ECLI:NL:RBDHA:2026:15538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
12130830 RP VERZ 26-50268
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:635 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering werknemer tot betaling achterstallig loon, verlofuren, aanzeg- en transitievergoeding

De werknemer trad op 1 maart 2025 in dienst bij de werkgever voor bepaalde tijd tot 28 februari 2026 als keukenassistent met een arbeidsduur van 12 uur per week en een bruto uurloon van €14,80. Gedurende enkele maanden verrichtte hij werkzaamheden, maar ontving vrijwel geen loon, behalve een betaling van €200 op 27 mei 2025. Ondanks herhaalde verzoeken om loonbetaling bleef de werkgever in gebreke.

De werknemer vorderde via de kantonrechter betaling van achterstallig loon, niet-genoten verlofuren, vakantietoeslag, wettelijke verhoging, transitie- en aanzegvergoeding en buitengerechtelijke incassokosten. De werkgever verscheen niet in de procedure en voerde geen verweer.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer recht heeft op het gevorderde bruto loon van €9.235,20 minus €200 netto, €888 voor verlofuren, €738,82 vakantietoeslag, 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente, €277,06 transitievergoeding, €769,60 aanzegvergoeding en €892,01 aan buitengerechtelijke kosten. Tevens werd de werkgever veroordeeld in de proceskosten van €985. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, verlofuren, vakantietoeslag, aanzeg- en transitievergoeding, wettelijke verhoging, rente en proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage
MS/b
Zaaknummer 12130830 RP VERZ 26-50268
Uitspraakdatum: 2 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
de heer [werknemer] ,wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de werknemer,
gemachtigde: mr. I. Atay (toevoeging nummer 4QX7923),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: de werkgever,
niet verschenen.

1.Het procesverloop

1.1.
De werknemer heeft de kantonrechter bij verzoekschrift met producties, bij de griffie ingekomen op 3 maart 2026, verzocht de werkgever te veroordelen de in dat verzoekschrift vermelde (loon)bedragen aan de werkgever te betalen.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. De werknemer is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De werkgever is, hoewel bij brief van 12 maart 2026 en bij een op 30 april 2026 betekend exploot opgeroepen te verschijnen, zonder voorafgaand of nagekomen bericht niet verschenen. (De gemachtigde van) de werknemer heeft het verzoek kort toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De werkgever exploiteert een eethuis in [vestigingsplaats] .
2.2.
De werknemer is op 1 maart 2025 bij de werkgever in loondienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 28 februari 2026, in de functie van keukenassistent met een arbeidsduur van (minimaal) 12 uur per week tegen een loon van € 14,80 bruto per uur.
2.3.
De werknemer heeft gedurende enkele maanden de overeengekomen werkzaamheden verricht. Ondanks diverse verzoeken van de werknemer aan de werkgever om loonbetaling, heeft de werknemer geen loon ontvangen, behalve op 27 mei 2025, toen de werkgever hem per bank een bedrag van € 200,00 heeft betaald.
2.4.
Bij brief van zijn gemachtigde van 24 november 2025 heeft de werknemer bij de werkgever aanspraak gemaakt op loonbetaling. In die brief is onder meer vermeld dat de werknemer zich steeds beschikbaar heeft gehouden voor werk.
2.5.
Bij brief van zijn gemachtigde van 17 februari 2026 heeft de werknemer nogmaals om loonbetaling en om diverse vergoedingen verzocht. Bij e-mail van 23 februari 2026 is een rappel gevolgd.

3.Het verzoek

3.1.
De werknemer heeft verzocht de werkgever te veroordelen tot betaling van
bedragen ter zake van achterstallig loon, opgebouwde en niet genoten verlofuren en vakantietoeslag , wettelijke verhoging, een transitie- en aanzegvergoeding en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van de werkgever in de proceskosten.
3.2.
Aan zijn verzoek heeft de werkgever, zakelijk weergegeven, naast de hiervoor vermelde feiten, de volgende stellingen ten grondslag gelegd.
De arbeidsovereenkomst is van 1 maart 2025 tot en met 28 februari 2026 van kracht geweest. Een tussentijdse opzegging is er niet geweest en de mogelijkheid van zo’n opzegging is ook niet in de arbeidsovereenkomst opgenomen. De werknemer heeft zijn werkzaamheden na enkele maanden terecht opgeschort omdat, op de betaling van
€ 200,00 na, geen loon werd betaald. Over de gehele contractperiode vordert de werknemer dan ook het achterstallig loon.
Het bruto weekloon is (12 x € 14,80 =) € 177,60, het bruto jaarloon bedraagt dus
€ 9.235,20. Betaald is € 200,00, zodat het verschuldigde bedrag € 9.035,20 bruto bedraagt.
De werknemer heeft (naar rato) recht op 60 verlofuren die niet zijn opgenomen.
De waarde daarvan bedraagt € 888,00 bruto.
De verschuldigde vakantietoeslag bedraagt € 738,82 bruto.
Dat de werkgever (vrijwel) geen loon heeft betaald kan hem ernstig worden verweten en de arbeidsovereenkomst is op initiatief van de werknemer niet aansluitend voorgezet.
De werknemer heeft dan ook recht op een transitievergoeding van (1/3 x € 831,17
(€ 769,60 bruto per maand + € 61,57 bruto vakantietoeslag per maand x 1 jaar) =
€ 277,06 bruto.
Ook is de aanzegverplichting geschonden, zodat een vergoeding ter hoogte van een maandloon van € 769,60 bruto verschuldigd is.
De werknemer maakt aanspraak op de wettelijk verhoging ex artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en op wettelijke rente.
Verder bedragen de buitengerechtelijke kosten, overeenkomstig de betreffende staffel,
€ 892,09.

4.De beoordeling

4.1.
De werkgever is in deze procedure niet verschenen en heeft geen verweer tegen het verzoek gevoerd. Wat de werknemer heeft verzocht kan ook, afgezien van wat hierna onder 4.2. zal worden overwogen, worden gedragen door wat hij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het verzoek is dan ook grotendeels toewijsbaar.
4.2.
Aan achterstallig loon is toewijsbaar € 9.235,20 bruto, verminderd met € 200,00 netto. Aldus wordt recht gedaan aan het bruto/netto-verschil. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
4.3.
Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt de werkgever veroordeeld in de proceskosten. Die kosten worden in totaal vastgesteld op € 985,00 (€ 265,00 griffierecht, € 576,00 salaris van de gemachtigde (2 punten x tarief € 288,00 per punt), en € 144,00 nakosten). De explootkosten van € 124,52 voor de oproeping van de werkgever worden op basis van de toevoeging door de Staat aan de werknemer vergoed. Hij had een goede reden om de werkgever bij exploot het verzoekschrift toe te sturen en hem op te roepen voor de zitting, om zeker te stellen dat de werkgever van de zittingsdatum op de hoogte was; de werkgever heeft immers op geen enkele brief van de gemachtigde van de werknemer gereageerd. De vergoeding voor het salaris door de gemachtigde moet op basis van de toevoeging worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de gemachtigde toegekende vergoeding.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de werkgever aan de werknemer te betalen:
I. € 9.235,20 bruto, verminderd met € 200,00 netto, wegens achterstallig loon;
II. € 888,00 bruto, wegens opgebouwde en niet genoten verlofuren;
III. € 738,82 bruto, wegens opgebouwde en niet uitbetaalde vakantietoeslag;
IV. de wettelijke verhoging ex artikel 7:635 BW Pro ad 50% en de wettelijke rente over de onder I., II. en III. toegewezen bedragen;
V. € 277,06 bruto als transitievergoeding;
VI. € 769,60 bruto als aanzegvergoeding;
VII. € 892,01 wegens buitengerechtelijke kosten;
5.2.
veroordeelt de werkgever in de proceskosten, in totaal vastgesteld op € 985,00, waaronder € 576,00 salaris van de gemachtigde;
5.3.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen onder 5.1. en 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.