Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
contra legem’-toepassing van het evenredigheidsbeginsel genoemd. [4] Dat zulke bijzondere omstandigheden zich voordoen, kan slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. [5]
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet, maar het college stelde dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Na onderzoek, waaronder huisbezoeken en buurtonderzoek, concludeerde het college dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en trok de bijstand in, met terugvordering van de kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 6 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat het bewijs, met name de bevindingen bij het huisbezoek, voldoende was en dat appellant geen geldige gronden had om het besluit aan te vechten.
Verder gaf de Raad een ruimere invulling aan het begrip 'dringende redenen' voor het afzien van terugvordering, maar concludeerde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die daartoe aanleiding geven. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de wetgever de intrekking en terugvordering als gebonden bevoegdheden heeft geregeld. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand.