Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortgang uitzetting

Eiser, een Algerijnse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, werd op 30 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwistte de gronden niet, maar voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat hij geen paspoort had en niet wilde terugkeren naar Algerije.

De rechtbank oordeelde dat er in algemene zin wel zicht is op uitzetting naar Algerije en dat eiser onvoldoende had meegewerkt aan het verkrijgen van een laissez-passer. Uit het dossier bleek echter dat de overheid sinds 20 april 2026 geen concrete vertrekhandelingen had verricht en niet had gereageerd op een verzoek om informatie over de voortgang. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de overheid voldoende voortvarend handelde.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring onrechtmatig was vanaf 13 mei 2026, de dag na het verstrijken van de gestelde termijn voor het verstrekken van informatie. Het beroep werd gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €800 voor de onrechtmatige bewaring gedurende acht dagen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van €934.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24678

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft, daarnaar gevraagd, aan de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord is met een schriftelijke behandeling van het beroep. De rechtbank heeft partijen op 18 mei 2026 bericht dat het onderzoek in de zaak is gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2007 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft eerder, vanaf 23 maart 2026, in vreemdelingenbewaring gezeten op grondslag van artikel 59b van de Vw. Deze maatregel is na de afwijzing van eisers asielaanvraag bij besluit van 5 april 2026 verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 april 2026. [2] Eiser heeft het ingestelde beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 27 april 2026 ingetrokken. [3] Sindsdien heeft eiser geen rechtmatig verblijf. Verweerder heeft de maatregel van bewaring dan ook terecht gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw,
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [4] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;en als lichte gronden [5] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat daarmee het risico op onttrekking aan het toezicht en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure is gegeven.
4. Eiser voert aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser heeft nooit beschikt over een paspoort of ander reisdocument. Ook verklaart hij niet naar Algerije te willen gaan. Onder deze omstandigheden geven de Algerijnse autoriteiten geen lp [6] af aan ongedocumenteerde vreemdelingen, zo stelt eiser.
5. In zijn algemeenheid bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. [7] Eiser heeft niet concreet onderbouwd dat dit in zijn geval anders is. De enkele stelling dat de Algerijnse autoriteiten voor hem geen lp zullen afgeven omdat hij ongedocumenteerd is en niet terug wil naar Algerije, is hiertoe onvoldoende. De Algerijnse autoriteiten hebben eisers lp-aanvraag in behandeling genomen en niet is gebleken dat aan eiser geen reisdocument zal worden verstrekt.
6. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser tot op heden zelf geen inspanning heeft verricht om mee te werken aan de afgifte van een lp. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de Algerijnse autoriteiten ondanks een volledige medewerking van eiser niet bereid zullen zijn om binnen afzienbare tijd een lp af te geven.
7. Over de voortgang in het uitzettingstraject bevat het dossier slechts het verslag van een op 20 april 2026 met eiser gehouden vertrekgesprek en een voortgangsrapport M120 waaruit niet blijkt van verdere vertrekhandelingen. De rechtbank heeft verweerder daarom bij digitaal bericht van 11 mei 2026 verzocht om uiterlijk op 12 mei 2026 kenbaar te maken welke vertrekhandelingen zijn verricht sinds 20 april 2026. Verweerder heeft hier niet op gereageerd. Eiser heeft zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat uit het ontbreken van informatie over verdere vertrekhandelingen moet worden afgeleid dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat het beroep om die reden gegrond moet worden verklaard. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser de uitkomst van een tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gericht verzoek om voorlopige voorziening [8] mocht afwachten en dat eiser zolang dus niet gedwongen kon worden uitgezet. De intrekking van zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening van eiser is door de rechtbank op 4 mei 2026 aan verweerder meegedeeld. Eerst daarna kon verweerder actief werken aan eisers uitzetting. De periode waarover niet kan worden vastgesteld welke vertrekhandelingen verweerder heeft verricht bedraagt tot aan de sluiting van het onderzoek, dus exact veertien dagen. Weliswaar volgt uit het verslag van het vertrekgesprek van 20 april 2026 dat een aanvraag zal worden gedaan voor de afgifte van een laissez-passer door de Algerijnse autoriteiten en dat deze aanvraag zal worden voorgelegd aan eisers rechtsbijstandverlener, maar uit het dossier blijkt niet dat een en ander ook daadwerkelijk is gebeurd. Nu verweerder evenmin informatie heeft verstrekt waaruit blijkt van enige andere vertrekhandeling, kan niet worden vastgesteld dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de voorbereiding van eisers uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank moet de bewaring dan ook onrechtmatig worden geacht met ingang van de dag na het verstrijken van de aan verweerder gestelde termijn voor het verstrekken van aanvullende informatie over de voortgang, dus vanaf 13 mei 2026.
8. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond zal worden verklaard en dat de bewaring met ingang van vandaag zal worden opgeheven. Verder zal de Staat der Nederlanden worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800, vanwege de onrechtmatig door eiser ondergane bewaring gedurende 8 dagen. Ten slotte zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 934, uitgaande van één punt voor het indienen van een beroepschrift door eisers gemachtigde in een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800, te betalen door de griffier, en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.NL26.20475.
4.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
6.Laissez-passer.
7.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
8.NL26.20476.