ECLI:NL:RBDHA:2026:15492
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige zonder machtiging voorlopig verblijf voor Turkse ondernemer
Eiser, een Turkse staatsburger, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om als zelfstandige in Nederland te werken. Sinds 1 oktober 2022 geldt een nieuwe regeling die vereist dat Turkse onderdanen eerst een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) in Turkije aanvragen voordat zij naar Nederland kunnen komen. Eiser kwam zonder mvv naar Nederland, ging aan het werk en vroeg een verblijfsvergunning aan, die door verweerder werd afgewezen.
Eiser voerde aan dat de mvv-regeling in strijd is met verdragen tussen Turkije en de EU, het discriminatieverbod en dat het onredelijk is omdat hij zijn onderneming in Nederland zou verliezen bij vertrek naar Turkije. De rechtbank oordeelde dat de regeling een rechtmatige aanscherping is, gebaseerd op artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het Aanvullend Protocol, en dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak dit bevestigen.
De rechtbank verwierp ook het beroep op bijzondere omstandigheden en de hardheidsclausule, omdat eiser onvoldoende onderbouwing gaf. De stelling dat de regeling het discriminatieverbod schendt, werd eveneens verworpen. De rechtbank concludeerde dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen en dat eiser moet terugkeren naar Turkije. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning is terecht afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging voor voorlopig verblijf.