ECLI:NL:RBDHA:2026:14620
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-bewoning uitkeringsadres en weigering huisbezoek
Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en gaf een adres op als hoofdverblijf. Het college introk de uitkering en vorderde terugbetaling wegens vermoedelijke niet-bewoning van het uitkeringsadres, gebaseerd op extreem laag waterverbruik en weigering medewerking aan huisbezoek.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had, mede door het extreem lage waterverbruik van 1 m³ in de relevante periode. Eiser kon dit niet voldoende weerleggen met zijn mantelzorgsituatie en andere omstandigheden zoals elektriciteitsverbruik en gesprekken met begeleiders.
Daarnaast weigerde eiser medewerking aan een direct aansluitend huisbezoek, zonder zwaarwegend belang dat deze weigering rechtvaardigde. Hierdoor mocht het college de uitkering intrekken vanaf 12 juni 2024.
Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het college mag het teruggevorderde bedrag van ruim €22.900 innen, waarbij eiser bescherming geniet van de beslagvrije voetregels. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.