AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Rechtbank bepaalt termijn voor UWV-beslissing herbeoordeling WIA-uitkering
De zaak betreft een beroep van de staatssecretaris van Defensie tegen het UWV wegens het niet tijdig beslissen op een herbeoordelingsverzoek van een WIA-uitkering van een ex-werkneemster. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat het UWV in dit soort medische zaken een termijn van zes weken krijgt om een medische beoordeling door een verzekeringsarts te verrichten, gevolgd door drie weken om een besluit te nemen, in totaal dus negen weken. Deze termijn acht de rechtbank passend gezien de capaciteitsproblemen bij het UWV.
De rechtbank legt het UWV op binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen en stelt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000,- vast voor het geval het UWV deze termijn overschrijdt. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed en worden proceskosten toegekend.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro, omdat het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank benadrukt dat bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding kunnen zijn voor afwijking van de termijnen, mits door partijen aangevoerd.
Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na uitspraak een besluit nemen over het herbeoordelingsverzoek en betaalt een dwangsom bij overschrijding.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5031
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Defensie, eiser
(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. [naam] , (ex-)werkneemster van eiser, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 6 februari 2025 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiser heeft op 29 juli 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 10 april 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 15 april 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 12 juni 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een bestuursorgaan dat in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat het Uwv nu alsnog zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen twee weken, maar in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak, een beslissing moet nemen.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege een capaciteitsgebrek aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat de afdeling sociaal medische zaken op de hoogte is gesteld van de onderhavige procedure, zodat de herbeoordeling met spoed kan worden opgepakt. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hierboven genoemde beslistermijn van negen weken wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden.
veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.