ECLI:NL:RBDHA:2026:14784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28306
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring

Eiseres is op 10 mei 2026 aan de grens Nederland binnengekomen en heeft een verzoek om internationale bescherming ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Naar aanleiding hiervan is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde dat de maatregel onrechtmatig was, onder meer vanwege onvoldoende motivering, het ontbreken van een rechtsgeldige ondertekening en haar persoonlijke omstandigheden zoals psychische klachten en haar relatie met een partner met een asielvergunning.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend, ondanks het gebruik van een vervangende ondertekenaar vanwege een niet-functionerende smartcard. Tevens is vastgesteld dat de maatregel terecht is opgelegd omdat eiseres niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed en het grensbewakingsbelang een vrijheidsontnemende maatregel rechtvaardigt. De rechtbank acht de motivering van de maatregel voldoende en wijst erop dat verweerder niet verplicht is om zware en lichte gronden te motiveren in deze situatie.

De persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder haar medische klachten en relatie, wegen niet zwaarder dan het grensbewakingsbelang. Er is geen bewijs dat zij niet adequaat medisch kan worden behandeld in detentie en haar partnerrelatie rechtvaardigt geen afwijking van de maatregel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28306

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de partner van eiseres is verschenen. Als tolk is aanwezig A.M.J. de Wit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiseres voert kort samengevat het volgende aan. Het primaire standpunt is dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is van aanvang af, althans na de niet-ontvankelijkverklaring van eiseres’ asielaanvraag bij besluit van 23 mei 2026. Het subsidiaire standpunt is dat in het licht van de individuele omstandigheden van eiseres - te weten haar jonge leeftijd, haar psychische klachten, haar gebruik van antidepressiva en haar persoonlijke band met haar partner in Nederland (die een asielvergunning op de A-grond heeft gekregen), het feit dat ze geen strafrechtelijk verleden heeft en haar door verweerder geen inreisverbod is opgelegd - onvoldoende kenbaar is gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan en waarom voortduring van de maatregel nog evenredig is.
4.1.
De maatregel is niet, althans onvoldoende controleerbaar, rechtsgeldig ondertekend door een daartoe bevoegde behandelaar van de KMar. Ook is niet controleerbaar wanneer de maatregel is ondertekend en of ondertekening vóór uitreiking heeft plaatsgevonden en of het aan eiseres uitgereikte document overeenkomt met een rechtsgeldig ondertekende versie. Daarnaast blijkt uit de maatregel niet dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Er zijn geen zware en lichte gronden aangekruist. Na het besluit van 23 mei 2026 zijn de aard en doelstelling van de vrijheidsontneming veranderd en had verweerder de maatregel moeten laten steunen op een andere grondslag. Verweerder dient concreet te motiveren dat er zicht op uitzetting bestaat naar Argentinië.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Geldigheid van de maatregel
6. Een rechtsgeldige maatregel van bewaring komt ingevolge artikel 5.3 van het Vb pas tot stand als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Een maatregel van bewaring treedt verder pas in werking als deze is uitgereikt. De rechtbank stelt vast dat de maatregel in het dossier op 10 mei 2026 om 15:02 uur digitaal is ondertekend door [naam 1] omdat de smartcard van behandelaar, [naam 2], niet functioneerde. In de maatregel staat dat deze onmiddellijk aan eiseres is uitgereikt. Ter zitting heeft verweerder op haar laptop getoond dat de maatregel van bewaring is gevalideerd en dat de betreffende medewerker bevoegd was om de maatregel te ondertekenen. Verweerder heeft ook aangegeven dat dit het besluit is dat aan eiseres is uitgereikt, omdat zich in het dossier geen ander besluit bevindt en bij verweerder ook geen ander besluit bekend is. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.3 van de Vb. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de hoogste bestuursrechter [1] van 6 maart 2025 waarin een uitspraak met een soortgelijk oordeel van de rechtbank werd bevestigd. [2]
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw niet met zware en lichte gronden hoeft te motiveren. Dit is slechts anders als een onderdaan van een derde land op wie de Dublinverordening van toepassing is niet krachtens artikel 6a van de Vw 2000 aan de grens kan worden gedetineerd, omdat nog niet op zijn asielaanvraag is beslist en hem dus de toegang tot Nederland niet is geweigerd. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020. [3] Ook heeft verweerder in dit geval niet hoeven te motiveren dat er zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2016. [4] De beslissing op de asielaanvraag van eiseres maakt dat oordeel niet anders. Eiseres is verzoekster tot de beroepstermijn ongebruikt is verstreken, wat het geval was ten tijde van het opleggen van de maatregel en ook nog ten tijde van het onderzoek op de zitting. [5]
Lichter middel
8. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres op 10 mei 2026 aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan toegangsvoorwaarden voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. [6] Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [7] Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
9. De rechtbank heeft er oog voor dat de detentie eiseres zwaar valt en dat zij graag bij haar partner wil zijn. Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiseres, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat haar belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Redengevend daarvoor is dat niet is gebleken dat eiseres niet voor haar medische klachten terechtkan bij de medische dienst van het detentiecentrum. Ook heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet zodanig afhankelijk is van haar partner dat hij daarom het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. Eiseres heeft immers ook zonder haar partner naar Nederland kunnen reizen. Anders dan eiseres stelt, blijkt uit de motivering ook dat verweerder een concrete en op het individuele geval toegespitste belangenafweging heeft gemaakt. Dat verweerder vanwege de omstandigheden van eiseres heeft afgezien van een inreisverbod, maakt het oordeel niet anders. Het beoordelingskader en de afwegingen voor het al dan niet opleggen van een inreisverbod zijn anders dan voor het al dan niet opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [8] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:834, rechtsoverweging 2.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, rechtsoverweging 5.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2001, rechtsoverweging 6.1.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, rechtsoverweging 3.2. e.v.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
8.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.