ECLI:NL:CRVB:2021:938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending medewerkingsverplichting bij huisbezoek
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege vermoedens dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met X, de vader van haar jongste kind. Tijdens een huisbezoek op 25 juli 2018 weigerde appellante de berging te tonen omdat X, die de enige sleutels had, de woning had verlaten.
Het college trok daarop de bijstand in wegens schending van de medewerkingsverplichting. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het gebaseerd was op het voeren van een gezamenlijke huishouding, maar handhaafde de intrekking op grond van de medewerkingsplicht.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat de weigering om de berging te tonen voor rekening en risico van appellante komt, omdat zij niet tijdig reserve sleutels had geregeld. De redelijke grond voor het huisbezoek bestond onverminderd en de handhavingsmedewerkers boden voldoende gelegenheid om alsnog medewerking te verlenen.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de medewerkingsverplichting door het niet tonen van de berging.