ECLI:NL:RBDHA:2026:12975
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet onrechtmatig wegens ontbreken non-refoulementtoets
Eiser is op 2 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet (Vw) met het oog op overdracht aan Kroatië volgens de Dublinverordening. Eerder was eiser al in bewaring gesteld en overgedragen aan Kroatië, maar teruggestuurd naar Nederland. De minister stelde dat er een concreet aanknopingspunt voor overdracht was en dat bewaring gerechtvaardigd was.
Eiser voerde aan dat de minister niet had getoetst aan het non-refoulementbeginsel, zoals vereist volgens het Adrar-arrest en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank bevestigt dat ook bij bewaring op grond van artikel 59a Vw een dergelijke toets moet plaatsvinden en dat de minister dit niet deugdelijk heeft gemotiveerd.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is en beveelt de opheffing ervan met ingang van 21 mei 2026. Daarnaast kent de rechtbank een schadevergoeding toe van € 2.440,- wegens onrechtmatige bewaring en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten van € 1.868,-. Het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De bewaring op grond van artikel 59a Vw wordt opgeheven wegens ontbreken van een deugdelijke non-refoulementtoets, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.