In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, op 28 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag op 10 november 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. De rechtbank oordeelt dat de minister voor Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ondanks de aangevoerde argumenten van eiser over tekortkomingen in de Franse asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser had gesteld dat hij het risico liep op onmenselijke of vernederende behandeling, maar de rechtbank concludeert dat de problemen in de Franse asielopvang niet zodanig structureel zijn dat ze een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest rechtvaardigen.
De rechtbank wijst erop dat de minister bij zijn beoordeling rekening moet houden met alle relevante informatie, maar dat de enkele wens van eiser om in Nederland asiel aan te vragen niet voldoende is om de minister te verplichten zijn aanvraag aan zich te trekken. De rechtbank concludeert dat de minister niet onterecht heeft geoordeeld en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen een week hoger beroep aantekenen.