Deze uitspraak betreft het verzet van eiser tegen de proceskostenvergoeding die de rechtbank eerder had vastgesteld in een procedure over het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag. De rechtbank had aanvankelijk een zeer lichte wegingsfactor van 0,25 toegepast, terwijl eiser betoogde dat een lichte factor van 0,5 passend was.
De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat de lagere wegingsfactor onvoldoende recht doet aan de omvang en het belang van de procedure. De rechtbank vernietigt het eerdere oordeel over de proceskosten en hervat het onderzoek. Vervolgens beslist de rechtbank ook over het beroep, waarbij zij de proceskostenvergoeding matigt tot € 233,50 voor het beroep en veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten voor de verzetsprocedure.
De rechtbank benadrukt dat bij opvolgende beroepen wegens niet tijdig beslissen de werkzaamheden beperkter zijn dan bij een eerste beroep, maar dat dit niet betekent dat een zeer lage wegingsfactor passend is. De uitspraak is gedaan door rechter F. Sijens en griffier A.W. Landman en is openbaar bekendgemaakt op 12 juni 2026.