Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
12088925 RL EXPL 26-3640
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing concurrentiebeding en maandelijkse vergoeding na ontslag bestuurder

De eiser was jarenlang bestuurder en algemeen directeur bij het bedrijf en had een concurrentiebeding van twee jaar na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Na overname en fusie werd hij ontslagen als bestuurder en eindigde zijn arbeidsovereenkomst. Eiser vorderde in kort geding schorsing van het concurrentiebeding en een maandelijkse vergoeding gelijk aan zijn laatstverdiende loon.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen spoedeisend belang had omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij op korte termijn bij een concurrent zou gaan werken of een concurrerende onderneming zou starten. Ook was onvoldoende onderbouwd dat hij door het concurrentiebeding in een hachelijke financiële positie was gekomen.

Inhoudelijk woog de rechtbank het zwaarwegende belang van de werkgever om bedrijfsinformatie en klantenrelaties te beschermen tegen het belang van eiser om het concurrentiebeding te schorsen. Gezien de vertrouwelijke positie van eiser en zijn kennis van bedrijfsgeheimen, vond de rechtbank dat het belang van de werkgever zwaarder woog. De gevorderde maandelijkse vergoeding werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van belemmering op de arbeidsmarkt.

De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot schorsing van het concurrentiebeding en maandelijkse vergoeding af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Team handel- en voorzieningenrechter
br/c
Zaaknummer: 12088925 \ RL EXPL 26-3640
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.A.M. Euverman,
tegen
[bedrijf] LASTECHNIEK B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 7,
  • de conclusie van antwoord tevens inhoudende een bevoegdheidsincident met producties 1 tot en met 17,
  • de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
  • de pleitnota van mr. Euverman.
1.2.
Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is per 5 april 2000 bij Handelsonderneming [bedrijf] B.V. (hierna: Handelsonderneming [bedrijf] ) in dienst getreden, waarvan EHRA Holding B.V. de enig aandeelhouder was. [eiser] heeft op 1 april 2004 de vestiging [bedrijf] Lastechniek B.V. (hierna: [bedrijf] Lastechniek) opgericht, waarvan EHRA 75% en [eiser] 25% van de aandelen bezat. [eiser] was als algemeen directeur verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing van zowel Handelsonderneming [bedrijf] als [bedrijf] Lastechniek.
2.2.
[eiser] en [bedrijf] Lastechniek hebben in maart 2022 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, waarin onder meer is afgesproken dat [eiser] per 1 april 2022 start als algemeen directeur. Partijen zijn verder het volgende concurrentiebeding overeengekomen:
“(…)
Het is de werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgeververboden:
- om gedurende een tijdvak van twee jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst;
- als zelfstandig ondernemer, als werknemer in dienst van derden of anderszins;
- direct of indirect, om niet of tegen betaling;
- werkzaam te zijn bij een onderneming, persoon of organisatie met activiteiten die soortgelijk of aanverwant zijn aan de activiteiten van Werkgever en de aan haar gelieerde vennootschappen (inclusief alle (andere) vennootschappen die onderdeel uitmaken van de Air Liquide groep) dan wel op enige andere wijze betrokken te zijn bij, een (financieel) belang te hebben in een dergelijke onderneming, persoon of organisatie.
(…)”
2.3.
Air Liquide B.V. (hierna: Air Liquide) heeft op 22 april 2022 alle aandelen van EHRA in zowel Handelsonderneming [bedrijf] als [bedrijf] Lastechniek overgenomen. Direct voorafgaand aan deze transactie had [eiser] zijn aandelen in [bedrijf] Lastechniek al aan EHRA overgedragen. Ook nam [eiser] ontslag als bestuurder van [bedrijf] Lastechniek.
2.4.
De algemene ledenvergadering van Handelsonderneming [bedrijf] heeft tijdens een vergadering van 17 november 2023 besloten [eiser] met ingang van 20 november 2023 weer te benoemen tot haar bestuurder.
2.5.
Handelsonderneming [bedrijf] en [bedrijf] Lastechniek zijn vervolgens op 19 maart 2025 gefuseerd, waarbij Handelsonderneming [bedrijf] de verkrijgende vennootschap en [bedrijf] Lastechniek de verdwijnende vennootschap was.
2.6.
De naam van Handelsonderneming [bedrijf] is kort daarna door een statutenwijziging gewijzigd in [bedrijf] Lastechniek B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] exploiteert een groothandel in lastechniek en verkoopt allerlei lastechnische benodigdheden en specialistische producten. Daarnaast adviseert en begeleidt zij relaties bij ingewikkelde laswerkzaamheden en -projecten en heeft zij een eigen lasschool waar lassers opgeleid en gecertificeerd kunnen worden.
2.7.
Air Liquide heeft bij brief van 21 mei 2025 aan [eiser] laten weten dat zij voornemens is hem als bestuurder van [bedrijf] te ontslaan. [eiser] heeft op 11 juni 2025 aan Air Liquide geschreven dat hij het niet eens is met dit voorgenomen besluit. Air Liquide is bij haar standpunt gebleven en heeft op 16 juni 2025 besloten om [eiser] als bestuurder te ontslaan. Air Liquide heeft in een gesprek op 18 juni 2025 aan [eiser] kenbaar gemaakt dat zijn ontslag als bestuurder als gevolg heeft dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 eindigt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair schorsing van het concurrentiebeding, subsidiair veroordeling van [bedrijf] tot betaling van een maandelijks vergoeding van € 13.462,55 vanaf de dag dat [eiser] bij [bedrijf] uit dienst is getreden tot en met de dag waarop het concurrentiebeding eindigt en zowel primair als subsidiair veroordeling van [bedrijf] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De plotselinge beëindiging van zijn dienstverband heeft hem in een hachelijke financiële positie gebracht. Door het concurrentiebeding is [eiser] voor de duur daarvan niet meer in de gelegenheid om een inkomen te verwerven. [eiser] is namelijk 62 jaar oud en heeft zijn gehele loopbaan kennis en ervaring opgebouwd binnen de branche waarin [bedrijf] actief is. De handhaving van het concurrentiebeding leidt daarom tot een onredelijke beperking van zijn mogelijkheden om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verder geldt volgens [eiser] dat hij niet over vertrouwelijke knowhow, bedrijfsgeheimen of strategische informatie beschikt waarmee hij concurrentieschade zou kunnen veroorzaken. Dit alles maakt volgens hem dat zijn belang bij de schorsing van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van [bedrijf] bij handhaving daarvan. In het geval dat het concurrentiebeding niet wordt geschorst, vordert [eiser] een maandelijkse vergoeding gelijk aan zijn laatst verdiende loon. Deze vergoeding heeft hij nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, aangezien hij met zijn eenzijdige arbeidsverleden en leeftijd elders geen dienstverband kan vinden.
3.3.
[bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[bedrijf] betwist dat de omstandigheden dat [eiser] lang bij [bedrijf] heeft gewerkt en 62 jaar oud is met zich brengt dat [eiser] geen andere baan kan vinden. [bedrijf] betwist ook dat het dienstverband van [eiser] plotseling is geëindigd en dat hij daardoor in een hachelijke financiële positie is terechtgekomen. [bedrijf] voert verder aan dat zij een gegronde vrees voor benadeling heeft als [eiser] bij een directe concurrent gaat werken of een concurrerend bedrijf opricht, omdat [eiser] binnen haar organisatie een bijzondere en vertrouwelijke positie had.

4.De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding
4.1.
Vooropgesteld wordt dat een eis in kort geding alleen toewijsbaar is als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een bodemprocedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [bedrijf] als deze toewijzing later wordt teruggedraaid.
[eiser] heeft geen spoedeisend belang
4.2.
[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Gesteld noch gebleken is namelijk dat [eiser] op korte termijn in dienst wil en kan treden bij een concurrent van [bedrijf] of zelf een concurrerende onderneming wil starten en daardoor baat heeft bij duidelijkheid over het concurrentiebeding. Daarbij komt dat [eiser] zijn stelling dat hij zich door het concurrentiebeding in een hachelijke financiële bevindt, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [bedrijf] , onvoldoende heeft onderbouwd.
Ten overvloede
4.3.
Hoewel de vorderingen van [eiser] al niet toewijsbaar zijn vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang daarbij, zal de voorzieningenrechter hierna motiveren waarom de vorderingen van [eiser] ook na een inhoudelijke beoordeling niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Het concurrentiebeding wordt niet geschorst
4.4.
Op grond van artikel 7:653 lid 3 BW Pro kan de rechter een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Alleen in het bevestigende geval kan er aanleiding zijn het beding in kort geding geheel of gedeeltelijk te schorsen. Dat betekent dat een afweging moet worden gemaakt tussen enerzijds het belang van [bedrijf] op bescherming van haar bedrijfsdebiet en anderzijds het belang van [eiser] bij de schorsing van het concurrentiebeding.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [bedrijf] een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding en dat van een onbillijke benadeling van [eiser] in verhouding tot het door [bedrijf] te beschermen belang geen sprake is. [bedrijf] heeft aangevoerd dat [eiser] binnen haar organisatie een bijzondere en vertrouwelijke positie had, omdat hij ruim 25 jaar bij haar heeft gewerkt, haar mede heeft opgericht en geruime tijd bestuurder is geweest. Hij is daardoor op de hoogte van onder meer alle belangrijke commerciële en technische informatie, werkprocessen en strategieën van [bedrijf] . [bedrijf] heeft verder aangevoerd dat [eiser] alles weet van haar producten, betrokken is geweest bij het bepalen van de prijzen en marges die zij hanteert en intensief contact heeft gehad met en heeft gewerkt voor de relaties van [bedrijf] . Het is daarom aannemelijk dat als [eiser] zijn kennis en ervaring bij een andere werkgever inzet of zelf een onderneming begint, hij die werkgever een concurrentievoordeel geeft of dat voordeel zelf heeft.
4.6.
Tegenover het belang van [bedrijf] om haar bedrijfsdebiet te beschermen staat het belang van [eiser] om het concurrentiebeding te schorsen. De voorzieningenrechter kan [eiser] niet volgen in zijn stelling dat hij door zijn leeftijd en eenzijdige kennis en ervaring slechts beperkte arbeidsmarktperspectieven heeft. Niet aannemelijk is dat [eiser] met zijn bestuurs- en managementervaring opgedaan als algemeen directeur, niet in andere sectoren dan de specifieke sector waarin [bedrijf] zich begeeft aan de slag kan of beperkte mogelijkheden heeft om zich te laten omscholen, zoals hij heeft aangevoerd. Daarbij komt dat partijen de werking van het concurrentiebeding in 2022 uitdrukkelijk zijn overeengekomen en dat op dat moment het arbeidsverleden en de leeftijd en daarmee dus ook de arbeidsmarktperspectieven van [eiser] reeds bekend waren.
4.7.
Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen dient het belang van [bedrijf] bij de handhaving van het concurrentiebeding zwaarder te wegen dat het belang van [eiser] bij het schorsen daarvan. Op grond daarvan acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de bodemrechter in een eventueel door [eiser] aan te spannen bodemprocedure tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het concurrentiebeding zal overgaan. De gevorderde schorsing zal dan ook worden afgewezen.
[eiser] krijgt geen vergoeding voor de duur van het concurrentiebeding
4.8.
Op grond van artikel 7:653 lid 5 BW Pro kan de rechter bepalen dat de werkgever de werknemer een vergoeding moet betalen voor de duur van de beperking, indien de werknemer door het concurrentiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn.
4.9.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk dat [eiser] door het concurrentiebeding in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van [bedrijf] werkzaam te zijn. [eiser] heeft namelijk in zijn geheel niet onderbouwd dat hij – al dan niet in een andere sector of na omscholing – geen perspectief heeft op een andere baan. Voor het toekenning van een vergoeding bestaat dan ook geen aanleiding. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.366,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.366,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. van der Burg en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.