ECLI:NL:RBDHA:2026:12845
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 mei 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren. De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië nog steeds geldt, ondanks de door eiser aangevoerde tekortkomingen in de Kroatische asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser heeft onvoldoende concrete en structurele aanwijzingen geleverd dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken vanwege mishandeling door de Kroatische politie. De rechtbank stelt dat de minister terughoudendheid mag betrachten bij het gebruik van deze discretionaire bevoegdheid en dat de omstandigheden van eiser niet als bijzondere individuele omstandigheden kunnen worden aangemerkt die een overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid maken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.