ECLI:NL:RBDHA:2026:15915

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32197
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding toegekend wegens te late wijziging wettelijke grondslag bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 9 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De maatregel werd op 21 mei 2026 opgeheven.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Hoewel eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij zijn uitzetting, concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende inspanningen had verricht, waaronder meerdere rappelleringen bij de Marokkaanse autoriteiten en een vertrekgesprek.

Echter, na indiening van een asielaanvraag door eiser op 18 mei 2026, diende de wettelijke grondslag van de bewaring te worden gewijzigd van artikel 59 naar Pro artikel 59b van de Vreemdelingenwet. Verweerder wijzigde deze grondslag pas op 21 mei 2026, een dag te laat. Dit leidde tot een onrechtmatige voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel voor drie dagen.

De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe van €360 voor deze periode en veroordeelde de Staat tevens tot betaling van de proceskosten van €934. Het beroep werd gegrond verklaard en een rechtsmiddel is niet mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe wegens te late wijziging van de wettelijke grondslag van de bewaring na asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.32197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 21 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 11 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in het kader van zijn uitzetting. Uit het dossier blijkt dat slechts eenmaal een vertrekgesprek is gevoerd, te weten in april. Daarnaast blijkt niet dat verweerder op dossierniveau heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 23 april 2026, 15 mei 2026 en 4 juni 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om op dossierniveau te rappelleren. Daarnaast heeft op 15 april 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Hiermee heeft verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
5. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 18 mei 2026 een asielaanvraag ingediend. Vanaf dat moment kon de maatregel van bewaring niet langer worden gebaseerd op artikel 59, eerste lid, van de Vw, maar diende deze te berusten op artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Uit jurisprudentie van de Afdeling [2] volgt dat verweerder in een dergelijk geval een termijn van twee dagen heeft om de wettelijke grondslag van de maatregel te wijzigen. [3] Verweerder had de grondslag daarom uiterlijk op 20 mei 2026 moeten wijzigen. Vaststaat dat verweerder dit eerst op 21 mei 2026 heeft gedaan. Het beroep is gegrond.
6. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Eiser heeft wel recht op schadevergoeding op grond van artikel 106, eerste lid, van de Vw. De rechtbank kent aan eiser een vergoeding toe voor drie dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 360 over de periode van 18 mei 2026 tot en met 21 mei 2026. Voor deze periode sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025. [4]
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 360, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie onder meer de uitspraken van 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082, en 1 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1386.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:6279.