Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15905

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.4543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen proceskostenveroordeling in beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van eiser tegen de proceskostenveroordeling in een zaak over het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag van 6 juli 2024. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard wegens overschrijding van de beslistermijn, maar een zeer lichte wegingsfactor (0,25) toegepast voor de proceskostenvergoeding.

Eiser stelde dat deze wegingsfactor te laag was en verwees naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een factor van 0,5 wordt gehanteerd bij beroepen tegen niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde argumenten twijfel opriepen over de juiste uitkomst en verklaarde het verzet gegrond, waardoor de eerdere uitspraak over de proceskosten verviel.

De rechtbank herzag de proceskostenvergoeding en stelde deze vast op € 233,50 voor de beroepsprocedure (wegingsfactor 0,25) en € 467,- voor de verzetsprocedure (wegingsfactor 1). De minister werd veroordeeld tot betaling van deze kosten aan eiser. De overige onderdelen van de uitspraak van 24 februari 2026 bleven ongewijzigd.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk voor zover het verzet betreft, maar wel voor het onderdeel van het beroep. De procedure benadrukt het belang van een correcte waardering van proceskosten in bestuursrechtelijke procedures over vreemdelingenrecht.

Uitkomst: Het verzet tegen de proceskostenveroordeling wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van verhoogde proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4543

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Kaikai),

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 24 februari 2026, waarin de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet wordt in deze uitspraak gegrond verklaard. Daarom beslist de rechtbank ook over het beroep.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van de minister aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 24 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is om in de onderhavige procedure de proceskostenvergoeding met de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) te berekenen in plaats van de factor 0,5 (licht) te gebruiken. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de overige beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant richtte zich tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 6 juli 2024. Opposant heeft de minister op 3 juni 2025 in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Toen na ommekomst van deze termijn een besluit uitbleef, heeft hij beroep ingesteld.
De uitspraak van 24 februari 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn was verstreken.
Gronden verzet
6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft besloten als wegingsfactor voor de proceskosten 0,25 (zeer licht) te hanteren. Volgens opposant had de rechtbank ten minste een wegingsfactor van 0,5 (licht) moeten toepassen.
7. Opposant verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 3 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1253). Hieruit volgt dat in beginsel een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling overweegt expliciet dat geen aanleiding bestaat om in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor te hanteren en dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Niet wordt ingezien waarom dat in de onderhavige zaak anders zou moeten zijn.
8. Opposant is het ook niet eens met de stelling dat de omvang van de werkzaamheden bij een (opvolgend) beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit beperkter zou zijn. Ook in dergelijke zaken dienen onder meer gronden te worden opgesteld, termijnen te worden gecontroleerd, een CIV-formulier te worden ingevuld en contact met de cliënt te worden onderhouden. Een wegingsfactor van 0,25 doet geen recht aan deze werkzaamheden. Daarnaast geldt dat ook bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit voor de vreemdeling het enige rechtsmiddel blijft om besluitvorming af te dwingen. Het belang van de procedure kan daarom niet als zeer beperkt worden aangemerkt. Juist nu bij een opvolgend beroep sprake is van een bestuursorgaan dat zich niet aan een rechterlijke uitspraak heeft gehouden is dit van zeer zwaarwegend belang.
9.  Opposant wijst erop dat in vergelijkbare zaken door rechtbanken wel een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast. Ter onderbouwing zijn twee uitspraken overgelegd, waarin deze wegingsfactor is gehanteerd.
10. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 toegepast. Opposant verzoekt het verzet gegrond te verklaren, de bestreden uitspraak te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten en de minister alsnog te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Daarbij verzoekt opposant om toepassing van wegingsfactor 1, nu in het kader van dit verzet opnieuw proceshandelingen moesten worden verricht.
Overweging rechtbank over de verzetsgronden
11. De rechtbank stelt voorop, zoals in rechtsoverweging 2 uiteengezet, dat verzet ziet op de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Het verzet kan zich ook richten tegen nevenuitspraken, zoals de proceskostenveroordeling. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan dient de rechter het verzet gegrond te verklaren, zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. [2]
12. De rechtbank is van oordeel dat de aangevoerde argumenten over de wegingsfactor maken dat er twijfel is ontstaan over de vraag of de uitkomst van de procedure, zoals die nu in verzet wordt bestreden, buiten redelijke twijfel was. Het verzet is daarom in zoverre gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
13. De minister moet de door de opposant gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

14. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [3] Opposant zal hierna worden aangeduid als eiser.
15. Nu het verzet ziet op de proceskostenveroordeling, overweegt de rechtbank dat dit onderdeel een nevendictum betreft dat zelfstandig kan worden beoordeeld en, indien nodig, kan worden herzien zonder dat de gehele uitspraak haar geldigheid verliest. Nu het verzet gegrond is op dit onderdeel beperkt de beoordeling in beroep zich tot de proceskostenveroordeling, zoals vastgelegd in het dictum van de uitspraak van 26 februari 2026, die voor het overige in stand is gebleven. De rechtbank moet op dit onderdeel opnieuw beslissen. [4]
16. De minister moet de door de eiser gemaakte proceskosten in verband met de beroepsprocedure vergoeden. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2025. [5] Daarin is geoordeeld dat de werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen aanzienlijk beperkter zijn dan bij een dergelijk eerste beroep. Bij een eerste beroep moet de gemachtigde onder meer onderzoeken of er sprake is van termijnoverschrijding, welke beslistermijn geldt, of deze termijn is verlengd of opgeschort en of een ingebrekestelling is verzonden. [6] Bij een opvolgend beroep liggen deze aspecten doorgaans reeds vast in het dossier en in een eerdere rechterlijke uitspraak. In die uitspraak is reeds vastgesteld dat niet tijdig is beslist en is een beslistermijn opgelegd. In dat geval beperkt de beoordeling zich in de hoofdzaak tot de vraag of de door de rechtbank opgelegde termijn is overschreden, waarna een nieuw beroepschrift wordt ingediend. Gelet op de beperkte omvang van de verrichte werkzaamheden ziet de rechtbank aanleiding de proceskostenvergoeding te matigen met de factor 0,25 en vast te stellen op € 233,50,-.
17. Het beroep is gegrond. De minister moet ook de door de eiser gemaakte proceskosten in verband met de beroepsprocedure vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gericht tegen de proceskostenveroordeling gegrond;
  • verklaart dat de uitspraak van 26 februari 2026 ten aanzien van de proceskostenveroordeling vervalt;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 233,50,- aan proceskosten aan eiser voor de procedure in beroep;
  • veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 467,- voor de proceskosten in verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vgl. de uitspraak van de ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1278, r.o. 4.
3.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
4.Artikel 8:75, van de Awb maakt dat mogelijk.
5.Rb 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665.
6.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ABRvS 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673 (r.o. 8).