Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van eiser tegen de proceskostenveroordeling in een zaak over het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag van 6 juli 2024. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard wegens overschrijding van de beslistermijn, maar een zeer lichte wegingsfactor (0,25) toegepast voor de proceskostenvergoeding.
Eiser stelde dat deze wegingsfactor te laag was en verwees naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin een factor van 0,5 wordt gehanteerd bij beroepen tegen niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde argumenten twijfel opriepen over de juiste uitkomst en verklaarde het verzet gegrond, waardoor de eerdere uitspraak over de proceskosten verviel.
De rechtbank herzag de proceskostenvergoeding en stelde deze vast op € 233,50 voor de beroepsprocedure (wegingsfactor 0,25) en € 467,- voor de verzetsprocedure (wegingsfactor 1). De minister werd veroordeeld tot betaling van deze kosten aan eiser. De overige onderdelen van de uitspraak van 24 februari 2026 bleven ongewijzigd.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk voor zover het verzet betreft, maar wel voor het onderdeel van het beroep. De procedure benadrukt het belang van een correcte waardering van proceskosten in bestuursrechtelijke procedures over vreemdelingenrecht.