Eiseres, de garantstellende verzekeraar van een ex-werkneemster, verzocht op 25 maart 2024 om herbeoordeling van het recht op een WIA-uitkering. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn van negen weken beslist, waardoor eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat ondanks ingebrekestelling geen besluit is genomen. Het UWV wijt de vertraging aan een structureel tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank erkent dit als een bijzonder geval en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin een termijn van negen weken wordt gehanteerd, verdeeld in zes weken voor medische beoordeling en drie weken voor besluitvorming.
De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000. Tevens wordt het betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten aan eiseres vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 22 mei 2026.