ECLI:NL:RBDHA:2026:13148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL24.9349
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Durdabak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:85 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit facultatief beschermde derdelander uit Oekraïne

Deze zaak betreft het beroep van een Nigeriaanse derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen en tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De minister legde op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit op, dat later op 23 juli 2025 werd vervangen door een nieuw terugkeerbesluit, waarbij het eerdere besluit werd ingetrokken omdat het prematuur was genomen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is vanwege de intrekking van dat besluit. Het beroep tegen het vervangende terugkeerbesluit is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank volgt de minister in de uitleg dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd en dat het terugkeerbesluit niet prematuur is opgelegd.

De rechtbank overweegt dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden omdat de tijdelijke bescherming van rechtswege is geëindigd en dat een individuele belangenafweging niet vereist is. Ook is geoordeeld dat de zienswijze van eiser voldoende is betrokken bij het besluit. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser vanwege het prematuur genomen eerste besluit.

De uitspraak betekent dat eiser binnen de gestelde termijn moet terugkeren naar Nigeria en dat de eerdere voorlopige voorzieningen die uitzetting verboden, vervallen.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 23 juli 2025 is ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Nigeria.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.9349
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: K. Naânaa).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat op 23 juli 2025 door de minister aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht het terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is naar aanleiding hiervan vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft in Nederland rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 eindigt. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
5. Op 23 juli 2025 heeft de minister een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij - middels het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen - aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. De minister is verder van mening dat het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 prematuur is genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken.3
6. Partijen zijn bij brief van 5 januari 2026 gevraagd of zij mondeling op zitting gehoord willen worden. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van de minister, heeft de rechtbank daarom afgezien van het horen van partijen ter zitting en heeft zij het onderzoek gesloten.4
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
7. De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 23 juli 2025 het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vervangt in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
8. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal eisers beroep voor zover dat is gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen.5 De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 15. De rechtbank zal het besluit van23 juli 2025 - aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden - inhoudelijk beoordelen.
Het standpunt van eiser
9. Eiser voert aan dat uit het arrest Kaduna en Abkez6 van het Hof (volgt dat een lidstaat de verleende tijdelijke bescherming op grond van de RTB kan intrekken, mits wordt voldaan aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht worden geëerbiedigd. Uit genoemde uitspraak blijkt dat het Hof niet weet of Nederland de toezegging heeft gedaan dat de bescherming van de facultatief beschermden gelijk loopt met die van de verplicht beschermden. Het Hof heeft de verwijzende rechters opgedragen om dit na te gaan. De Afdeling heeft dit niet onderzocht, maar in haar uitspraak van 23 april 20257 wel geconcludeerd dat de bescherming van facultatief beschermden eerder mag worden beëindigd. Eiser stelt dat de rechtbank Amsterdam, die ook prejudiciële vragen had gesteld, mogelijk wel onderzoekt of Nederland die toezegging heeft gedaan. Eiser is daarom van mening dat zolang niet vaststaat of
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, (ECLI:NL:RVS:2025:1829).
4 Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5 Dat laatste volgt uit het arrest Kaduna en Abkez, genoemd onder voetnoot 3.
6 Zie voetnoot 3.
Nederland die bewuste toezegging heeft gedaan, het nemen van een terugkeerbesluit prematuur is. Eiser voert verder aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, nu een individuele belangenafweging in de besluitvorming van de minister ontbreekt. Tot slot voert eiser aan dat de ingediende zienswijze onvoldoende is betrokken in het bestreden besluit.
Het oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve bescherming op een eerder tijdstip kan intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen inbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en daarbij de beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit dit arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd. Dit geldt ook wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 23 juli 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming geacht moet worden te zijn beëindigd op 4 maart 2024. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in eerder genoemde uitspraken van 23 april 2025 (noot 7) – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 te beëindigen. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 al heeft geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de facultatief beschermden mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt of waaruit blijkt dat hun tijdelijke bescherming verlengd zou worden tot en met 4 maart 2025.8 Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om anders te oordelen. Eiser voldoet niet meer aan de voorwaarden voor verblijf, waardoor zijn verblijf illegaal is als bedoeld in artikel 3, aanhef en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en hem een terugkeerbesluit kon worden opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Naar het oordeel van de rechtbank staat ook het evenredigheidsbeginsel niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Van een individuele belangenafweging in dit kader wordt niet toegekomen, omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen.9 Gelet hierop heeft de minister terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en hij daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan maken op tijdelijke bescherming. De beroepsgrond slaagt niet.

8.ECLI:NL:RVS:2024:32.

9 Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 tot en met 10.3.
13. Tot slot ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister de zienswijze onvoldoende heeft betrokken bij zijn beoordeling, nu in het bestreden besluit is ingegaan op hetgeen is aangevoerd in de zienswijze en eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom dit onvoldoende zou zijn. Ook deze grond treft geen doel.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 23 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Nigeria.
15. Omdat de niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
16. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in (onder andere) de zaak NL24.9452 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten.10 Met deze uitspraak vervalt die voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder sub c, van de Awb. Op 5 april 2024 is ten behoeve van eiser eveneens een voorlopige voorziening getroffen in de zaak met zaaknummer NL24.14771. Ook deze vervalt doordat in onderhavige zaak uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.

10.ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.

Beslissing
De rechtbank:
0- 6vemrkalaaratr2t 0h2e6t beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juli 2025 ongegrond; en
  • veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.