ECLI:NL:RBDHA:2026:14518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser diende op 17 januari 2026 een asielaanvraag in, die de minister op 9 april 2026 niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser betwist dit en voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder het niet kunnen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanwege systeemfouten in Duitsland, het risico op indirect refoulement en de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een verslechtering van de situatie in Duitsland. De rechtbank stelt vast dat zij niet mag toetsen of er een risico op indirect refoulement bestaat zolang er geen sprake is van systeemfouten, en dat eiser dit risico in Duitsland kan aankaarten.
Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening faalt omdat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die overdracht aan Duitsland tot onevenredige hardheid zouden maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.