Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14927

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.32732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 8:72 AwbVerdrag betreffende de werking van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij afwijzing vernieuwing verblijfsdocument EU/EER

Eiseres, met Colombiaanse nationaliteit en moeder van een Nederlandse dochter, verzocht om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder. Verweerder wees de aanvraag af omdat de dochter meerderjarig werd en geen uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestond zoals vereist volgens het arrest K.A. en het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing was.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen afhankelijkheidsrelatie aannam, gezien de summiere medische verklaringen en het feit dat de dochter een uitkering ontvangt en dus niet volledig afhankelijk is. Wel constateert de rechtbank een motiveringsgebrek in de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid, met name de emotionele band tussen eiseres en haar dochter werd onvoldoende gemotiveerd.

Hoewel het beroep gegrond is verklaard wegens dit motiveringsgebrek, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, waardoor de afwijzing van de aanvraag blijft gelden. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de afwijzing blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32732
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.C. Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1975 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Eiseres heeft een dochter, [persoon] . Zij is referente in deze zaak. Zij is geboren op
[geboortedag 2] 2004 en heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Eiseres heeft sinds 11 juli 2013 een afgeleid verblijfsrecht in Nederland als verzorgende ouder van referente op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] . Dit verblijfsrecht zou geldig zijn tot 11 juli 2023.
2.3.
Eiseres heeft op 20 maart 2023 een aanvraag ingediend om een vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER.
2.4.
Met het primaire besluit van 25 maart 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en vastgesteld dat het afgeleide verblijfsrecht is komen te vervallen met ingang van 8 maart 2022. Referente is op 8 maart 2022 namelijk meerderjarig geworden, waardoor eiseres niet meer voldoet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez. Volgens verweerder is daarnaast geen sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A. [2] , waarbij eiseres en referente op geen enkele manier van elkaar zouden kunnen worden gescheiden. Eiseres komt daarom ook niet in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. [3] Verweerder heeft zich ook nog op het standpunt gesteld dat wel sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [4] tussen eiseres en referente, omdat referente valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder heeft echter de belangenafweging in dat kader in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Verweerder heeft verder vastgesteld dat eiseres wel privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft opgebouwd, maar heeft de belangenafweging in dat kader ook in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Verweerder heeft met het primaire besluit ook een terugkeerbesluit aan eiseres opgelegd.
2.5.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 9 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in de bezwaarfase.
2.6.
Met het bestreden besluit van 20 juni 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich, in tegenstelling tot het primaire besluit, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens verweerder voldoet referente namelijk niet meer aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, omdat zij inmiddels een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. Verweerder heeft beoordeeld of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referente en heeft vastgesteld dat daar geen sprake van is.
2.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, referente, de gemachtigde van eiseres, J. Mazor als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen.
Afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest K.A.
4.1.
Eiseres voert aan dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest K.A.. Referente kan wegens haar psychische en depressieve klachten niet zelfstandig, zonder de hulp van eiseres, functioneren. Dit volgt volgens eiseres ook uit brieven van de huisarts, een plan van aanpak in het kader van de Participatiewet en een e-mailbericht van een jongerenadviseur van de gemeente.
4.2.
De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest K.A. [5] heeft overwogen dat slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is dat tussen twee volwassenen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU doet ontstaan. Dit is het geval indien de betrokkene op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat referente verschillende medische klachten heeft en wil niet afdoen aan de ernst van deze klachten. De rechtbank overweegt echter dat de lat voor het aannemen van een afhankelijkheidsverhouding in de zin van het arrest K.A. hoog ligt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze hoge lat in het geval van eiseres niet wordt gehaald. Hoewel de huisarts heeft verklaard dat referente afhankelijk is van eiseres, is de verklaring van de huisarts summier en bevat deze geen concrete toelichting over de wijze waarop referente afhankelijk is van eiseres. Het plan van aanpak dat is opgesteld in het kader van de Participatiewet en het e-mailbericht van de jongerenadviseur van de gemeente zeggen iets over de afhankelijkheidsverhouding, maar ook uit deze stukken volgt geen afhankelijkheidsrelatie, zoals bedoeld in het arrest K.A., nog daargelaten dat deze stukken zijn opgesteld na het bestreden besluit. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat de zorg van eiseres voor referente bestaat uit het doen van het huishouden en het bieden van emotionele en mentale ondersteuning aan referente. De rechtbank is van oordeel dat deze zorg niet kan worden gezien als zorg waardoor referente op geen enkele wijze kan worden gescheiden van eiseres.
Jongvolwassenenbeleid
5.1.
Eiseres voert aan dat verweerder het jongvolwassenenbeleid had moeten toepassen. Het beroep van referente op de Participatiewet betekent niet dat zij zelfstandig in haar onderhoud kan voorzien, omdat het gaat om steun van de overheid en er geen sprake is van volledige zelfredzaamheid. Het beroep op de Participatiewet was een laatste noodgreep, door het financiële tekort in het gezin.
5.2.
Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familieleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:
1. het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;
2. met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;
3. niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en
4. geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat referente niet valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder mocht daarbij in aanmerking nemen dat referente een uitkering heeft op grond van de Participatiewet. In deze beoordeling gaat het om de vraag of referente nog behoort tot het gezin van eiseres. Daarbij is van belang of eiseres financieel voorziet in het onderhoud van referente. Omdat referente zelf een uitkering heeft aangevraagd, wordt zij geacht daarmee in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Zij is daarvoor niet meer, of in ieder geval niet meer volledig, afhankelijk van eiseres. De stelling van eiseres dat het om steun van de overheid gaat en er geen sprake is van volledige zelfredzaamheid, gaat eraan voorbij dat volledige zelfredzaamheid niet het onderliggende criterium is voor
‘in eigen onderhoud kunnen voorzien’.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6.1.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referente. Volgens eiseres is de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid te summier. Verweerder heeft de situatie tussen haar en referente onvoldoende zorgvuldig beoordeeld, nu verweerder de sterke emotionele band tussen haar en referente daarbij niet heeft betrokken.
6.2.
Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermenswaardig familieleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘further elements of dependency, involving more than normal emotional ties’). Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [6] volgt dat de vraag of sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. [7] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke emotionele band. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond [8] , de mate van financiële afhankelijkheid [9] , de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [10] , de banden met het land van herkomst [11] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [12] .
6.3.
De rechtbank toetst de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band – evenals het EHRM – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 [13] .
6.4.
De rechtbank volgt eiseres allereerst in haar standpunt dat de motivering van verweerder in het bestreden besluit dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid te summier is. Verweerder is niet ingegaan op de gestelde bijzondere emotionele band tussen eiseres en referente. Op de zitting heeft verweerder verklaard dat de motivering van bijkomende elementen van afhankelijkheid kort is, omdat eiseres in bezwaar daarover weinig heeft aangevoerd. De rechtbank overweegt dat de reden daarvoor is dat in het primaire besluit familieleven nog werd aangenomen en dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid daarom niet aan de orde was. Het lag op de weg van verweerder om eiseres in bezwaar in de gelegenheid te stellen om te reageren op de gewijzigde grondslag in het bestreden besluit. Nu verweerder dit niet heeft gedaan en verweerder slechts summier heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, zonder dat daarbij is ingegaan op de gestelde emotionele band tussen eiseres en haar dochter, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder is verder in het verweerschrift en op de zitting echter wel uitgebreider ingegaan op de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank zal daarom hierna ingaan op de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
6.5.
Verweerder heeft aangenomen dat eiseres en referente altijd hebben samengewoond. Verweerder heeft deze omstandigheid op zichzelf terecht niet voldoende geacht voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
6.6.
De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen dat eiseres niet heeft aangetoond dat referente financieel afhankelijk van haar is. Referente heeft immers een uitkering op grond van de Participatiewet. Ook eiseres zou zich los van referente kunnen redden. Zij heeft namelijk gedurende het grootste deel van haar verblijf in Nederland een uitkering ontvangen. Verder is niet gesteld en is ook niet gebleken dat eiseres zich in Colombia financieel niet zou kunnen redden.
6.7.
Ook kan de rechtbank het standpunt van verweerder volgen dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij en referente dusdanig afhankelijk zijn van elkaar dat referente daardoor niet zelfstandig kan functioneren, hoewel vaststaat dat referente verschillende medische klachten heeft. Voor zover eiseres hiertoe heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van exclusieve afhankelijkheid, overweegt de rechtbank dat verweerder geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van exclusieve afhankelijkheid, maar dit als een element heeft meegewogen. [14]
6.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook in de overige omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Eiseres heeft aangevoerd dat zij en referente een bijzondere emotionele band hebben. De rechtbank stelt voorop dat zij in het dossier heeft gelezen dat eiseres en referente een bijzondere voorgeschiedenis hebben en kan goed begrijpen dat zij daardoor een bijzondere emotionele band hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het dossier echter onvoldoende gebleken hoe deze bijzondere emotionele band tot uiting komt in bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij is het zo dat een bijzondere emotionele band ook op afstand kan worden voortgezet.
6.9.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft, ook gelet op alle elementen in onderlinge samenhang bezien, terecht vastgesteld dat tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en daarmee dat geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder hoefde daarom ook geen belangenafweging te maken.
Belangenafweging privéleven
7.1.
Eiseres voert aan dat verweerder de belangenafweging in het kader van het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen gemaakt. Volgens eiseres had verweerder zwaarwegend gewicht moeten toekennen aan het feit dat eiseres sinds 2012 rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat zij daardoor sterke banden heeft met Nederland.
7.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in deze beroepsgrond. Uit de belangenafweging volgt dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft meegewogen dat zij al 21 jaar in Nederland verblijft en dat zij sterke banden heeft met Nederland. Verweerder heeft de periode van acht jaar dat eiseres illegaal in Nederland verbleef niet in haar voordeel meegewogen. De rechtbank kan deze weging van de belangen volgen en ziet niet in dat verweerder zwaarwegend gewicht had moeten toekennen aan het feit dat eiseres sinds 2012 rechtmatig in Nederland verblijft.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond, gelet op hetgeen is overwogen in 6.4. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 20 juni 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.Het arrest van het Hof van 8 mei 2018, C-82/16.
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie punt 65 van het arrest K.A..
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, overweging 2.1.
7.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
8.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
9.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
10.Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
11.Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
12.Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
13.ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, overweging 9 tot en met 9.5.
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 ECLI:NL:RVS:2026:815.