Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
Staatssecretaris van Defensie, verweerder
Inleiding
Totstandkoming van het bestreden besluit
Beoordeling door de rechtbank
“alles financieel zoveel mogelijk gelijk te maken voor burgers en militairen”wat eveneens aanleiding gaf om aan burgers dezelfde bindingspremie en toelage toe te kennen omdat ze hetzelfde werk doen. Zodra de bindingspremie zou komen te vervallen, zou dat dan ook voor beide groepen gelden. In een andere mail van 10 januari 2024 geeft majoor [naam 2] aan dat een verschil in beloning – zoals door eiseres aan haar meegedeeld –
“inderdaad nooit de bedoeling [is] geweest van de regeling”. Hoewel verweerder daarbij het positieve advies van luitenant-kolonel [naam 3] bij het rekest niet heeft overgenomen, erkent verweerder ter zitting wel dat uit de mails te lezen valt dat eiseres bij aanstelling in salaris gelijkgesteld zou worden. Verweerder heeft daarbij niet betwist dat de toezegging afkomstig is van een daartoe bevoegd persoon of aangegeven dat er andere belangen zijn die zwaarder wegen en aan uitvoering van de toezegging in de weg staan. Voor zover verweerder ter zitting het (primaire) standpunt heeft ingenomen dat er van een toezegging geen sprake is geweest, wordt hij daarin dan ook niet gevolgd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 mei 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
P.J.J.Schaap, griffier.