Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12845

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17169 en NL26.17170
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 mei 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren. De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië nog steeds geldt, ondanks de door eiser aangevoerde tekortkomingen in de Kroatische asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser heeft onvoldoende concrete en structurele aanwijzingen geleverd dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken vanwege mishandeling door de Kroatische politie. De rechtbank stelt dat de minister terughoudendheid mag betrachten bij het gebruik van deze discretionaire bevoegdheid en dat de omstandigheden van eiser niet als bijzondere individuele omstandigheden kunnen worden aangemerkt die een overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid maken.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.17169 (beroep) en NL26.17170 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser/ verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Bespreking van de beroepsgronden
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ondanks uitspraken van de Afdeling [3] zijn er concrete aanwijzingen dat Kroatië haar internationale verplichtingen niet nakomt en dat overdracht aan Kroatië strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM [4] . Er is sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Hiertoe wordt verwezennaar het meest recente AIDA-rapport [5] .
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. [6] Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag [7] en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [8] strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [9]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport over Kroatië, update 2023 betrokken. De Afdeling heeft overwogen dat er op een aantal momenten sprake was van overbezetting in de opvang, maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken hebben voorzien. Hieruit blijkt niet dat Kroatië onverschillig staat tegenover incidentele tekorten in de opvang. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport, update 2024 geeft geen wezenlijk ander beeld over pushbacks dan het AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie nadien in relevante mate is gewijzigd. Daarbij is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublinterugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover aldaar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser voert ook aan dat verweerder de aanvraag aan zich had moeten trekken, omdat eiser is mishandeld door de politie in Kroatië. De persoonlijke omstandigheden moeten kenbaar worden meegewogen en de verwijzing naar de overwegingen inzake het interstatelijk vertrouwensbeginsel is ontoereikend. De Dublinverordening schrijft niet voor dat er van de bevoegdheid uit artikel 17 terughoudend Pro en slechts in zeer uitzonderlijke situaties gebruik moet worden gemaakt. De Dublinverordening geeft de lidstaten een algemene bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek naar zich toe te trekken. De keuze om zeer terughoudend van deze Unierechtelijke bevoegdheid gebruik te maken is geen doel van de Uniewetgever geweest, maar behelst een politieke keuze. Ten onrechte wordt in het bestreden besluit vooral opgemerkt dat eiser aangifte had moeten doen. Dit ziet dus weer op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eiser heeft verzocht hetgeen hij heeft meegemaakt in het kader van de discretionaire bevoegdheid te beoordelen. Daarnaast kan in redelijkheid niet van eiser worden verwacht dat hij aangifte gaat doen bij dezelfde politie die hem heeft mishandeld.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Verweerder heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc [10] trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het een keuze van verweerder is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft die keuze in redelijkheid kunnen maken. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde omstandigheden in redelijkheid niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [11] volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Eisers persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.17169:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.17170
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Country Report: Croatia, Update 2024, van AIDA van augustus 2025, pagina 60 en verder.
6.Zie de Afdelingsuitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:4037 en van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
7.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
8.Handvest betreffende de grondrechten van de Europese Unie.
9.Zoals volgt uit het arrest Jawo van het HvJEU van 19 maart 2019, C-163/17; ECLI:EU:C:2019:218.
10.Vreemdelingencirculaire 2000.
11.Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 14 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3164), 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717) en 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1667).