ECLI:NL:RBDHA:2026:14624

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
24/6677
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 58 PwArt. 475b Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475c Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten schoonmaakwerk

Eiseres ontvangt sinds 2019 een bijstandsuitkering en werd door het college onderzocht vanwege niet gemelde inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden. Het college herzag de bijstand over de periode van september 2021 tot augustus 2023 en vorderde een bedrag van bijna €9.000,- terug. Eiseres betwistte de omvang van de werkzaamheden en de hoogte van de inkomsten, en voerde onder meer aan dat zij de verklaringen in het gespreksverslag niet ondertekende en dat de waarnemingen niet aantonen dat zij structureel werkte.

De rechtbank oordeelt dat het college de omvang van de werkzaamheden terecht heeft vastgesteld op basis van de mondelinge verklaringen van eiseres tijdens het gesprek van 4 september 2023. Latere verklaringen van eiseres, die afwijken van het gespreksverslag en niet met bewijs zijn onderbouwd, worden verworpen. Ook het ontbreken van ondertekening van het gespreksverslag en onderzoeksrapport vermindert de bewijskracht niet substantieel.

Verder is vastgesteld dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door haar werkzaamheden niet te melden, wat een rechtsgrond vormt voor herziening en terugvordering. De rechtbank vindt dat het college geen dringende redenen hoefde te zien om van terugvordering af te zien, mede omdat eiseres de terugvordering kan voldoen binnen de wettelijke beschermingen en het college kwijtschelding kan verlenen na vijf jaar aflossing.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6677

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

(gemachtigde: I. Stuurman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering die eiseres heeft ontvangen op grond van de Participatiewet (Pw). Eiseres is het niet eens met het besluit van het college. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 april 2024 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres herzien over de periode van 1 augustus 2021 tot en met
30 september 2023 en een bedrag van € 9.072,- aan te veel ontvangen bijstand teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen, in zoverre dat de bijstandsuitkering wordt herzien over de periode van 6 september 2021 tot en met
31 augustus 2023 en wordt teruggevorderd tot € 8.995,82.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door N. van den Berg.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt sinds 8 juli 2019 een bijstandsuitkering van het college. Naar aanleiding van een melding dat eiseres inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden en uit een cateringbedrijf heeft, is het college een onderzoek gestart naar het recht op bijstand. Hiertoe is een administratief onderzoek en een internetonderzoek verricht en zijn er waarnemingen verricht in de periode van 15 mei 2023 tot en met 28 augustus 2023. Eiseres is op
4 september 2023 gehoord door de sociale recherche. Na afloop van het gesprek is eiseres in de gelegenheid gesteld om ontbrekende bankafschriften en een overzicht van haar werkzaamheden en inkomsten over te leggen. Eiseres heeft op 15 september 2023 een aanvullende verklaring overgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de (eind)rapportage van 27 maart 2024. Daarna heeft het college het primaire besluit genomen.
3.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden heeft ontvangen en dit niet heeft gemeld. Gelet op de aard, de duur, de omvang en het terugkerende karakter van de verrichte werkzaamheden is er sprake van op geld waardeerbare activiteiten. Eiseres heeft zelf erkend dat zij loon heeft ontvangen voor haar schoonmaakwerkzaamheden. Het college heeft het recht op bijstand schattenderwijs vastgesteld op basis van haar mondelinge verklaringen. De door eiseres op 15 september 2023 overgelegde verklaring en het overzicht van haar werkzaamheden wijken hier vanaf en worden op geen enkele wijze ondersteund door verifieerbare bewijzen. Ook komt de latere verklaring – in tegenstelling tot de mondelinge verklaring op 4 september 2023 – niet overeen met de bevindingen van het waarnemingsonderzoek. Het niet bijhouden van een administratie van de werkzaamheden waardoor zij achteraf geen bewijsstukken heeft om de omvang van haar werkzaamheden en/of de hoogte van de inkomsten aannemelijk te maken, komt voor risico van eiseres.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres voert aan dat uit de waarnemingen over de periode van 10 juli 2023 tot en met 21 augustus 2023 enkel blijkt dat ze aanwezig was op de adressen [adres 1] en [adres 2] . Zij bezocht deze adressen voor gezelschap en contact. Het college gaat er ten onrechte vanuit dat eiseres aldaar structureel, wekelijks, voor de duur van drie jaar schoonmaak- werkzaamheden heeft verricht. Daarnaast is eiseres het niet eens met de inhoud van het gespreksverslag. Als reactie hierop heeft ze een overzicht overgelegd waarin de vermeende schoonmaakwerkzaamheden en inkomsten zijn uitgewerkt. Het college is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Eiseres heeft nadat het gespreksverslag was opgestuurd, binnen twee weken laten weten het niet eens te zijn met het verslag. Haar verklaringen zijn namelijk volledig uit de context gehaald. Eiseres heeft het gespreksverslag dan ook niet ondertekend. Daar komt bij dat het gespreksverslag en het onderzoeksrapport ook niet zijn ondertekend door de sociaal rechercheurs. Dit roept twijfel op over de authenticiteit en betrouwbaarheid van de documenten en daarom zouden die moeten worden uitgesloten als bewijs. Ten slotte doet eiseres een beroep op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Zij is een alleenstaande moeder met drie kinderen en zij heeft psychische klachten die door het onderzoek verergerd zijn.
Wat oordeelt de rechtbank?
5. Eiseres heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. De rechtbank komt aan de hand van de door eiseres ingediende bewijsstukken tot de conclusie dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het griffierecht niet kan betalen. Daarom is terecht afgezien van het heffen van griffierecht.
Heeft het college de inkomsten juist vastgesteld?
5.1.
De te beoordelen periode loopt van 6 september 2021 (datum met ingang waarvan de bijstandsuitkering is herzien) tot en met 19 juli 2024 (het bestreden besluit).
5.2.
Een besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting is een voor eiseres belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres gedurende de periode van
6 september 2021 tot en met 31 augustus 2023 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van op geld waardeerbare arbeid in de vorm van schoonmaakwerkzaamheden.
5.3.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor herziening van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij (of zij), indien hij (zij) destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
5.4.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn (of haar) rekening. [1]
5.5.
Niet in geschil is dat eiseres schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht en dat dit werkzaamheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Evenmin is in geschil dat eiseres deze werkzaamheden niet heeft gemeld bij het college, zodat sprake is van schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. In geschil is wel wat de omvang van de schoonmakenwerkzaamheden was, en wat de hoogte is van de inkomsten die eiseres uit haar werkzaamheden heeft ontvangen.
5.6.
Het college heeft het recht op bijstand over de periode van 6 september 2021 tot en met 31 augustus 2023 schattenderwijs vastgesteld. Het college baseert de omvang van de werkzaamheden op de door eiseres op 4 september 2023 afgelegde verklaringen. Deze verklaringen zijn neergelegd in het gespreksverslag dat onderdeel is van de rapportage.
Eiseres heeft blijkens het gespreksverslag verklaard dat zij al ongeveer twee jaar lang één keer per week bij [naam 1] (woonachtig op [adres 1] ) langs gaat en daar drie uur schoonmaakwerkzaamheden verricht voor € 45,- per uur. Sinds januari 2023 komt eiseres ook één keer per week bij [naam 2] (woonachtig op [adres 2] ) over de vloer. [naam 2] betaalt eiseres € 50,- voor drie uur schoonmaakwerk. Sinds de zomervakantie gaat eiseres eens in de twee weken langs bij [naam 3] , van wie zij ook € 50,- ontvangt voor drie uur schoonmaakwerk. Sinds juni 2023 gaat eiseres ook langs bij [naam 4] . Haar werktijden bij [naam 4] zijn onregelmatig, maar eiseres komt daar ongeveer twee á drie keer per maand voor drie uur per keer waar zij € 50,- voor ontvangt. Eiseres krijgt alle betalingen contant. Ze heeft geen administratie van haar werkzaamheden en inkomsten bijgehouden. Aan de hand hiervan heeft het college de inkomsten van eiseres over de periode van 6 september 2021 tot en met 31 augustus 2023 vastgesteld op € 6.830,-.
5.7.
De rechtbank merkt op dat de rapportage is afgesloten met de zin: “Wij hebben hiervan naar waarheid opgemaakt dit rapport, gesloten en ondertekend te Krimpenerwaard, op 14 september 2023”. Dat de rapportage waar het gespreksverslag onderdeel van vormt niet door de handhavingsspecialisten is ondertekend heeft tot gevolg dat daaraan minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring waarbij voldoende is gewaarborgd dat deze een juiste en volledige weergave biedt van wat een betrokkene heeft verklaard. [2] De rechtbank ziet echter in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van wat is opgenomen in het gespreksverslag van
4 september 2023. Ook de omstandigheid dat eiseres het gespreksverslag niet heeft ondertekend betekent niet dat er geen betekenis toekomt aan de verklaringen die zij tegenover de handhavingsspecialist heeft afgelegd. [3] De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.8.
Eiseres heeft haar stelling dat de inhoud van haar verklaringen onjuist is weergegeven, onvoldoende onderbouwd. Zij heeft in haar brief van 15 september 2023 volstaan met de opmerking dat ze veel minder uren schoonmaakte dan eerder verklaard, en dat ze voornamelijk bij [naam 1] kwam voor de gezelligheid, maar pas sinds januari 2023 schoonmaakwerk deed als tegenprestatie voor financiële ondersteuning. Ook stelt eiseres dat ze vaak af heeft moeten zeggen vanwege ziekte of vakanties. Volgens eiseres heeft zij met schoonmaakwerk een bedrag van in totaal € 715,- verdiend.
5.9.
De rechtbank acht het door eiseres overgelegde overzicht, dat achteraf is opgesteld en niet met objectieve en verifieerbare stukken is onderbouwd, onvoldoende om de juistheid van de eerder door eiseres afgelegde verklaring uit het gespreksverslag te weerleggen. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de latere verklaring van eiseres omtrent de omvang van haar werkzaamheden en de inkomsten die zij hieruit heeft ontvangen, sterk afwijkt van de verklaring die zij tijdens het gesprek op 4 september 2023 heeft afgelegd. Daarbij is de latere verklaring van eiseres niet geheel in overeenstemming met de waarnemingen die het college heeft verricht. Zo heeft eiseres verklaard dat zij tijdens de vakanties niet zou schoonmaken bij de adressen op [straatnaam] , terwijl uit de waarnemingen volgt dat eiseres in de vakantieperiode wel regelmatig gesignaleerd is bij [adres 1] en [adres 2] .
5.10.
Gelet hierop mocht het college bij het schattenderwijs vaststellen van de inkomsten uitgaan van de verklaring van eiseres zoals weergegeven in het gespreksverslag van 4 september 2023. De mogelijkheid dat het college de inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden wellicht iets te hoog heeft ingeschat, komt voor rekening en risico van eiseres.
Zijn er dringende redenen om van de terugvordering af te zien?
6. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
6.1.
Zoals de CRvB in vier uitspraken van 10 december 2024 [4] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
6.2.
Het college heeft in wat eiseres heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven zien om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen is geen sprake. In dat verband is van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door eiseres. Eiseres heeft haar standpunt dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft verder niet onderbouwd. Zij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor haar onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat eiseres ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen.
6.3.
Hierbij is mede in aanmerking genomen dat eiseres bij de invordering als schuldenaar de bescherming heeft van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ter zitting is gebleken dat het college op dit moment met inachtneming van bedoelde regels 5% van de bijstandsuitkering van eiseres inhoudt. Eiseres lost sinds januari 2024 € 65,- per maand af en heeft inmiddels een bedrag van circa € 1.300,- terugbetaald. Van de kant van het college is toegelicht dat eiseres, zodra zij gedurende een periode van vijf jaar aan haar maandelijkse aflossingsplicht heeft voldaan, volgens de beleidsregels die het college hanteert in beginsel in aanmerking komt voor kwijtschelding van het restant van de schuld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering in stand blijft.
8. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug en krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:402.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3011.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2814.