Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14139

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
12082096 RP VERZ 26-50127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:641 BWArt. 7:673 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek transitievergoeding, vakantie-uren, jubileum- en bonusuitkering werknemer

Werknemer, sinds 2000 in dienst en algemeen directeur van [bedrijf], verzocht de kantonrechter om een hogere transitievergoeding, uitbetaling van openstaande vakantie-uren, een jubileumuitkering en een bonusuitkering. Hij stelde dat de door werkgever berekende transitievergoeding te laag was, dat vakantie-uren onterecht waren verrekend, en dat hij recht had op jubileum- en bonusuitkeringen.

Werkgever betwistte deze aanspraken en stelde dat de transitievergoeding correct was berekend, dat vakantie-uren onterecht waren uitbetaald en verrekend, en dat geen recht bestond op jubileum- en bonusuitkeringen vanwege het ontbreken van schriftelijke afspraken en het niet volledig in dienst zijn gedurende het bonusjaar.

De kantonrechter oordeelde dat de transitievergoeding van €133.843,00 correct was berekend en dat de hogere vordering van werknemer werd afgewezen. De uitbetaling van 506,72 vakantie-uren werd afgewezen omdat werknemer onvoldoende onderbouwde dat hij recht had op meer uren dan door werkgever verantwoord. De jubileumuitkering werd afgewezen wegens gebrek aan schriftelijke verplichting of gedragslijn. De bonusuitkering over 2025 en 2026 werd afgewezen omdat werknemer niet het gehele boekjaar in dienst was geweest en geen bonusgarantie bestond.

De kantonrechter veroordeelde werknemer in de proceskosten van €1.009,00 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek van werknemer af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
br/c
Zaaknummer / rekestnummer: 12082096 \ RP VERZ 26-50127
Beschikking van28mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.A.M. Euverman,
tegen
[bedrijf] LASTECHNIEK B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 2 februari 2026 met producties 1 tot en met 14,
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 28,
  • het bericht van [verzoeker] met aanvullende producties 15 tot en met 21,
  • de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Vervolgens is de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1963, is per 5 april 2000 bij Handelsonderneming [bedrijf] B.V. (hierna: Handelsonderneming [bedrijf] ) in dienst getreden, waarvan EHRA Holding B.V. de enig aandeelhouder was. [verzoeker] heeft op 1 april 2004 de vestiging [bedrijf] Lastechniek B.V. (hierna: [bedrijf] Lastechniek) opgericht, waarvan EHRA 75% en [verzoeker] 25% van de aandelen bezat. [verzoeker] was als algemeen directeur verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing van zowel Handelsonderneming [bedrijf] als [bedrijf] Lastechniek.
2.2.
[verzoeker] en [bedrijf] Lastechniek hebben in maart 2022 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, waarin onder meer is afgesproken dat [verzoeker] per 1 april 2022 start als algemeen directeur, tegen een salaris van laatstelijk € 12.465,53 bruto per maand (exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten) bij een arbeidsduur van 40 uur per week. Partijen zijn verder voor zover hier relevant nog het volgende overeengekomen:
“(…)
11. Vakantie
11.1.
Werknemer heeft recht op 28 vakantiedagen per jaar. (…)

13.Overwerk

13.3
De vergoeding voor eventueel overwerk is verdisconteerd in het salaris dat Werknemer op grond van art. 7 van Pro de arbeidsovereenkomst ontvangt. (…)

25.Bijzondere bepalingen

25.2.
Ieder boekjaar van Werkgever komt Werknemer in aanmerking voor een bonus als voldaan wordt aan de volgende cumulatieve voorwaarden (A) en (B):
(A) De accountant van Werkgever en Handelsonderneming [bedrijf] B.V. stelt op basis van de jaarrekeningen van beide vennootschappen vast dat de gecombineerde EBITDA van deze vennootschappen in een boekjaar de door Werkgever bepaalde drempelwaardes overschrijdt. Voor de boekjaren 2022 t/m 2026 gelden de volgende drempelwaardes:
Boekjaar 2022: € 1.098.000
Boekjaar 2023: € 1.183.000
Boekjaar 2024: € 1.242.000
Boekjaar 2025: € 1.387.000
Boekjaar 2026: € 1.486.000
Bij 100% bereik van de bovengenoemde EBITDA doelstelling voor dat jaar zal de bonus 100% van € 31.050 bruto (22,5% van het bruto jaarsalaris van € 138.000) bedragen.
Indien in enig boekjaar minder dan 85% van bovengenoemde EBITDA doelstelling voor dat jaar zal worden bereikt zal er geen recht op een bonus voor dat jaar gelden.
Tussen 85% en 110% bereik van de bovengenoemde EBITDA doelstelling voor dat jaar zal een pro-rata bonus gelden. Bijvoorbeeld bij 92% bereik van bovengenoemde EBITDA doelstelling voor dat jaar, zal 92% van € 31.050 bruto worden uitgekeerd; bij 108% van bovengenoemde EBITDA doelstelling voor dat jaar, zal 108% van € 31.050 bruto worden uitgekeerd.
Indien in enig boekjaar meer dan 110% van bovengenoemde EBITDA doelstelling voor dat jaar zal worden bereikt zal er maximaal 110% van € 31.050 bruto worden uitgekeerd.
(B) Werknemer is gedurende het gehele boekjaar in dienst geweest.
(…)”
2.3.
Air Liquide B.V. (hierna: Air Liquide) heeft op 22 april 2022 alle aandelen van EHRA in zowel Handelsonderneming [bedrijf] als [bedrijf] Lastechniek overgenomen. Direct voorafgaand aan deze transactie had [verzoeker] zijn aandelen in [bedrijf] Lastechniek al aan EHRA overgedragen. Ook nam [verzoeker] ontslag als bestuurder van [bedrijf] Lastechniek.
2.4.
De algemene ledenvergadering van Handelsonderneming [bedrijf] heeft tijdens een vergadering van 17 november 2023 besloten [verzoeker] met ingang van 20 november 2023 weer te benoemen tot haar bestuurder.
2.5.
Handelsonderneming [bedrijf] en [bedrijf] Lastechniek zijn vervolgens op 19 maart 2025 gefuseerd, waarbij Handelsonderneming [bedrijf] de verkrijgende vennootschap en [bedrijf] Lastechniek de verdwijnende vennootschap was.
2.6.
De naam van Handelsonderneming [bedrijf] is kort daarna door een statutenwijziging gewijzigd in [bedrijf] Lastechniek B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] exploiteert een groothandel in lastechniek en verkoopt allerlei lastechnische benodigdheden en specialistische producten. Daarnaast adviseert en begeleidt zij relaties bij ingewikkelde laswerkzaamheden en -projecten en heeft zij een eigen lasschool waar lassers opgeleid en gecertificeerd kunnen worden.
2.7.
Air Liquide heeft bij brief van 21 mei 2025 aan [verzoeker] laten weten dat zij voornemens is hem als bestuurder van [bedrijf] te ontslaan. [verzoeker] heeft op 11 juni 2025 aan Air Liquide geschreven dat hij het niet eens is met dit voorgenomen besluit. Air Liquide is bij haar standpunt gebleven en heeft op 16 juni 2025 besloten om [verzoeker] als bestuurder te ontslaan. Air Liquide heeft in een gesprek op 18 juni 2025 aan [verzoeker] kenbaar gemaakt dat zijn ontslag als bestuurder als gevolg heeft dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 eindigt.
2.8.
[bedrijf] heeft op 27 november 2025 een eindafrekening aan [verzoeker] gestuurd. Uit deze eindafrekening volgt dat [bedrijf] een transitievergoeding van € 133.843,00 bruto, 106,72 vakantie-uren met een waarde van € 7.675,30 bruto en het vakantiegeld met een waarde van € 5.575,90 bruto aan [verzoeker] heeft uitbetaald en daarmee de al uitgekeerde vakantie-uren van € 35.501,67 en de jubileumuitkering van € 13.120,57 heeft verrekend.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[bedrijf] te bevelen binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de correcte transitievergoeding van een bedrag van € 188.223,40 aan [verzoeker] uit keren,
[bedrijf] te bevelen binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de openstaande vakantie-uren van een bedrag van € 35.501,67 aan [verzoeker] uit te keren,
[bedrijf] te bevelen binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de jubileumuitkering van een bedrag van € 13.120,57 aan [verzoeker] uit te keren,
[bedrijf] te bevelen over het onder 1., 2., en 3. verzochte de wettelijke verhoging en de wettelijke rente te voldoen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd,
[bedrijf] te bevelen binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking de bonus van een bedrag van € 32.836,29 aan [verzoeker] uit te keren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de verschillende momenten van opeisbaarheid,
[bedrijf] te bevelen om uiterlijk april 2027 aan [verzoeker] de bonus uit te keren conform de arbeidsovereenkomst en op basis van het gemiddelde van de in de daaraan voorafgaande jaren aan [verzoeker] uitgekeerde bonussen,
[bedrijf] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Aan het verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. De eindafrekening die [bedrijf] aan hem heeft verstrekt klopt niet. Zo is de hoogte van de transitievergoeding verkeerd door [bedrijf] berekend en heeft zonder instemming van [verzoeker] een verrekening van eerder door [bedrijf] uitbetaalde vakantie-uren en de jubileumuitkering plaatsgevonden. Verder maakt [verzoeker] aanspraak op de bonus over 2025 en 2026, omdat hij vindt dat hij de daarvoor gestelde doelstellingen heeft behaald althans had kunnen behalen.
3.3.
[bedrijf] voert verweer. [bedrijf] vraagt de kantonrechter de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoeker] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[bedrijf] betwist dat zij de transitievergoeding van [verzoeker] verkeerd heeft berekend en dat [verzoeker] aanspraak kan maken op een bonus over de jaren 2025 en 2026. Verder voert [bedrijf] aan dat [verzoeker] ten onrechte 1370 vakantie-uren en een jubileumuitkering aan zichzelf heeft laten uitkeren, waardoor zij de waarde hiervan als onverschuldigd betaald heeft verrekend in de eindafrekening.

4.De beoordeling

De transitievergoeding
4.1.
[verzoeker] maakt aanspraak op een transitievergoeding gelijk aan zijn bruto jaarsalaris over 2025 van € 188.223,40. Hij gaat daarbij uit van een bruto basismaandsalaris van € 12.465,53, te vermeerderen met 8% vakantiegeld ter waarde van € 997,24 en een over 2022 tot en met 2024 berekende gemiddelde bonus van € 2.232,23 per maand, wat uitkomt op een bruto maandsalaris van € 15.695,00 en dus een bruto jaarsalaris van € 188.223,40. [bedrijf] betwist de hoogte van de door [verzoeker] verzochte transitievergoeding. Volgens haar heeft [verzoeker] recht op een transitievergoeding van € 133.843,00 bruto, omdat [verzoeker] 25,58 jaar bij haar in dienst is geweest ((26 x 1/3e x € 15.695,00) – (-0,42 x 1/3e x € 15.695,00) = € 133.840,00).
4.2.
Uit artikel 7:673 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt allereerst dat de transitievergoeding voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd gelijk is aan een derde van het loon per maand en een evenredig deel daarvan voor een periode dat de arbeidsovereenkomst korter dan een jaar heeft geduurd. Uit dit artikel volgt verder dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de berekeningswijze van de transitievergoeding. De transitievergoeding bedroeg in 2025 maximaal € 98.000,00 of een bedrag gelijk aan ten hoogste het loon over twaalf maanden indien dat loon hoger is dan het hiervoor genoemde maximumbedrag.
4.3.
De kantonrechter begrijpt dit artikel zo dat met het maximum van een jaarsalaris wordt bedoeld dat als het loon van de werknemer over twaalf maanden meer dan het maximumbedrag is, de maximale transitievergoeding een bedrag gelijk aan dat jaarsalaris is. Eerst moet dus de transitievergoeding worden berekend voor de situatie van werknemer en als het bedrag dat volgt uit die berekening boven het jaarsalaris van werknemer uitkomt, dan krijgt werknemer het jaarsalaris en niet de hoger uitgekomen transitievergoeding (zie ook ECLI:NL:RBMNE:2016:3347). Concreet betekent dit het volgende. De voor de situatie van [verzoeker] berekende transitievergoeding komt uit op een bedrag van € 133.840,00, zoals ook door [bedrijf] is berekend. Hoewel dit bedrag meer is dan de maximale transitievergoeding in 2025 van € 98.000,00, komt het niet uit boven het jaarsalaris van [verzoeker] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [bedrijf] daarom terecht een transitievergoeding van € 133.843,00 bruto aan [verzoeker] betaald, zodat de door [verzoeker] verzochte betaling van een transitievergoeding van € 188.223,40 bruto wordt afgewezen, net zoals de daarmee gepaard gaande nevenverzoeken.
De vakantie-uren
4.4.
[verzoeker] verzoekt de uitbetaling van 506,72 vakantie-uren, met een totale waarde van € 35.501,67 bruto, die [bedrijf] volgens hem ten onrechte heeft verrekend. [bedrijf] voert verweer tegen de door [verzoeker] verzochte uitbetaling van de verrekende vakantie-uren. Zij voert daartoe aan dat [verzoeker] in 2024 en 2025 ten onrechte 1370 vakantie-uren aan zichzelf heeft laten uitbetalen. Omdat [bedrijf] niet kon vaststellen hoeveel vakantie-uren [verzoeker] heeft opgenomen, heeft zij op grond van het bepaalde in de arbeidsovereenkomst het volledige saldo aan vakantie-uren aan [verzoeker] uitbetaald en de ten onrechte opgenomen 1370 vakantie-uren daarmee verrekend. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] geen recht heeft op betaling van openstaande vakantie-uren en licht zijn oordeel als volgt toe.
4.5.
Artikel 7:641 lid 1 BW Pro bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie, in beginsel recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak. Het tweede lid van dit artikel bepaalt vervolgens dat de werkgever verplicht is aan de werknemer een verklaring uit te reiken waaruit blijkt over welk tijdvak de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft. Uit het voorgaande volgt dat hoewel op [verzoeker] als werknemer de bewijslast rust van de hoogte van het door hem verzochte saldo aan vakantie-uren, als uitgangspunt geldt dat [bedrijf] daarvan als werkgever een deugdelijke administratie dient bij te houden. [bedrijf] moet haar betwisting daarom mede motiveren aan de hand van uit deze administratie blijkende gegevens.
4.6.
[bedrijf] heeft haar betwisting van het door [verzoeker] verzochte saldo aan vakantie-uren gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat [verzoeker] op grond van de arbeidsovereenkomst recht heeft op 28 vakantiedagen per jaar, bestaande uit 20 wettelijke en 8 bovenwettelijke vakantiedagen. Dat zijn in totaal 224 vakantie-uren, waarvan er 160 wettelijk en 64 bovenwettelijk zijn. [bedrijf] heeft verder toegelicht dat [verzoeker] per 1 november 2025 maximaal 63,34 vakantiedagen, zijnde 506,72 vakantie-uren, kan hebben opgebouwd, aangezien wettelijke vakantiedagen na zes maanden en bovenwettelijke vakantiedagen na vijf jaar vervallen. Die 506,72 vakantie-uren bestaan volgens [bedrijf] uit 8 bovenwettelijke vakantiedagen over de jaren 2020 tot en met 2024, 16,67 wettelijke vakantiedagen over januari tot en met oktober 2025 en 6,67 bovenwettelijke vakantiedagen over januari tot en met oktober 2025.
4.7.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [bedrijf] , heeft [verzoeker] zijn stelling dat hij recht heeft op 1370 vakantie-uren omdat [bedrijf] in het verleden nimmer uitvoering heeft gegeven aan de wettelijke verval- en verjaringstermijnen die gelden voor vakantie-uren, dat het de gebruikelijke gang van zaken was dat vakantie-uren die door toedoen van [bedrijf] niet opgenomen konden worden werden uitbetaald en dat hij veel heeft moeten overwerken, onvoldoende onderbouwd. [verzoeker] heeft weliswaar een drietal e-mails van werknemers van [bedrijf] overgelegd waaruit volgens hem volgt dat het uitbetalen van grote hoeveelheden vakantie-uren de standaardpraktijk binnen [bedrijf] was, maar miskent hiermee dat hij als bestuurder van [bedrijf] verantwoordelijk was voor de juiste uitbetaling van vakantie-uren. Met [bedrijf] is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] in zijn hoedanigheid van bestuurder werknemers van [bedrijf] erop had moeten wijzen dat hun vakantiedagen vervallen als zij deze niet tijdig opnemen en deze kennis ook op zijn eigen situatie had moeten toepassen. Daarbij komt dat [bedrijf] betwist dat zij geen uitvoering gaf aan de wettelijke verval- en verjaringstermijnen en dat uit artikel 13.3 van de arbeidsovereenkomst volgt dat de vergoeding voor overwerk reeds is verdisconteerd in het salaris van [verzoeker] . Dit alles maakt dat de kantonrechter de door [verzoeker] verzochte uitbetaling van openstaande vakantie-uren van een bedrag van € 35.501,67 zal afwijzen. Ook de verzochte wettelijke verhoging en de wettelijke rente over dit bedrag worden afgewezen.
De jubileumuitkering
4.8.
[verzoeker] maakt ook aanspraak op een jubileumuitkering van een bedrag van € 13.120,57, die [bedrijf] heeft verrekend in de eindafrekening van 27 november 2025. [verzoeker] stelt dat het een verworven recht binnen [bedrijf] is om bij een 25-jarig dienstverband een extra maand loon uitgekeerd te krijgen. [bedrijf] betwist dat zij een jubileumuitkering aan [verzoeker] is verschuldigd. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is van een schriftelijk vastgelegde verplichting tot het uitkeren van een jubileumuitkering bij een 25-jarig dienstverband en dat het enkele feit dat zij aan drie aan [verzoeker] ondergeschikte werknemers een jubileumuitkering heeft uitgekeerd niet maakt dat [verzoeker] daar dan ook recht op heeft. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] , gelet op de gemotiveerde betwisting van [bedrijf] , nader had moeten onderbouwen dat binnen [bedrijf] een gedragslijn bestaat op grond waarvan hij aanspraak kan maken op een jubileumuitkering. Omdat [verzoeker] dit heeft nagelaten, zal de kantonrechter de verzochte jubileumuitkering afwijzen, net zoals de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover.
De bonussen
4.9.
[verzoeker] verzoekt dat [bedrijf] wordt veroordeeld om over 2025 een bonus van € 32.836,29 aan hem te betalen. Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat partijen in 2022 een nieuwe arbeidsovereenkomst hebben gesloten met daarin een bonusbepaling voor ieder geval vijf jaar. Volgens [verzoeker] kan het naar maatstaven van redelijkheid niet zo zijn dat hem door de beëindiging van zijn dienstverband op initiatief van [bedrijf] een bonus wordt ontnomen waarvan duidelijk was dat deze hem voor een periode van vijf jaar zou toekomen. [bedrijf] betwist dat zij gehouden is om over 2025 een bonus aan [verzoeker] te betalen. Zij voert in dat kader aan dat de bonusafspraak niet meer geldt nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet meer bestaat, dat geen bonusgarantie voor vijf jaar is afgegeven en dat niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 25.2 van de arbeidsovereenkomst wordt voldaan.
4.10.
De kantonrechter zal de verzochte bonus over 2025 afwijzen, net zoals de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover. Uit artikel 25.2 van de arbeidsovereenkomst volgt immers dat [verzoeker] pas aanspraak op een bonus kan maken als hij gedurende het gehele boekjaar in dienst is geweest bij [bedrijf] . Aangezien de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] per 1 november 2025 is geëindigd, komt [verzoeker] alleen daardoor al niet in aanmerking voor een bonus over 2025. Het beroep van [verzoeker] op de redelijkheid en billijkheid maakt het voorgaande niet anders. [verzoeker] heeft zijn stelling dat partijen bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst in 2022 een bonusregeling voor in ieder geval vijf jaar hebben willen afspreken niet, althans onvoldoende, onderbouwd, en uit de tekst van artikel 25.2 blijkt het tegendeel. Ook de door [verzoeker] verzochte bonus over 2026 wordt afgewezen. Voor dit jaar geldt immers dat [verzoeker] het gehele boekjaar niet meer bij [bedrijf] in dienst is geweest. Het is daarom niet van belang of [verzoeker] de voor dat jaar gestelde doelstellingen had kunnen behalen.
De proceskosten
4.11.
[verzoeker] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van [bedrijf] van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. O. van der Burg en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.