Eisers, twee broers van jezidi afkomst uit Irak, dienden asielaanvragen in die door de minister van Asiel en Migratie werden afgewezen. De minister oordeelde dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hadden en dat het ontheemdenkamp Sedje als hun normale woonplaats kon worden beschouwd, waardoor terugkeer mogelijk was.
De rechtbank overwoog dat de minister onvoldoende is ingegaan op de omstandigheden in het kamp Sedje, dat niet in het thematisch ambtsbericht werd genoemd en waarvan de leefomstandigheden mogelijk slechter zijn dan in formele ontheemdenkampen. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de ouders van eiser 2, die niet langer in het kamp verblijven, als adequate opvang worden gezien.
De rechtbank concludeert dat sprake is van een schending van de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb wegens een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. De beroepen zijn gegrond, de bestreden besluiten worden vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde beoordeling van de terugkeersituatie, met name bij kwetsbare groepen zoals jezidi’s in ontheemdenkampen. Eisers kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.