ECLI:NL:RBDHA:2026:15758

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL23.17222, NL23.17224, NL23.17226 en NL23.17228
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 18 DublinverordeningArt. 20 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechtenArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens onvoldoende vergewisplicht minister

Eisers, een gezin van Russische nationaliteit, vroegen op 2 februari 2023 asiel aan in Nederland. De minister nam hun aanvragen niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn op grond van de Dublinverordening. Eisers stelden dat overdracht aan Kroatië ernstige en onomkeerbare negatieve gevolgen zou hebben, onderbouwd met uitgebreide medische informatie over ernstige psychiatrische problematiek, met name bij eiseres 2.

De rechtbank beoordeelde de medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) en concludeerde dat deze niet volledig en onvoldoende gemotiveerd waren. De BMA had onvoldoende rekening gehouden met ernstige aspecten zoals zelfbeschadiging, hechtingsproblematiek, wantrouwen jegens autoriteiten en het verhoogde suïciderisico van eiseres 2. De minister had daardoor niet voldaan aan zijn vergewisplicht.

De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en bepaalde dat de minister binnen zes weken nieuwe besluiten moet nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van €1.868,-. De beroepen van alle gezinsleden werden gegrond verklaard vanwege het samenhangende belang en de medische situatie.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling bij Dublin-overdrachten en de noodzaak dat de minister twijfels over de gezondheidstoestand van asielzoekers volledig wegneemt voordat overdracht plaatsvindt.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten en beveelt de minister binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen rekening houdend met de medische situatie van eisers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.17222, NL23.17224, NL23.17226 en NL23.17228

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , geboren op [geboortedag] 1977, eiser 1

V-nummer: [nummer]
[naam], geboren op [geboortedag] 1976, eiseres 1
V-nummer: [nummer]
[naam], geboren op [geboortedag] 2006, eiseres 2
V-nummer: [nummer]
[naam], geboren op [geboortedag] 2003, eiser 2
V-nummer: [nummer]
allen van Russische nationaliteit,
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H. van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen niet in behandeling genomen omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Tevens hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 28 juni 2023 (NL23.17223, NL23.17225, NL23.17227 en NL23.17229) de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, de bestreden besluiten geschorst en heeft bepaald dat eisers niet mogen worden overgedragen aan Kroatië totdat op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist. De verzoeken zijn toegewezen in afwachting van de beantwoording van de door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats bij verwijzingsuitspraak van 15 juni 2022 [1] aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) gestelde prejudiciële vragen over de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel (on)deelbaar is.
1.3.
Deze vragen zijn in het arrest in de zaak X tegen Nederland op 29 februari 2024 [2] (het arrest X) door het Hof beantwoord. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op van 27 maart 2024 [3] einduitspraak gedaan in de desbetreffende zaak. Op 5 juni 2024 heeft de rechtbank aan de minister en eisers gevraagd een reactie te geven op het arrest X en de uitspraak van de rechtbank.
1.4.
De minister heeft hierop op 26 juni 2024 gereageerd.
1.5.
Eisers hebben op 28 april 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.6.
De minister heeft op 2 mei 2025 de rechtbank verzocht om aanhouding, omdat hij aanleiding ziet om een onderzoek op te starten bij het Bureau Medische Advisering (BMA).
1.7.
De rechtbank heeft dit verzoek op 6 mei 2025 toegewezen.
1.8.
Op 19 juni 2025 heeft de minister de medische adviezen van BMA met betrekking tot eisers overgelegd.
1.9.
Op 22 juli 2025 heeft de gemachtigde van eisers gereageerd op de medische adviezen van BMA.
1.10.
De minister heeft op 27 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
1.11.
Op 22 januari 2026 heeft de gemachtigde van eisers aanvullende beroepsgronden overgelegd en op 23 januari 2026 heeft de gemachtigde van eisers een nieuwe brief van de behandelaar van eisers overgelegd.
1.12.
Op 2 februari 2026 heeft de minister een verweerschrift overgelegd en op 11 februari 2026 heeft de minister aanvullende adviezen van BMA overgelegd.
1.13.
Op 24 februari 2026 heeft de gemachtigde van eisers verzocht om aanhouding van de zitting vanwege het niet beschikbaar zijn van een tolk in de Tsjetsjeense taal. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen.
1.14.
Op 26 februari 2026 heeft de gemachtigde van eisers nieuwe medische informatie overgelegd.
1.15.
Op 9 maart 2026 heeft de minister aanvullende medische adviezen van BMA overgelegd.
1.16.
Op 2 april 2026 heeft eiseres 2 nieuwe medische informatie overgelegd.
1.17.
Op 29 mei 2026 heeft de gemachtigde van eisers aanvullende beroepsgronden overgelegd.
1.18.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, L. Amarchnova, als tolk en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van de besluitvorming

2. Eisers hebben op 2 februari 2023 in Nederland asiel aangevraagd. Eiser 1 en eiseres 1 zijn met elkaar gehuwd en zijn de ouders van eiseres 2 en eiser 2.
2.1.
De minister heeft deze aanvragen in de besluiten van 12 juni 2023 (bestreden besluiten) op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eisers op 24 januari 2023 in Kroatië verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. De minister heeft daarom 28 maart 2023 de Kroatische autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Kroatische autoriteiten hebben op 11 april 2023 ingestemd met de terugname van eisers op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen niet in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het arrest C.K.
4. Eisers beroepen zich op het arrest van het Hof in de zaak C.K. tegen Slovenië van 16 februari 2017. [4] In het geval van eisers zou een overdracht aan Kroatië op grond van de Dublinverordening namelijk onomkeerbare negatieve gevolgen hebben zodat de overdracht in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers medische informatie overgelegd:
  • brieven van psycholoog I.C. Kooi (Kooi) van 16 april 2025 over eiser 1 en eiseres 1;
  • een ongedateerde brief van psycholoog Kooi en orthopedagoog M. Schendelaar over eiseres 2;
  • een brief van psychiater R.M. Coutinho van 23 april 2025 over eiser 2;
  • een brief van psycholoog Kooi van 8 juli 2025 over eiser 1;
  • brieven van psycholoog Kooi van 24 juli 2025 over eiseres 1, eiseres 2 en eiser 2;
  • een brief van psycholoog Kooi van 23 januari 2026 over eisers;
  • een brief van psycholoog Kooi van 2 februari 2026 over eiser 1;
  • brieven van psycholoog Kooi van 26 februari 2026 over eiseres 1, eiseres 2 en eiser 2;
  • een behandelplan van eiseres 2 van 5 maart 2026;
  • een brief van F. Locadia en M. Stolk, de behandelaren van eiseres 2, van 3 maart 2026; en
  • onderzoeksbevindingen van het HOME-team van 5 maart 2026 over eiseres 2.
Eisers betogen dat uit deze medische informatie volgt dat bij alle gezinsleden sprake is van ernstige en complexe psychiatrische problematiek. Verder wordt meer specifiek ingegaan op de psychische gesteldheid van eiseres 2. Uit de medische informatie volgt volgens hen het volgende. Zij loopt bij overdracht naar Kroatië een verhoogd risico op paniekaanvallen met ademhalingsproblemen en de overdracht een grote impact zal hebben op haar behandeling, nu vertrouwensrelaties opbouwen voor haar maanden duurt. Ook wijzen eisers op het wantrouwen van eiseres 2 jegens autoriteiten. Bij eiseres 2 worden intense herbelevingen en dissociatieve reacties, suïcidale uitingen die direct samenhangen met angst voor de toekomst en een grote afhankelijkheid van de huidige therapeutische context en stabiliteit geobserveerd. Bij overdracht is er een risico op hertraumatisering. Ook is suïcidaliteit bij eiseres 2 latent aanwezig en direct gekoppeld aan de dreiging van de uitzetting. De door BMA geadviseerde medische begeleiding tijdens het transport biedt geen oplossing voor de psychische ontregeling. Ook is een onderbreking van de huidige vertrouwensrelatie en behandelcontext op dit moment contra-geïndiceerd. Eiseres 2 heeft meerdere keren per week passieve suïcidale gedachten zonder concreet plan. De combinatie van haar jonge leeftijd, beperkte ervaren controle over de toekomst, dreigende afwijzing van de verblijfsaanvraag en gevoelens van hopeloosheid vormen een duidelijke risicofactor voor suïcidaal gedrag. Tevens is er sprake van zelfbeschadiging. Gedwongen terugkeer naar Kroatië vormt een ernstige en voortdurende stressor en leidt tot verergering van haar psychische klachten. Deze situatie verhoogt het risico op (verdere) decompensatie en suïcidaliteit. Spoedige traumagerichte behandeling, suïcidepreventie en psychiatrische beoordeling zijn geïndiceerd. Volgens eisers is onvoldoende rekening gehouden met de door hen overgelegde medische stukken door de minister in de (aanvullende) BMA-adviezen. Eisers stellen zich op het standpunt dat de door de minister opgestelde reisvoorwaarden onvoldoende waarborg bieden.
5. De minister heeft op 19 juni 2025 BMA-adviezen overgelegd. Daarna heeft de minister naar aanleiding van nieuw ingebrachte medische informatie aan BMA gevraagd om een reactie hierop. Vervolgens heeft BMA op 11 februari 2026 en op 9 maart 2026 aanvullende adviezen uitgebracht.
Ten aanzien van eiseres 2
6. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eisers overgelegde medische stukken van de medische situatie van eiseres 2 meer beperkingen en aandoeningen naar voren komen dan waarvan het BMA is uitgegaan. Daarbij is van belang dat uit de BMA-adviezen niet kenbaar volgt dat bij de medische beoordeling is betrokken dat er bij eiseres 2 sprake is van zelfbeschadiging, hechtingsproblematiek en wantrouwen wegens autoriteiten en behandelaars. Daar komt bij dat in het BMA-advies van 21 mei 2025 weliswaar wordt gesproken over paniekaanvallen, maar in de brief van GZ-psycholoog Kooi van 24 juli 2025 wordt gesproken over paniekaanvallen met ademhalingsproblemen die tot acute medische situaties kunnen leiden. Uit de latere BMA-adviezen volgt niet kenbaar dat deze ernst van de paniekaanvallen bij de beoordeling is betrokken en in hoeverre deze al dan niet van invloed is bij de beantwoording vragen of eiseres 2 kan reizen en zo ja wat de invloed hiervan is op de gestelde reisvoorwaarden. De inhoud van de latere BMA-adviezen is eigenlijk niet meer dan de conclusie dat de nagekomen informatie geen nieuwe inzichten geeft in de nieuwe informatie. Nog los van de omstandigheid dat deze wijze van advisering niet inzichtelijk is, is deze conclusie gelet op de inhoud van de brieven van GZ-psycholoog Kooi van 23 juli 2025, 23 januari 2026 en 26 februari 2026 zonder nadere motivering niet te volgen. Ook kan daardoor niet worden beoordeeld of deze conclusie op de redenering van het BMA aansluit. Ook ziet de rechtbank de urgentie van de suïcidaliteit van eiseres 2, zoals die wordt beschreven door zowel GZ-psycholoog Kooi als GZ-psycholoog M. Stolk, niet kenbaar terug in de (aanvullende) adviezen van het BMA. Daardoor is onduidelijk of deze ernst door het BMA is onderkend en zo ja, hoe het BMA desondanks tot de conclusies komt. Ook dit is niet inzichtelijk. Daarbij merkt de rechtbank op dat onder andere het Suïcide Preventie Traject bij SUMONA Indigo Preventie dat is geïndiceerd door GZ-psycholoog M. Stolk in de brief van 3 maart 2026 niet is opgenomen in de BMA-adviezen, waardoor het voor de rechtbank niet inzichtelijk is of de informatie in deze brief is meegenomen in het oordeel van de BMA-arts. Bovendien heeft GZ-psycholoog Kooi in een brief van 23 januari 2026 gesteld dat medische begeleiding tijdens het transport geen oplossing biedt voor de psychische ontregeling. Volgens GZ-psycholoog Kooi kan begeleiding tijdens de reis de interne psychische beleving van onveiligheid en de daaropvolgende decompensatie niet voorkomen. Daar komt bij dat bij eiseres 2 sprake is van een wantrouwen naar (nieuwe) behandelaars. De gedwongen verplaatsing brengt volgens GZ-psycholoog Kooi daarom een onaanvaardbaar hoog risico met zich mee op ernstige psychische schade, decompensatie en suïcidaal gedrag. De minister heeft ter zitting erkend dat uit het BMA-advies niet inzichtelijk volgt waarom de gestelde begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige desondanks voldoende is.
7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de BMA-adviezen niet volledig zijn. Bovendien is de redenering van het BMA in de adviezen niet te volgen omdat deze niet inzichtelijk is en is ook onduidelijk in hoeverre de getrokken conclusies op deze redenering aansluiten. De BMA-adviezen voldoen hiermee niet aan de daaraan te stellen eisen. [5] Dit betekent dat de minister niet heeft voldaan aan de vergewisplicht en niet mag afgaan op deze BMA-adviezen.
8. De minister heeft ter zitting gevraagd om een nadere termijn om de vragen rondom de (aanvullende) BMA-adviezen aan BMA voor te leggen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de minister deze gelegenheid te bieden. De rechtbank geeft hiervoor de volgende uitleg.
9. Deze beroepen lopen al bijna drie jaar. Het beroep op het arrest C.K. is al op 28 april 2025 gedaan. Vanaf dat moment zijn er meermaals medische stukken ingediend en heeft de minister meermaals BMA om aanvullende adviezen gevraagd. Laatstelijk op 2 april 2026 zijn medische stukken ingediend. De minister heeft hierin geen aanleiding gezien om BMA om nader advies te vragen noch heeft de minister eerder BMA gevraagd om in te gaan op de hiervoor genoemde punten terwijl de minister daar ruimschoots de gelegenheid voor heeft gehad. Daar staat tegenover dat uit de medische stukken blijkt dat eiseres 2 behoefte heeft aan duidelijkheid en perspectief omdat de medische problematiek wordt veroorzaakt door de dreigende overdracht naar Kroatië. [6]
10. Daarnaast acht de rechtbank van zwaarwegend belang dat uit de door eisers overgelegde medische informatie over eiseres 2 een wezenlijk ander beeld naar voren komt dan waarvan het BMA is uitgegaan. Zo heeft GZ-psycholoog Kooi meermaals inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd dat eiseres 2 afhankelijk is van de huidige behandelsetting en een gedwongen wijziging van de huidige (behandel)omstandigheden zal leiden tot een acute psychiatrische crisis. Deze afhankelijkheid volgt ook uit de omstandigheid dat wisseling van een eerdere behandelaar van eiseres 2 heeft geleid tot maandenlange vertraging in de behandeling en verslechtering van haar gezondheidssituatie. Bovendien leidt het doorbreken van de huidige (behandel)omstandigheden tot een verhoging van het suïciderisico. [7] Daarnaast rapporteren de GZ-psycholoog M. Stolk en de regiebehandelaar van het HOME-team dat de dreiging van gedwongen terugkeer naar Kroatië een ernstige en voortdurende stressor vormt en tot een duidelijk verergering van haar psychische klachten leidt. De situatie verhoogt het risico op (verdere) decompensatie en suïcidaliteit. Daarom indiceren zij onder andere spoedige suïcidepreventie. [8] Deze afhankelijkheid, het belang van de huidige behandelomstandigheden en de ernst van het suïciderisico, komen in het geheel niet kenbaar terug in de BMA-adviezen. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het eerder genoemde wezenlijk ander beeld dan waarvan het BMA is uitgegaan. De rechtbank is bovendien van oordeel dat eiseres 2 met alle overgelegde medische informatie en wat hiervoor is vermeld voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde reisvoorwaarden door BMA de gerezen twijfel over de aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres 2 als gevolg van de overdracht niet wegnemen. Dit betekent dat de minister er niet in is geslaagd om iedere twijfel over de weerslag van de overdracht aan Kroatië op de gezondheidstoestand van eiseres 2 weg te nemen. [9] De beroepsgrond slaagt.
11. Dit betekent dat het beroep van eiseres 2 gegrond is.
Ten aanzien van eiser 1, eiseres 1 en eiser 2
12. Omdat eisers een gezin vormen ziet de rechtbank aanleiding om ook de beroepen van eiser 1, eiser 2 en eiseres 1 gegrond te verklaren, zoals ook ter zitting met partijen is besproken.
13. Omdat de beroepen gegrond zijn, behoeven de overige gronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

14. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
16. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1), waarbij de beroepen als samenhangende zaken worden aangemerkt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 12 juni 2023;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.ECLI:EU:C:2024:195.
4.ECLI:EU:C:2017:127.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566, r.o 3.3.
6.Zie de brief van 3 maart 2026 van GZ-psycholoog M. Stolk en ‘onderzoek HOME-team’ van 5 maart 2026.
7.Zie de brief van 24 juli 2025 van GZ-psycholoog I.C. Kooi en de brief van 26 februari 2026 van GZ-psycholoog I.C. Kooi
8.Zie de brief van 3 maart 2026 van GZ-psycholoog M. Stolk en ‘onderzoek HOME-team’ van 5 maart 2026.
9.Vergelijk voor dit criterium de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297, r.o 3.7.