke commissie plaatsgevonden. De minister is in het bestreden besluit van 22 april 2024 gebleven bij zijn besluit van 8 augustus 2022 waarin de aanvragen in het kader van verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A] zijn afgewezen.
4.1.
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er tussen eiseressen en referent geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Ook is geconcludeerd dat de (zwaardere) drempel van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid eveneens niet van toepassing is. Daarnaast is op geen enkele wijze aangetoond, dan wel aangevoerd dat er sprake is van een financiële en/of praktische afhankelijkheid tussen eiseres 1 en referent. Daarom is er geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Verder valt de belangenafweging in het nadeel uit van eiseressen.
Mocht de minister stellen dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseressen en referent?
5. Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen en referent. Volgens eiseressen heeft de minister een onjuist en te streng toetsingskader gehanteerd en is onvoldoende rekening gehouden met hun persoonlijke situatie. Zij wijzen erop dat zij in Syrië met referent in gezinsverband hebben samengewoond en dat referent na het overlijden van hun moeder en de vermissing van hun vader een ouderrol op zich heeft genomen. Hij ondersteunt hen moreel, emotioneel en financieel, onder andere door dagelijkse telefonische contacten en structurele geldtransacties. De enkele stelling van de minister dat ook anderen steun zouden kunnen bieden, is onvoldoende om te concluderen dat eiseressen niet van referent afhankelijk zijn. Verder stellen eiseressen dat de bewijslast voor de praktische afhankelijkheid te hoog is gelegd, nu de minister stelt dat niet is aangetoond dat eiseressen afhankelijk zijn van hulp en zonder hulp niet zelfstandig kunnen functioneren. Zij betogen verder dat de minister de BIC-rapportage van 26 december 2023 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, ondanks duidelijke aanwijzingen van psychische problemen en afhankelijkheid van referent. De verklaring van een gedragsdeskundige werkzaam bij de IND dat het rapport niet gebruikt zou worden omdat er onvoldoende is doorgevraagd in de rapportage, is volgens hen oncontroleerbaar, omdat niet duidelijk is wanneer dit onderzoek door die gedragskundige heeft plaatsvonden of wat de inhoudelijke overwegingen waren. Ook is hen geen gelegenheid geboden hierop te reageren, hetgeen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Daarbij heeft de minister nagelaten de oorlogssituatie in Syrië mee te wegen.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden of bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseressen en referent. Nu eiseressen ten tijde van de aanvraag meerderjarig waren heeft de minister dus in het voordeel van eiseressen een uitgebreidere toets gehanteerd dan vereist is. De minister heeft ook verwezen naar eerdere rechterlijke uitspraken waarin is geoordeeld dat geen sprake is van een pleegouder-pleegkindrelatie en dat er geen hechte persoonlijke banden bestaan. [5] Daarnaast is volgens de minister onvoldoende onderbouwd dat de vader vermist is of dat referent de zorg daadwerkelijk op zich heeft genomen. Met betrekking tot de financiële afhankelijkheid stelt de minister zich op het standpunt dat eventuele financiële steun kan worden aangemerkt als gebruikelijke steun die familieleden elkaar geven als dat nodig is. Bovendien blijkt uit de transacties die referent heeft gedaan niet dat deze bedragen bestemd waren voor eiseressen. Daarbij komt dat deze steun op afstand kan blijven voortbestaan. Met betrekking tot de medische afhankelijkheid stelt de minister dat eiseressen niet geconcretiseerd hebben welke zorg zij nodig hebben en waarom referent die zorg zou moeten geven. Niet is aangetoond dat de behandeling voor eiseressen in Syrië niet mogelijk is. Verder is niet aangetoond dat de psychische klachten van eiseressen voortkomen uit het niet samenleven met referent. De slechte veiligheidssituatie in Syrië is volgens de minister meegenomen, maar vormt op zichzelf geen grond voor het aannemen van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, zoals ook blijkt uit Werkinstructie (WI) 2020/16. Verder stelt de minister dat niet is gebleken dat de familiale en sociale steun enkel door referent geboden kan worden niet door overige gezinsleden. Eiseressen hebben naast referent nog een broer en zes zussen. Met betrekking tot de banden die eiseressen hebben met Syrië stelt de minister dat zij hun hele leven daar hebben gewoond, daar naar school zijn geweest en de taal spreken. Zij zijn nog nooit in Nederland geweest. Uit de rapportage blijkt dat eiseressen een klein sociaal netwerk hebben in Syrië. Zij volgen beiden een studie en zijn dus in staat om via hun studie een vrienden- of kenniskring in hun omgeving op te bouwen. De BIC-rapportage is in de besluitvorming betrokken, maar bevat volgens de minister geen aanknopingspunten voor het aannemen van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er is dan ook geen reden om een gedragsdeskundige te horen of een onafhankelijke deskundige aan te wijzen.
5.2.
Tussen partijen is in geschil of de minister zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen eiseressen en referent geen sprake is van ‘further elements of dependancy, involving more than the normal emotional ties’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [6] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of hiervan sprake is. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond [7] , de mate van financiële afhankelijkheid [8] , de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [9] , de banden met het land van herkomst [10] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [11] . Uit uitspraken van het EHRM [12] blijkt verder dat de minister bij de beoordeling zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. Geen van deze factoren zijn op zichzelf of in combinatie per definitie voldoende om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Daarbij zullen steeds alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
5.4
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat familieleven kan bestaan tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het gaat dus niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is. De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Hij mag in die beoordeling niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Voor de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan is niet vereist dat een vreemdeling zichzelf zonder een referent niet zou kunnen redden, of niet zou kunnen functioneren. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [13]
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een onjuist toetsingskader gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of tussen eiseressen en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat eiseressen en referent niet zonder elkaar kunnen functioneren. Het criterium ‘niet zonder elkaar kunnen functioneren’ is een te streng en onjuist criterium en komt niet voor in de rechtspraak van het EHRM. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt ook niet dat sprake moet zijn van een afhankelijkheid die het gebruikelijke overstijgt, maar of de emotionele banden het gangbare overstijgen. [14] De minister heeft in het bestreden besluit opgenomen dat in zijn algemeenheid niet is aangetoond dat eiseressen afhankelijk zijn van de hulp van referent en zonder hulp niet zelfstandig kunnen functioneren. In het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft de minister ook gesteld dat niet is gebleken dat de familiale en sociale steun enkel door referent geboden kan worden en niet door overige gezinsleden. [15] In zijn verweerschrift heeft de minister gesteld dat het aan het aan de betrokken vreemdeling is om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden blijken. Daarna heeft de minister expliciet het volgende gesteld:
“Het gaat daarbij namelijk om banden die zo sterk zijn dat familieleden niet kunnen functioneren als zij van elkaar gescheiden zijn. Daarvan is in geval van eisers geen sprake.” [16]
Op de zitting heeft de minister hierover, desgevraagd, toegelicht dat dat in het bestreden besluit en in het verweerschrift is opgenomen, maar dat het geen voorwaarde betreft. Het wordt volgens de minister enkel meegewogen in de beoordeling van de aanvraag. De minister heeft op de zitting toegelicht dat het niet een te strenge toets is, nu niet wordt gesteld dat eiseressen niet hebben aangetoond dat zij niet zonder referent kunnen leven. Er is volgens de minister ook naar andere indicaties gekeken. De rechtbank acht deze toelichting echter onvoldoende, omdat de minister de te strenge toets heeft opgenomen in het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft herhaald en dus ook heeft toegepast op de situatie van eiseressen. Ook is de hiervoor geciteerde stelling uit het verweerschrift genoteerd als een voorwaarde.
5.6.
De minister heeft hiermee een onjuist toetsingskader gehanteerd. Het beroep is reeds daarom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding (zaaknummer: NL24.29223)
6. Eiseressen voeren aan dat zij aan € 3.300,- recht hebben op een aanvullende schadevergoeding van de IND. De minister is namelijk altijd nalatig en onverschillig is geweest met het dossier betreffende gezinshereniging.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet gebleken is van een onrechtmatig besluit of andere onrechtmatige handeling in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor zover eiseressen verzoeken om een schadevergoeding vanwege de duur van de procedure, merkt de minister op dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het uitgangspunt is dat een behandeltermijn van de bezwaar- en beroepsprocedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is. [17] In onderhavige zaak zijn nog geen drie jaren verstreken sinds het indienen van het bezwaarschrift van 29 augustus 2022. Aan eiseressen komt daarom geen (aanvullende) schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De minister benadrukt daarnaast dat het verzoek om schadevergoeding geenszins is onderbouwd of geconcretiseerd.
6.2.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat voor een bezwaar- en een beroepsprocedure een totale lengte van twee jaar redelijk is. Het bezwaar moet in beginsel binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar worden afgehandeld. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van
€ 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
6.3.
De redelijke termijn begint in beginsel op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De termijn is aangevangen op 29 augustus 2022. Twee jaar daarna, dus op 29 augustus 2024, is de redelijke termijn verstreken. Normaliter eindigt de overschrijding van de redelijke termijn op het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak op 26 januari 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn met 17 maanden overschreden. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding grotendeels aan de minister en deels aan de rechtbank is toe te rekenen. De minister heeft op 22 april 2024 beslist op het bezwaar van eiseres. Eiseressen hebben de beroepen ingesteld op 14 mei 2024. De rechtbank heeft daarmee de termijn met drie maanden overschreden. Omdat het bezwaar in beginsel binnen een half jaar moet worden afgehandeld, dat wil zeggen uiterlijk op
29 januari 2023, heeft de minister de termijn met bijna anderhalf jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn met 17 maanden wordt daarom voor 3/17 deel toegerekend aan de rechtbank en voor 14/17 deel aan de minister.
6.5.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gelet op het voorgaande toegewezen. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseressen toe te kennen schadevergoeding € 1.500,-. De vergoeding van de schade wordt naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de minister en de Staat der Nederlanden. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 1.235,30,- aan eiseressen en de Staat tot betaling van € 264,70,- aan eiseressen als vergoeding voor door hun geleden immateriële schade.
6.6.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de minister als aan de rechtbank is toe te rekenen, moeten de rechtbank en de Staat ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten gaat de rechtbank wat betreft de zwaarte van de zaak uit van de wegingsfactor licht (0,5), omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5). Derhalve bedragen de proceskosten € 467,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep met het zaaknummer NL24.20594 is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De minister heeft namelijk bij de beoordeling een onjuist toetsingskader gehanteerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing hierover te nemen. De minister dient namelijk – met inachtneming van het juiste toetsingskader – nader onderzoek te doen naar de door eiser aangebrachte feiten en omstandigheden.
7.1.
De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en in dit besluit opnieuw vast te stellen of al dan niet sprake is van familie- of gezinsleven tussen referent en eiseressen. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eiseressen een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt
€ 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
7.3.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding met zaaknummer NL24.29223 wordt de minister veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.235,30,- aan eiseressen en de Staat tot betaling van een bedrag van € 264,70,-. De minister en de Staat moeten tevens de proceskosten van eiseressen betalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
Ten aanzien van zaaknummer NL24.20594
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 april 2024;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseressen;
Ten aanzien van zaaknummer NL24.29223
- wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.235,30,- aan schadevergoeding aan eiseressen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 264,70,- aan schadevergoeding aan eiseressen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 233,50,- aan proceskosten aan eiseressen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 233,50,- aan proceskosten van eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL24.20594.
2.NL24.29223.
5.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13071 en rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 2 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3072.
6.EHRM 17 april 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806.
7.EHRM 9 oktober 2003, Slivenko tegen Letland, ECLI:CE:ECHR:2003:1009JUD004832199, 97 en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, onder 55-57.
8.EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.
9.EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.
10.EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.
11.EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.
12.Zie onder meer de EHRM 17 februari 2009, Onur tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907, EHRM 12 januari 2010, Khan tegen Verenigd Koninkrijk, 17 januari 2012, EHRM Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland. En ABRvS 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2.
13.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.
14.Arrest van het EHRM, K. tegen Zweden, van 10 september 1992 in de zaak K tegen Zweden, 20470/92.
15.Bestreden besluit, p. 7-8 en verweerschrift, p. 3.
16.Verweerschrift van 25 juni 2024, p. 2.