AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling verhoorder NDF voor foltering, marteling en seksueel geweld in Syrië
De rechtbank Den Haag heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die in 2013-2014 als verhoorder van de National Defence Forces (NDF) in Salamiyah, Syrië, betrokken was bij ernstige misdrijven tegen de menselijkheid. De verdachte werd schuldig bevonden aan foltering, marteling, verkrachting en andere vormen van seksueel geweld jegens meerdere slachtoffers, gepleegd in detentiecentra van de NDF.
De rechtbank stelde vast dat de NDF onderdeel was van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de Syrische burgerbevolking, uitgevoerd in opdracht van het regime van president Bashar al-Assad. De verdachte wist van deze aanval en handelde als functionaris van de Syrische overheid. Diverse getuigenverklaringen, forensisch bewijs en documenten ondersteunden de bewezenverklaringen.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaar, met aftrek van voorarrest. De rechtbank wees de vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers af wegens functionele immuniteit van jurisdictie, waardoor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om civiele claims tegen de verdachte te behandelen. De rechtbank oordeelde dat deze immuniteit ook geldt ongeacht de ernst van de misdrijven, conform internationaal gewoonterecht en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 26 jaar gevangenisstraf voor foltering, marteling, verkrachting en seksueel geweld; civiele vorderingen afgewezen wegens functionele immuniteit.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 71/013355-23, 71/187276-25 (t.t.z. gev.) en 71/118734-25 (t.t.z. gev.)
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in het ‘ [instelling] ’ te [plaats] .
Kern van het vonnisDe rechtbank stelt vast dat de verdachte in 2013 en 2014 tijdens de Syrische opstand tegen het regime van president Bashar al-Assad in en rond de stad Salamiyah verhoorder van de National Defence Forces(NDF) was, een paramilitaire organisatie van het regime. De NDF sloeg protesten tegen het regime met geweld neer en arresteerde tegenstanders en demonstranten. De NDF had eigen detentiecentra waar arrestanten werden verhoord en maakte zich jegens hen schuldig aan ernstige misdrijven. De rechtbank stelt vast dat vanaf april 2011 sprake was van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de Syrische burgerbevolking, ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat, waarvan de verdachte als verhoorder van de NDF moet hebben geweten. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarin hij vals wordt beschuldigd, niet aannemelijk.
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich in zijn rol als verhoorder van de NDF in drie detentiecentra in en rond de stad Salamiyah als medepleger of alleen heeft schuldig gemaakt aan:
1. foltering en marteling als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ; 2. verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 6] .; 3. seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] .
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van:
1. foltering, marteling als misdrijf tegen de menselijkheid en seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 9] . De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 9] . heeft verhoord en dus evenmin dat hij de tenlastegelegde misdrijven heeft gepleegd; 2. seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] .
Het is voor het eerst dat iemand in Nederland terechtstaat voor ‘enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst’ als misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g van de Wet internationale misdrijven (Wim). De rechtbank heeft daarom in het vonnis een juridisch kader opgenomen waaraan een verdenking, gelet op internationale jurisprudentie en literatuur, kan worden getoetst. Zij komt in het geval van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] tot een vrijspraak. De rechtbank oordeelt dat in het geval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wel sprake is van seksueel geweld, maar dat dit geweld niet de juridische drempel ‘van vergelijkbare ernst’ als bedoeld in artikel 4 WimPro haalt. De rechtbank komt in het geval van [slachtoffer 8] tot de conclusie dat het gebeurde geen seksueel geweld oplevert.
In het geval van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] . komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring, omdat naar haar oordeel sprake is van seksueel geweld, en ook de juridische drempel ‘van vergelijkbare ernst’ wordt gehaald.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren op, met aftrek van voorarrest. Bij de strafmaat spelen de aard en uitzonderlijke ernst van de 19 bewezenverklaarde, internationale misdrijven en het leed van de slachtoffers een grote rol. De verdachte heeft de slachtoffers tijdens de zittingsdagen vele malen beledigd, zwartgemaakt en zich laatdunkend uitgelaten over hen, hun familie en hetgeen zij hebben verklaard. Hiermee heeft de verdachte wéér pijn veroorzaakt bij de slachtoffers. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Alle slachtoffers hebben zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces gevoegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de feiten waarop de vorderingen zijn gebaseerd, was aan te merken als een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde NDF. Hij heeft zijn handelingen verricht in de uitoefening van die publieke functie. Daardoor komt hem, voor zover het gaat om de civiele schade, naar internationaal gewoonterecht een beroep op ‘functionele immuniteit van jurisdictie’ toe. Dat betekent dat de rechtbank op dit punt geen rechtsmacht heeft. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding.
Inhoudsopgave
1. Het onderzoek ter terechtzitting 3
2. De tenlastelegging 4
3. Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank 4
4. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 4
4.1. Het standpunt van de verdediging 4
4.2. Het standpunt van de officier van justitie 5
4.3. Het oordeel van de rechtbank 5
5. Juridische kaders 5
5.1. Misdrijven tegen de menselijkheid 5
5.1.1 Marteling 6
5.1.2. Verkrachting 8
5.1.3. Enige andere vorm van seksueel geweld 9
5.2. Foltering 11
6. De beoordeling van de tenlasteleggingen 12
6.1. Het standpunt van de officier van justitie 12
6.2. Het standpunt van de verdediging 13
6.3. Het oordeel van de rechtbank 13
6.3.1. Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies met betrekking tot de situatie in Syrië in aanloop naar en in de tenlastegelegde periode 13
6.3.2. Dagvaarding I – [slachtoffer 1] (feiten 1 tot en met 3) 19
6.3.3. Dagvaarding I – [slachtoffer 2] (feiten 4 tot en met 6) 25
6.3.4. Dagvaarding I – [slachtoffer 3] (feiten 7 tot en met 9) 31
6.3.5. Dagvaarding I – [slachtoffer 7] (feiten 18 en 19) 36
6.3.6. Dagvaarding II – [slachtoffer 8] 40
6.3.7. Dagvaarding I – [slachtoffer 4] (feiten 10 en 11) 46
6.3.8. Dagvaarding I – [slachtoffer 5] (feiten 12 en 13) 50
6.3.9. Dagvaarding I – [slachtoffer 6] . (feiten 14 tot en met 17) 53
6.3.10. Dagvaarding III – [slachtoffer 9] . 59
6.4. De bewezenverklaring 60
7. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 71
8. De strafbaarheid van de verdachte 72
9. De strafoplegging 72
9.1. De vordering van de officier van justitie 72
9.2. Het standpunt van de verdediging 72
9.3. Het oordeel van de rechtbank 72
10. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen 75
11. De toepasselijke wetsartikelen 79
Bijlage I - tenlasteleggingen 83
Bijlage II – bewijsmiddelenoverzicht 101
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 maart 2024, 20 maart 2024, 18 juni 2024, 10 september 2024, 2 december 2024, 17 februari 2025, 15 april 2025, 14 juli 2025, 6 oktober 2025, 10 december 2025, 11 februari 2026 (pro forma) en de terechtzitting van 8 april 2026, 9 april 2026, 13 april 2026, 14 april 2026, 21 april 2026, 22 april 2026, 23 april 2026, 12 mei 2026, 26 mei 2026 en 9 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M. Blom en mr. A.J. van Dooren (hierna tezamen: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. A.M. Seebregts en mr. M.C. Levy naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de drie dagvaardingen, die zijn gewijzigd op de terechtzitting van 8 april 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Dagvaarding I heeft parketnummer 71/013355-23. Dagvaarding II heeft parketnummer 71/187276-25. Dagvaarding III heeft parketnummer 71/118734-25.
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de foltering en marteling als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] ., [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , en [slachtoffer 9] ; seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] ., [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] .; en verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 6] .
3.Rechtsmacht en bevoegdheid van de rechtbank
De verdachte wordt verweten dat hij in 2013 en 2014 betrokken is geweest bij foltering (meermalen) en misdrijven tegen de menselijkheid. Deze feiten zijn strafbaar gesteld in de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim). De verdachte is in 2021 in Nederland aangekomen en verblijft hier sindsdien.
Artikel 2 lid 1 onderPro a Wim bepaalt dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de in de Wim omschreven misdrijven, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt.
Nu de verdachte zich ten tijde van de aanhouding in Nederland bevond, stoelt de rechtsmacht in deze zaak op de hiervoor genoemde bepaling. Er is daarmee sprake van toepassing van (secundaire) universele rechtsmacht.
De rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 WimPro exclusief bevoegd kennis te nemen van de tenlastegelegde misdrijven.
4.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
4.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) niet-ontvankelijk is in de vervolging van de feiten aangaande [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 9] ., omdat – kort gezegd – het dossier belangrijke aanwijzingen bevat dat de verdachte gedurende zijn detentie bij de National Defence Forces(hierna: NDF) vanwege het seksueel misbruiken van gedetineerde vrouwen bij de NDF in Salamiyah , ernstig is gemarteld. Niet-ontvankelijkheid van het OM kan volgens de Hoge Raad in zeer uitzonderlijke gevallen volgen bij onrechtmatig handelen dat buiten het bereik ligt van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv). De verdediging noemt hierbij onder meer het onrechtmatig handelen jegens een verdachte onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten. Het langdurig en ernstig martelen van de verdachte door de NDF betreft een zeer ernstige schending van artikel 3 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), en levert een dergelijk uitzonderlijk geval op. Door de marteling van de verdachte door de NDF is zonder meer tekortgedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM wel ontvankelijk is in de vervolging van de feiten aangaande [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 9] ., omdat het handelen van de NDF jegens de verdachte geen enkele invloed heeft gehad op (het onderzoek in) onderhavige zaak en uit het dossier niet blijkt dat de martelingen van de verdachte rechtstreeks verband houden met de nu tenlastegelegde feiten die zien op [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 9] . Er dient dan ook geen rechtsgevolg verbonden te worden aan de door de verdachte ondergane martelingen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere (buitenlandse) functionaris of persoon dan een (Nederlandse) opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak ligt als algemene overkoepelende maatstaf besloten dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (ECLI:NL:HR:2020:1889).
Op grond van het dossier is het aannemelijk dat de verdachte in februari 2014 door de NDF is aangehouden, gedetineerd en gemarteld. Zodoende lijkt sprake van onrechtmatig handelen jegens hem door de NDF. Echter, anders dan gesteld, bevinden zich in het dossier geen aanknopingspunten op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat genoemd handelen iets te maken had met de tenlastegelegde seksuele handelingen jegens [slachtoffer 9] . en [slachtoffer 6] ., laat staan dat de marteling van de verdachte door de NDF van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek daarnaar.
Het OM is ontvankelijk in de vervolging van de feiten aangaande [slachtoffer 9] . en [slachtoffer 6] .
5.Juridische kaders
In deze zaak zijn diverse juridische vraagstukken van internationale aard aan de orde. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis bespreekt de rechtbank in dit hoofdstuk alle relevante juridische kaders. Op de daarvoor bestemde plaatsen zal de rechtbank bij de beoordeling van de feiten, indien nodig, terugverwijzen naar deze kaders.
5.1.
Misdrijven tegen de menselijkheid
De tenlastelegging is onder meer toegesneden op de misdrijven tegen de menselijkheid marteling (dagvaarding I: feiten 2, 5, 8, 11, 13, 15, 19; dagvaarding II: feit 2, dagvaarding III: feit 2), verkrachting (dagvaarding I: feit 17) en enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (dagvaarding I: feiten 3, 6, 9, 16; dagvaarding II: feit 3, dagvaarding III: feit 3). Hieronder volgt een uiteenzetting van de bestanddelen.
Artikel 4 lid 1 WimPro luidt – voor zover relevant in de onderhavige zaak – als volgt:
‘Als schuldig aan een misdrijf tegen de menselijkheid wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie, hij die een van de volgende handelingen begaat, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval: (…)
f. marteling;
g. verkrachting, (…) of enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;’
Voorts wordt in artikel 4 lid 2 onderPro a Wim uitgelegd wat wordt verstaan onder ‘aanval gericht tegen een burgerbevolking’, te weten ‘een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft’.
De in artikel 4 lid 2 WimPro gehanteerde definitie is overgenomen van artikel 7 lid 2 onderPro c, van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut van Rome).
Voor de invulling van de (contextuele) bestanddelen behorend bij misdrijven tegen de menselijkheid (zie hierna), heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het toepasselijke internationaal recht.
Contextuele bestanddelen van misdrijven tegen de menselijkheid
Uit jurisprudentie van het Internationaal Strafhof (hierna: ICC), gebaseerd op het Statuut van Rome en de voor de interpretatie en toepassing daarvan vastgestelde Elements of Crimes, komt naar voren dat aan de volgende contextuele bestanddelen moet worden voldaan wil een strafbare gedraging als misdrijf tegen de menselijkheid kunnen worden gekwalificeerd:
i. er vond een aanval plaats die gericht was tegen de burgerbevolking;
ii. ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een staat of organisatie;
iii. de aanval was wijdverbreid of stelselmatig van aard;
iv. er bestond een nauw verband ( nexus) tussen de handeling(en) van de verdachte en de
aanval; en
v. de verdachte wist dat zijn handeling(en) onderdeel uitmaakte(n) van een wijdverbreide of
stelselmatige aanval.
Deze eisen vormen het kader waarbinnen het handelen van de verdachte dient te worden beoordeeld.
5.1.1
Marteling
In artikel 4 lid 1 onderPro f Wim is de strafbaarstelling van marteling als misdrijf tegen de menselijkheid opgenomen. In artikel 1 lid 1 onderPro d Wim wordt marteling als volgt gedefinieerd:
“marteling: het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of samenhangt met rechtmatige sancties.”
Wat marteling onderscheidt van vergelijkbare internationale misdrijven, zoals wrede of onmenselijke behandeling, is de mate van ernst van het veroorzaakte leed. Hoewel het ernst-criterium niet nader wordt gedefinieerd, blijkt uit vaste internationale jurisprudentie dat er een aanzienlijke mate van pijn en lijden moet zijn bereikt voordat een strafbaar feit als marteling kan worden beschouwd. [1]
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van marteling zal de rechtbank onder meer rekening houden met de volgende factoren:
( a) de aard, duur en intensiteit van de handelingen waaraan een slachtoffer is onderworpen;
( b) de lichamelijke conditie en gezondheidstoestand van het slachtoffer;
( c) de leeftijd en het geslacht van het slachtoffer;
( d) de context waarin de pijn en/of het lijden wordt veroorzaakt;
( e) het georganiseerde en geïnstitutionaliseerde karakter van het handelen. [2]
Zowel mishandelingen, seksueel geweld, langdurige onthouding van slapen of voedsel, hygiëne of medische zorg, als ook bedreiging met marteling, met een misdrijf tegen het leven gericht van het slachtoffer of zijn familieleden of met verkrachting, tijdens detentie, zijn voldoende ernstig geacht om als marteling, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, te worden gekwalificeerd. [3]
Het blootstellen van een persoon aan de angst voor, of bedreiging met de dood of executie, kan zorgen voor extreem ernstige vormen van geestelijk lijden. Geestelijk lijden kan ook ontstaan door personen die gedetineerd zijn te dwingen te leven in een constante situatie van extreme angst en spanning dat ze zullen worden onderworpen aan lichamelijk geweld of zelfs de dood kunnen vinden. Dit kan in het bijzonder het geval zijn wanneer gedetineerden:
( i) getuige zijn van het ernstig lichamelijk pijn toebrengen aan andere gedetineerden;
(ii) getuige zijn van het meenemen van andere gedetineerden met dat doel, eventueel gecombineerd met een schijnbaar willekeurige selectie van de gedetineerden;
(iii) het waarnemen van het letsel bij terugkomst van de gedetineerden. [4]
De verdachte moet opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, hebben gehad op de hem verweten gedragingen en bij het slachtoffer moet door deze gedragingen ernstige pijn of leed kunnen worden vastgesteld. Niet is vereist dat de verdachte wist dat de pijn of het leed ernstig was, of dat hij dat beoogde. [5]
Verder dient het slachtoffer zich in gevangenschap of in de macht van de van marteling beschuldigde verdachte te bevinden. Deze begrippen dienen ruim te worden uitgelegd. De term ‘gevangenschap’ houdt iedere vorm van detentie of gevangenneming in, waaronder arrestaties, andere vrijheidsbeperkende maatregelen zoals menigtebeheersing door veiligheidstroepen, evenals gedwongen verdwijningen. [6]
5.1.2.
Verkrachting
In artikel 4 lid 1 onderPro g Wim is de strafbaarstelling van verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid opgenomen. Artikel 4 lid 1 onderPro g Wim weerspiegelt artikel 7 lid 1 onderPro g-1 van het Statuut van Rome. De rechtbank heeft acht geslagen op de bijbehorende Elements of Crimeswelke – zonder de eerder genoemde contextuele elementen – als volgt luiden:
The perpetrator invaded the body of a person by conduct resulting in penetration, however slight, of any part of the body of the victim or of the perpetrator with a sexual organ, or of the anal or genital opening of the victim with any object or any other part of the body.
The invasion was committed by force, or by threat of force or coercion, such as that caused by fear of violence, duress, detention, psychological oppression or abuse of power, against such person or another person, or by taking advantage of a coercive environment, or the invasion was committed against a person incapable of giving genuine consent.
De definitie van ‘verkrachting’ volgend uit de Elements of Crimesis genderneutraal. Er kan sprake zijn van mannelijke en vrouwelijke plegers en slachtoffers. [7] Zo omvat de definitie ook penetratie door en bij personen van hetzelfde geslacht.
Eerste non-contextuele element: penetratie
Er is sprake van penetratie wanneer het lichaam van het slachtoffer wordt binnengedrongen, ook in die gevallen dat de pleger niet zelf penetreert. De definitie omvat ook situaties waarin de pleger wordt gepenetreerd, alsmede situaties waarin de pleger een ander laat penetreren. [8] Daarnaast valt pijpen onder ‘penetratie’. Volgens de Trial Chamber in Bemba dient dit te worden bezien als: ‘ a degrading fundamental attack on human dignity which can be as humiliating and traumatic as vaginal or anal penetration’. [9]
Tweede non-contextuele element: dwang
Bij verkrachting moet sprake zijn van dwang ( coercion). Deze dwang ontstaat wanneer sprake is van geweld, dreigen met geweld, iemand dwingen iets te doen of te dulden, misbruik maken van een onderdrukkende omgeving, of een situatie waarin het slachtoffer niet in staat is toestemming te geven. Dwang hoeft daarmee niet te bestaan uit het uitoefenen van directe fysieke kracht op het slachtoffer. Dwang kan inherent aanwezig zijn en volgen uit de omstandigheden waarin het slachtoffer zich bevindt. Omstandigheden zoals de aanwezigheid van een gewapend conflict kunnen op zichzelf al een dwingende context scheppen. [10] Het vaststellen van het ontbreken van consentis niet noodzakelijk. De aanwezigheid van één van de genoemde omstandigheden is voldoende. [11]
5.1.3.
Enige andere vorm van seksueel geweld
In artikel 4 lid 1 onderPro g Wim is de strafbaarstelling van ‘enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst’ als misdrijf tegen de menselijkheid opgenomen. Artikel 4 lid 1 onderPro g Wim weerspiegelt artikel 7 lid 1 onderPro g-6 van het Statuut van Rome. De rechtbank heeft voor de interpretatie en toepassing acht geslagen op de bijbehorende Elements of Crimesdie – zonder de eerder genoemde contextuele elementen – als volgt luiden:
The perpetrator committed an act of a sexual nature against one or more persons or caused such person or persons to engage in an act of a sexual nature by force, or by threat of force or coercion, such as that caused by fear of violence, duress, detention, psychological oppression or abuse of power, against such person or persons or another person, or by taking advantage of a coercive environment or such person’s or persons’ incapacity to give genuine consent.
Such conduct was of a gravity comparable to the other offences in article 7, paragraph 1 (g), of the Statute.
The perpetrator was aware of the factual circumstances that established the gravity of the conduct.
Eerste non-contextuele element: geweld van seksuele aard onder dwang
Wat dient te worden verstaan onder ‘ an act of sexual nature’, geweld van seksuele aard, volgt niet uit het Statuut van Rome noch uit de Elements of Crimes. Uit internationale jurisprudentie van de tribunalen volgen diverse factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde handeling enige (andere) vorm van seksueel geweld oplevert.
In de onderhavige zaak neemt de rechtbank onder meer de volgende factoren mee in haar overwegingen:
- Het geweld/de handelingen richt(en) zich op delen van het lichaam die geassocieerd worden met seksualiteit (zoals de geslachtsdelen). Fysiek contact is daarbij niet per definitie vereist. [12]
- Dwang om bepaalde vernederende of degraderende seksuele handelingen te verrichten of te aanschouwen. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de kwalificatie van belang is dat de handelingen het slachtoffer op seksuele wijze vernederen en/of degraderen. [13]
Het geweld/de handelingen maakt/maken een inbreuk op de fysieke of morele integriteit van het slachtoffer.
Het geweld/de handelingen is/zijn seksueel vernederend voor het slachtoffer.
De, al dan niet seksuele, motieven en/of intentie van de pleger.
Tot slot merkt de rechtbank op dat het beantwoorden van de vraag of een bepaalde handeling enige (andere) vorm van seksueel geweld oplevert, een casuïstische afweging vereist waarbij naast de bovengenoemde factoren alle relevante feiten en omstandigheden worden gewogen. [15]
Om te komen tot de kwalificatie seksueel geweld dient sprake te zijn van dwang. Zoals de rechtbank heeft uiteengezet onder paragraaf 5.1.2 ontstaat dwang wanneer sprake is van geweld, dreigen met geweld, iemand dwingen iets te doen of te dulden, misbruik maken van een onderdrukkende omgeving of een situatie waarin het slachtoffer niet in staat is toestemming te geven.
Tweede non-contextuele element: van vergelijkbare ernst
Het geweld van seksuele aard dient ‘van vergelijkbare ernst’ te zijn als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onderPro g, Wim, zijnde verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap en gedwongen sterilisatie. Het vereiste ‘van vergelijkbare ernst’ is specifiek opgenomen in het Statuut van Rome. Gelet hierop kijkt de rechtbank voor de interpretatie van de term ‘van vergelijkbare ernst’ in eerste instantie naar de jurisprudentie van het ICC. Het ICC heeft zich tot nu toe eenmaal uitgelaten over dit vereiste. De Pre-Trial Chamber oordeelde in Bemba dat het dwingen van mensen om zich in het openbaar uit te kleden niet van vergelijkbare ernst was als de andere seksuele misdrijven in artikel 7 lid 1 onderPro g-6, van het Statuut van Rome. [16] De rechtbank ziet dat dit oordeel is bekritiseerd in de literatuur [17] en afwijkt van de jurisprudentie van de Tribunalen, waarin ‘gedwongen ontkleden’ wel is gekwalificeerd als ‘geweld van seksuele aard’. Hierbij moet worden opgemerkt dat die Tribunalen, anders dan het ICC, geen speciale strafbaarstelling voor deze categorie (seksuele) misdrijven ter beschikking stond en dat in die zaken het vereiste ‘van vergelijkbare ernst’ ontbrak. [18]
Omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen vastomlijnd juridisch kader is voor de toepassing van het vereiste ‘van vergelijkbare ernst’, zal zij aan hand van het hieronder geschetste kader bepalen of een tenlastegelegde gedraging van vergelijkbare ernst is als de andere misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim. De rechtbank slaat daarbij acht op de omstandigheden van het geval, alsmede de volgende uit de literatuur geïdentificeerde factoren [19] :
de aard en de ernst van de handeling(en);
de gevolgen voor het slachtoffer;
de omstandigheden van het slachtoffer zoals diens leeftijd, gender en kwetsbaarheid;
het aantal slachtoffers;
de langetermijneffecten van de handeling op het slachtoffer, de gevolgen voor de familie van het slachtoffer;
het herhaalde karakter van het gedrag en/of de handeling(en);
de context waarin de gedraging(en) en/of handeling(en) werden gepleegd;
discriminatoire motieven; en
het beschermde rechtsgoed.
Derde non-contextuele element: wetenschapTen slotte diende de pleger op de hoogte te zijn van de feitelijke omstandigheden die de ernst van de handeling aantonen. Hiertoe is niet vereist dat de pleger een juridische afweging heeft gemaakt van de ernst van diens handelen.
5.2.
Foltering
De strafbaarstelling van het misdrijf van foltering is opgenomen in artikel 8 WimPro. Foltering wordt in artikel 1 lid 1 onderPro e Wim als volgt gedefinieerd:
“marteling van een persoon met het oogmerk om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht, of hem of een derde vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie uit welke grond dan ook, van overheidswege gepleegd.”
Hoewel de definitie van foltering als zelfstandig misdrijf afwijkt van de definities van marteling als oorlogsmisdrijf en als misdrijf tegen de menselijkheid, wordt volgens de wetsgeschiedenis uitgegaan van dezelfde grondgedraging. [20]
Uit de definitie van foltering in artikel 1 lid 1 onderPro e Wim volgt dat het gaat om martelen van overheidswege. In aanvulling op deze definitie, is in artikel 8 WimPro een bijkomend bestanddeel opgenomen met betrekking tot de kwaliteit van de dader. Artikel 8 WimPro luidt als volgt:
1. Foltering door een ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met gelijke straffen wordt gestraft:
a. de ambtenaar of anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon die in de uitoefening van zijn functie door een der in artikel 47, lid 1, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) vermelde middelen tot de foltering uitlokt of die opzettelijk toelaat dat een ander die foltering pleegt;
b. hij die foltering pleegt, indien een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie zulks door een der in artikel 47, lid 1, onder 2°, Sr vermelde middelen heeft uitgelokt of zulks opzettelijk heeft toegelaten.
Foltering is daarmee een kwaliteitsdelict. Een wezenlijk kenmerk van foltering is het misbruik van overheidsbevoegdheden. [21] Het gaat om praktijken waarvoor personen die met publiek gezag bekleed zijn op enigerlei wijze verantwoording dragen. [22] Dit kunnen Nederlandse ambtenaren en daarmee gelijkgestelden zijn waarbij de wetgever verwijst naar het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de uitleg van het begrip ambtenaar. De Hoge Raad heeft het begrip ambtenaar in artikel 84 SrPro ruim uitgelegd. Een ambtenaar is eenieder die door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of zijn organen te verrichten. [23]
Naast ambtenaren kunnen ook anderszins ten dienste van de overheid werkende personen die in de uitoefening van hun functie zijn, foltering plegen. Niet alleen Nederlandse ambtenaren of daarmee gelijkgestelden, maar ook diegenen die ten dienste van een vreemde staat een openbaar ambt bekleden vallen onder het bereik van de strafbaarstelling van artikel 8 WimPro (zie artikel 1 lid 2 WimPro).
Tot slot dient de dader bij foltering een specifiek door de wetgever omschreven oogmerk te hebben. Onder meer worden genoemd het oogmerk om een bekentenis te verkrijgen, het slachtoffer te bestraffen of het slachtoffer vrees aan te jagen.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat oogmerk in het verband van dit delict strenger moet worden uitgelegd dan de gebruikelijke betekenis van het bestanddeel oogmerk, die erop neerkomt dat de dader moet hebben beseft dat zijn gedraging noodzakelijk en dus door hem gewild bepaalde door hem beoogde doelen of gevolgen zou hebben. Het gaat om het door de dader beoogde doel, ook aangeduid als diens ‘innerlijke kenmerken of motieven’. [24] De rechtbank moet kunnen vaststellen met welke intentie of bedoeling de verdachte de feitelijke handelingen heeft verricht.
6.De beoordeling van de tenlasteleggingen
6.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de officier van justitie
met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder 14 tot en met 17 tenlastegelegde het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen acht en slechts de periode 10 tot en met 11 juli 2013 wettig en overtuigend bewezen vindt; en
met betrekking tot het bij dagvaarding 1 onder 18 en 19 tenlastegelegde slechts de periode 14 oktober tot en met 24 oktober 2013 wettig en overtuigend bewezen vindt.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben namens de verdachte vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de
bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Deze zijn leidend. De in deze paragraaf opgenomen bewijsoverwegingen vormen steeds een samenvatting daarvan. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
6.3.1.
Feitelijke vaststellingen en (tussen)conclusies met betrekking tot de situatie in Syrië in aanloop naar en in de tenlastegelegde periode
6.3.1.1. De situatie in Syrië vanaf 2011
In maart 2011 brak in Syrië een opstand uit om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Bashar al-Assad. Het Syrische regime trachtte de burgerlijke onrust met geweld de kop in te drukken en liet in heel Syrië op grote schaal demonstranten arresteren, martelen en vermoorden. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Verenigde Naties (hierna: IICISAR) heeft gerapporteerd dat in de periode van 15 maart 2011 tot 15 februari 2012 6.399 burgers en 1.680 deserteurs zijn gedood, dat sinds het najaar in 2011 het geweld is geëscaleerd en dat het regime scherpschutters en mortieren heeft ingezet tegen burgers. IICISAR heeft gevallen van marteling sinds 2011 gedocumenteerd in 38 met naam genoemde detentielocaties.
Rond 27 maart 2011 vormde het regime een Central Crisis Management Cel (hierna: Crisis Cel) om de reactie op de demonstraties, en later het gewapende verzet, te coördineren. Aan de Crisis Cel namen de belangrijkste overheidsfunctionarissen, zoals de minister van Defensie en de hoofden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, van het regime deel. De Crisis Cel gaf instructies om demonstraties met harde hand neer te slaan, stuurde legertroepen en veiligheidsdiensten aan in het gebruik van geweld tegen opstandelingen en speelde een actieve rol in de aanmoediging, mobilisatie en bewapening van volkscomités.
Volkscomités en shabiha groepen (zie ook hierna onder 6.3.1.2) speelden bij de gewelddadige onderdrukking een grote rol. In vrijwel alle periodieke verslagen van de IICISAR sinds 2012 en rapporten opgesteld door mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International, Human Rights Watchen andere gerenommeerde internationale organisaties en onderzoekers, wordt melding gemaakt van ernstige mensenrechtenschendingen waarvoor pro-regime milities verantwoordelijk waren, of waar zij bij betrokken waren.
Detentie als repressie
In april 2011 gaf de Crisis Cel opdracht tot het op grote schaal arresteren, vasthouden en ondervragen van vreedzame demonstranten. De arrestaties vonden plaats gedurende demonstraties, maar ook tijdens gerichte (woning)doorzoekingen en bij checkpoints. In opdracht van de Crisis Cel werden de demonstraties met harde hand neergeslagen en werd er met scherp op demonstranten geschoten. In reactie op de arrestaties en het toegenomen geweld tegen demonstranten, verspreidden de demonstraties zich steeds sneller en nam het gewapende verzet toe. In augustus van dat jaar gaf de Crisis Cel de opdracht tot aanvullende repressieve maatregelen die leidden tot nog meer arrestaties en verhoren. De maatregelen richtten zich niet alleen op demonstranten, maar ook op activisten, oppositieleden, burgers die vanwege hun beroep antiregime geacht werden te zijn alsmede burgers (waaronder kinderen) die geenszins betrokken waren bij de demonstraties. De resultaten van de verhoren werden via de verschillende veiligheidsdiensten rondgezonden, zodat nieuwe mogelijke tegenstanders van het regime geïdentificeerd en uitgeschakeld konden worden. De verschillende veiligheidsdiensten kregen in lijn met het beleid van de Crisis Cel instructies ten aanzien van de arrestaties, de verhoren, de detentie en het vrijlaten van gevangenen alsmede hun behandeling in gevangenschap en het omgaan met eventuele dodelijke slachtoffers. Er was sprake van een gecoördineerde aanpak tussen de verschillende veiligheidsdiensten die samenwerkten om de grote aantallen gevangenen te laten doorstromen en informatie van verhoren uit te wisselen.
Het beleid om burgers massaal te arresteren resulteerde in overvolle gevangenissen. De detentieomstandigheden in de gevangenissen waren slecht. Er was een gebrek aan water, voedsel, slaap, hygiëne en medische voorzieningen. Naast de slechte detentieomstandigheden werden gevangenen op grote schaal onderworpen aan martelingen en seksueel geweld. Het doel van de martelingen en het seksueel geweld was – naast het verkrijgen van informatie – het afschrikken en onderdrukken van enige vorm van oppositie tegen het regime. De martelingen resulteerden in de dood van duizenden gevangenen. Het seksueel geweld, waaronder verkrachting, richtte zich op mannen, vrouwen en kinderen en werd gepleegd door veiligheidstroepen, strijdkrachten en aangesloten milities. Het seksueel geweld werd ingezet om informatie te verkrijgen, als straf of vernedering en om de oppositie en hun omgeving te terroriseren. Het seksuele geweld vond plaats in (onofficiële) detentiecentra, maar ook tijdens grondoperaties, doorzoekingen en bij checkpoints.
6.3.1.2. De NDF
Vanaf het begin van de opstand in 2011 maakte het Syrische regime gebruik van bestaande Ba’ath-partij structuren om pro-regime Syriërs te mobiliseren. Deze volkscomités – in de volksmond ook wel aangeduid als shabiha - waren in heel Syrië zichtbaar en werden door president al-Assad in een toespraak ‘jonge mensen die gevaren confronteren’ genoemd.
De volkscomités waren een eerste poging om pro-Assad militanten macht te verschaffen en te structureren. Ze moesten lokaal optreden als de ogen en oren van het inlichtingenapparaat, demonstraties verstoren, controleposten bemannen en patrouilles uitvoeren. Na verloop van tijd dienden ze daarnaast tegenstanders van het regime op te sporen en aan te vallen.
De volkscomités werden ondersteund en geleid door de inlichtingendiensten en opereerden onder auspiciën van de National Security Office. Het regime voorzag de volkscomités van wapens en middelen om nieuwe leden te ronselen en deze in te zetten tegen voornamelijk ongewapende demonstranten en activisten. In 2011 rapporteerde IICISAR dat het aantal shabiha groepen die door het Syrische regime bewapend werden, rond de 10.000 burgers betrof.
Vanaf 2012 werden de volkscomités en andere milities gereorganiseerd via de oprichting van de NDF. Hiermee werden deze milities onder controle van het leger gebracht. President Assad omschreef de NDF in 2013 als een nieuwe overkoepelende structuur van ‘lokale burgers die naast het leger strijden om hun gemeenschappen en regio’s te verdedigen’. De NDF ontpopte zich steeds meer als een belangrijk onderdeel van de militaire infrastructuur van het regime. Zo namen zij frontlinietaken op zich en werden zij gesignaleerd op locaties waar heftig gevochten werd. Op 9 januari 2013 werd in een video het bestaan van de NDF bekend gemaakt.
De belangrijkste reden voor de vorming van de NDF was het gebrek aan mankracht van het regeringsleger. In reactie op het gewelddadig neerslaan van de protesten, kwam naast de vreedzame protesten van de opposanten ook een gewapend verzet op. De confrontaties tussen aanhangers en opposanten van het regime werden steeds heftiger. De NDF-milities werden vooral ingezet om de gewapende oppositie uit de thuisgebieden te verdrijven en de protesten neer te slaan.
Syrische provincies beschikten over eigen NDF-afdelingen die onder bevel stonden van een plaatselijke militair officier, of civiele leiders die zich via de volkscomités hadden weten op te werken. De meeste hooggeplaatste NDF-leiders werden rechtstreeks aangesteld door het regeringsleger. De NDF-afdelingen werkten nauw samen met het leger en de inlichtingendiensten. Een NDF-commandocentrum in Damascus coördineerde de financiële en logistieke steun met het Ministerie van Defensie en de lokale afdelingen. Financiering kwam van het veiligheidsapparaat van het regime, maar ook van particuliere bedrijven en zakenlieden met persoonlijke banden met de familie al-Assad. Daarnaast waren NDF-eenheden betrokken bij onder meer plunderingen en ontvoeringen voor losgeld.
Voormalig legerofficieren kregen leidinggevende rollen binnen de NDF, waardoor het regime op informele wijze controle kon uitoefenen. Voor wapens, voertuigen en voedselvoorzieningen waren NDF-eenheden volledig afhankelijk van de bevoorradingscentra van het reguliere leger.
Toetreding tot de NDF gebeurde op vrijwillige basis. Het was burgers toegestaan hun militaire dienstplicht bij de NDF te vervullen. NDF-leden werden geacht eigen uniformen te dragen of identificerende badges, maar dit lijkt niet altijd het geval te zijn geweest.
De NDF groeide uit tot een paramilitaire organisatie met eigen gevangenissen en bevoegdheden om onderzoeken en verhoren in te stellen. Uit de rapportages van IICISAR volgt dat de NDF zelfstandig arrestaties verrichtte en de arrestanten vasthield in ‘niet officiële centra’ voordat ze werden overgedragen aan de veiligheidsdiensten. De NDF maakte zich schuldig aan ernstige mishandeling, seksueel geweld, verkrachting en andere onmenselijke behandelingen, met name in detentiecentra en gevangenissen, maar ook tijdens huiszoekingen. Ook werden bekentenissen afgedwongen onder bedreiging van verkrachting. Daarnaast was de NDF verantwoordelijk voor gedwongen verdwijningen van personen door hen te ontvoeren en naar onbekende locaties te brengen.
6.3.1.3. De Syrische opstand in Salamiyah
Uit solidariteit met de demonstranten in Daraa en Damascus besloten activisten in Salamiyah op 25 maart 2011 te demonstreren bij de Imam Ismail Moskee . De aantallen deelnemers aan die protesten waren aanvankelijk gering, maar het aantal demonstranten nam toe bij hierop volgende protesten. Bij sommige van deze demonstraties in april en mei kregen de demonstranten te maken met aanvallen van de shabiha en agenten van de veiligheidsdiensten. Toen er bij anti-regeringsdemonstraties in Hama doden en gewonden vielen, leidde dit tot nieuwe protesten in Salamiyah . Op 19 augustus 2011 riepen activisten op tot protesten voor wat ‘de belofte van de overwinning’ werd genoemd. Die dag mondde een grote demonstratie in het centrum van Salamiyah uit in een confrontatie tussen demonstranten en het leger, veiligheidsagenten en shabiha. Meer dan 450 activisten werden gearresteerd. Op toegangswegen naar de stad wierp het leger controleposten op die door shabiha bemand werden. Openbare demonstraties gingen door tot medio 2012. Het verzet ging daarna ondergronds en honderden burgers werden gedetineerd.
6.3.1.4. De NDF in Salamiyah
Het regime ging ertoe over om in Salamiyah , zoals in andere steden, plaatselijk te werven voor ordehandhaving door gewapende milities. Er werden gewapende bendes gevormd onder de overkoepelende benaming van de NDF. Tientallen jonge mannen afkomstig van het platteland van Salamiyah werden gerekruteerd door onder meer Saleh al-Salama. Deze alawitische pro-Assad militie wierp wegversperringen op en voerde controles uit in de stad. Militieleden beschikten over wapens en munitie en ontvingen een maandsalaris. De leider van de NDF in Salamiyah was [naam 1] , de zoon van het hoofd van de Ismaelitische Raad in Salamiyah . Onder hem opereerden onder anderen [naam 2] (hierna ook: [naam 2] ), een Ismaeliet uit Salamiyah en [naam 3] (hierna ook: [naam 3] ).
Het geweld nam tussen 2011 en 2015 hand over hand toe. De bevolking leed onder de terreur en misdadige praktijken van de NDF. Er was sprake van een golf van ontvoeringen en geweld, uitgeoefend door gewapende elementen onder de paraplu van de NDF. De lokale NDF nam de macht in de stad over.
Diverse getuigen in het dossier, onder wie [naam 4] en [slachtoffer 3] verklaren over de aanwezigheid van de NDF in Salamiyah .
6.3.1.5. Is sprake van een wijdverbreide of stelselmatige aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van het Syrische regime?
Uit de hiervoor weergegeven feitelijke vaststellingen volgt dat het Syrische regime vanaf maart 2011 in samenwerking met groeperingen zoals de volkscomités vreedzame demonstraties met harde hand de kop indrukte door de demonstranten met geweld uiteen te drijven en aan te houden. De Crisis Cel van het regime stuurde de verschillende veiligheidsdiensten en het leger aan en gaf opdracht met harde hand op te treden tegen de oppositie. Naarmate de vreedzame demonstraties toenamen, trad het Syrische regime met meer geweld op. Het regime voorzag groeperingen, zoals de NDF, van wapens en andere middelen en zette het leger, de veiligheidsdiensten en deze groeperingen in om burgers te doden, op te pakken, te martelen en onder zeer erbarmelijke omstandigheden vast te houden, hetgeen resulteerde in de dood van duizenden burgers. Deze gedragingen, gelet op de aard en omvang daarvan, moeten worden aangemerkt als een aanval op een burgerbevolking.
Het massaal en structureel oppakken en (onbeperkt) vasthouden van burgers was volgens de Crisis Cel het hoofdbestanddeel van het repressie arsenaal waarmee het regime de demonstraties bestreed. Dit gewelddadig optreden werd doelbewust ingezet als middel om vrees aan te jagen en diende ook ter onderdrukking van de bevolking met als doel het regime van al-Assad te beschermen. Doelwit van het geweld waren (vermeende) oppositieleden, demonstranten en activisten, maar ook burgers (waaronder kinderen) die niet betrokken waren bij de demonstraties. De burgerbevolking die onderwerp van de aanval was, bestond voornamelijk uit Syrische burgers. Mogelijke betrokkenheid bij protesten of kritische uitlatingen over het regime of iemand kennen die daarvan verdacht werd, was voldoende om doelwit van onderdrukking en geweld te worden. De rechtbank is van oordeel dat deze aanval zowel een wijdverbreid als een stelselmatig karakter droeg, gelet op de grote schaal en het structurele en planmatige karakter ervan.
Tussenconclusie: wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van het Syrische regime
Vanaf april 2011 werden de beslissingen van de Crisis Cel geïmplementeerd en was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de Syrische burgerbevolking, ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat.
6.3.1.6. De rol van de verdachte binnen de NDF in de tenlastegelegde periode
De verdachte werkte als griffier op de rechtbank in Salamiyah . Hij heeft zich volgens getuigen daarnaast vrijwillig aangemeld bij de NDF in Salamiyah . Volgens de buurman van de verdachte begon hij in 2013 te werken bij de NDF. Deze getuige zag de verdachte een aantal keer met zijn militaire uniform van de NDF aan: een camouflagepak, met tactisch vest en een Kalasjnikov. In Salamiyah waren er volgens getuigen drie leiders van de NDF: [naam 1] , [naam 2] en de verdachte. [naam 1] was het hoofd en moest verantwoording afleggen aan [naam 5] , de algemeen commandant, die op zijn beurt verantwoording aflegde aan Bashar al-Assad. In de leidinggevende structuur stond [naam 2] onder [naam 1] . [naam 2] was sectorhoofd informatie. Daaronder stond de verdachte als onderzoeker/verhoorder. Hij stond ook in contact met de inlichtingendienst. Onder de verdachte stonden diverse personen die aan hem verantwoording moesten afleggen. De verhoorder had macht, in die zin dat hij informatie verkreeg en bepaalde over het lot van een gedetineerde. De verhoorder had een mandaat om beslissingen te nemen over of een gedetineerde werd vrijgelaten of werd overgebracht naar een ander detentiecentrum zoals [detentiecentrum 1] .
Dat de verdachte verhoorder bij de NDF in (de omgeving van) Salamiyah was, blijkt behalve uit getuigenverklaringen ook uit diverse (foto’s van) documenten. Zo heeft [slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3] ) aan de politie laten zien dat de naam van de verdachte voorkwam in de mappenstructuur op de laptop van een NDF-lid en heeft hij de politie daarnaast de volgende stukken aangeleverd (samengevat weergegeven):
i) een brief d.d. 15 augustus 2013 van de streekcommandant van de NDF in Salamiyah waarin de verdachte ‘strijder uit de gelederen van de Nationale Defensiestrijdkrachten in Salamiyah ’ wordt genoemd en waarin hij wordt opgeroepen voor een onderhoud;
ii) een brief d.d. 15 september 2013 van de verdachte aan de streekcommandant van de NDF waarin hij onder meer schrijft dat hij werkzaamheden heeft uitgevoerd bij de afdeling Informatie en Verhoor en de streekcommandant verzoekt terroristische arrestanten door te sturen naar de Staatsveiligheidsdienst, en waarin hij ook meldt dat hij niet kan verschijnen voor het onderhoud; en
iii) twee veiligheidsstudies van de Algemene Inlichtingendienst over de verdachte, waarin onder meer is vermeld dat hij zich heeft aangesloten bij de Nationale Defensie te Salamiyah en daar verantwoordelijk is geweest voor verhoren, tot hij begin 2014 werd aangehouden door de NDF vanwege het seksueel misbruiken van een arrestante.
De door [slachtoffer 3] aangeleverde documenten zijn door het Syria Justice and Accountability Center(hierna: SJAC) als authentiek beoordeeld, onder meer vanwege het format, briefhoofd en de NDF-stempel. [slachtoffer 3] heeft de politie ook een distributie-overzicht van Zakharov-geweren van de NDF in Salamiyah aangeleverd, waarschijnlijk gedateerd op 18 juni 2014, waarop de verdachte staat vermeld als voormaligverhoorder. Dit gegeven stemt overeen met zijn genoemde aanhouding begin 2014. De rechtbank hecht mede in het licht van het rapport van het SJAC geen enkele waarde aan de verklaring van de verdachte, die kort gezegd en zonder overtuigende onderbouwing, inhoudt dat het bij de voornoemde stukken om valse en/of vervalste documenten gaat.
In het dossier zitten verder foto’s uit oktober 2013 van de zoons van de verdachte, die thuis een soortgelijk geweer vasthouden als vermeld op het distributieoverzicht. De rechtbank gaat er tegen die achtergrond en gelet op het navolgende van uit dat het om (een) NDF-wapen(s) van de verdachte gaat en hecht geen geloof aan zijn verklaring dat het wapens van de militaire politie waren, die vaak bij hem thuis zouden zijn komen eten.
Er zitten ook vijf foto’s in het dossier waarop de verdachte is afgebeeld in een militair camouflage-uniform. Op vier van deze foto’s heeft hij een op een automatisch vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen.
Dat de verdachte als verhoorder voor de NDF werkte, wordt bevestigd door geolocatingonderzoek van de politie waaruit naar het oordeel van de rechtbank overtuigend blijkt dat in ieder geval drie van de hiervóór genoemde vier foto’s van de verdachte met een automatisch vuurwapen in zijn handen, op 1 augustus 2013 zijn gemaakt op een van de detentielocaties van de NDF bij Salamiyah . De verklaring van de verdachte, kort gezegd inhoudende dat hij daar nooit is geweest maar dat hij op die dag ter ere van de Syrische ‘dag van het leger’ op een anderelocatie, te weten de boerderij van een brigadegeneraal, puur voor een korte fotoshoot het uniform van een chauffeur van de militaire politie heeft aangetrokken, die vervolgens in zijn onderbroek wachtte tot die shoot klaar was, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.
Tussenconclusie: de verdachte was verhoorder bij de NDF
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in de tenlastegelegde periode was aan te merken als een ten dienste van de (Syrische) overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde NDF.
6.3.1.7. Wetenschap van de verdachte van de aanval
De rechtbank heeft hiervoor - zakelijk weergegeven - het volgende vastgesteld. De Crisis Cel zette de NDF in om massaal en structureel burgers op te pakken en (onbeperkt) vast te houden. De Crisis Cel zag dit als het belangrijkste middel van het regime om de demonstraties te bestrijden. Het diende om vrees aan te jagen en ter onderdrukking van de bevolking met als doel het beschermen van het regime van Assad.
De NDF maakte zich met name in de detentiecentra en gevangenissen schuldig aan ernstige mishandeling, seksueel geweld, verkrachting en andere onmenselijke behandelingen. Daarnaast was de NDF verantwoordelijk voor gedwongen verdwijningen van personen door hen te ontvoeren en naar onbekende locaties te brengen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte als verhoorder van de NDF moet hebben geweten van de wijdverbreide en stelselmatige aanval op de burgerbevolking.
6.3.1.8. Alternatief scenario
De verdachte heeft op de terechtzitting en tijdens de politieverhoren op 3, 4 en 5 maart 2026 verklaard dat hij vals wordt beschuldigd. De mensen die deze beschuldigingen hebben geuit, zijn door de NDF dan wel ‘mensen van [naam 1] ’ geïnstrueerd, vanwege alle belastende informatie die hij door zijn voormalige functie als griffier in zijn hoofd heeft. Daarnaast zit de communistische action arbeiderspartij erachter: ze zijn boos op hem, want hij komt zelf uit een Ba’ath familie. De leden van die arbeiderspartij die in het dossier voorkomen hebben zelf misdaden gepleegd en zijn naar Europa gevlucht. De mensenrechtenadvocaat [naam 6] heeft die mensen bescherming gegeven. De verdachte heeft informatie over die partij en ze waren bang dat hij die informatie ging doorvertellen. Toen hij in Europa kwam, hebben ze hem zwart gemaakt. Tenslotte wordt de verdachte vals beschuldigd door mensen van “ [bataljon] ” en mensen van de staatsveiligheidsdienst.
De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk. De rechtbank overweegt hiertoe dat in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor de stelling dat de verdachte door de getuigen vals wordt beschuldigd. De enkele stelling van de verdachte is daartoe onvoldoende. Het verweer wordt dan ook verworpen.
6.3.2.
Dagvaarding I – [slachtoffer 1] (feiten 1 tot en met 3)
6.3.2.1. Feitelijke vaststellingen
Op 3 januari 2013 is [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1] ) door de NDF gearresteerd in zijn kapperszaak in Salamiyah . Enkele dagen eerder vond zijn vriend in het internetcafé waar hij werkte een usb-stick met daarop een rapport over [slachtoffer 1] en diens broer met betrekking tot hun deelname aan demonstraties en de berichten die zij plaatsten op Facebook. [slachtoffer 1] en zijn vriend werden gearresteerd en naar de tapijtfabriek gebracht.
Bij aankomst werd [slachtoffer 1] geblinddoekt en werden zijn handen op zijn rug geboeid. [slachtoffer 1] werd samen met zijn vriend naar een cel gebracht waar de blinddoek werd afgedaan. Op de tweede dag werden [slachtoffer 1] en zijn vriend weer geblinddoekt en naar verschillende verhoorkamers gebracht. De verhoorder beschuldigde [slachtoffer 1] ervan eerste hulp te hebben geboden aan de gewapende oppositie en vroeg [slachtoffer 1] of hij met een vriendin van hem naar bed ging. De verhoorder wilde een bekentenis. [slachtoffer 1] werd geslagen door de verhoorder. Hij werd met de hand in het gezicht geslagen en meermalen geschopt op zijn bovenbeen. Het tweede verhoor dat plaatsvond op de derde dag van zijn detentie verliep op dezelfde wijze. [slachtoffer 1] heeft tijdens alle drie zijn verhoren dezelfde stem gehoord. Deze verhoorder sprak met het dialect van Salamiyah . Tijdens het derde verhoor waren er - naast de verhoorder - nog twee NDF-leden aanwezig die hem vasthielden. [slachtoffer 1] was geblinddoekt en zijn handen waren geboeid op zijn rug. Hij werd vanuit meerdere richtingen geslagen en met de loop van een geweer in zijn voeten gestoken. De verhoorder sloeg hem met platte hand in zijn gezicht. De blinddoek verschoof en [slachtoffer 1] zag [naam 3] , die hij kende van vroeger. Ook zag hij de verhoorder wiens stem hij herkende van de eerdere twee verhoren. [slachtoffer 1] herkende het gezicht van de verhoorder niet. [naam 3] sloeg met het geweer op de voet van [slachtoffer 1] , pakte het geweer en deed de loop van het geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] droeg een trainingsbroek. De verhoorder zei niets en verhoogde de intensiteit van het slaan. De verhoorder bedreigde bij alle drie de verhoren [slachtoffer 1] en diens familie. Hij zei dat als [slachtoffer 1] niet zou bekennen, hij diens moeder en zus zou arresteren.
Na het derde verhoor beschreef [slachtoffer 1] in de cel het gezicht van de verhoorder aan zijn vriend. Zijn vriend vertelde [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 1] was verhoord door [verdachte] . Zijn vriend kende [verdachte] persoonlijk. [slachtoffer 1] kende de naam van [verdachte] en wist dat hij een verhoorder was bij de NDF.
Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij vermoedelijk in 2020 een foto zag op internet van [verdachte] met zijn naam eronder. [slachtoffer 1] herkende [verdachte] als zijn verhoorder, omdat het beeld in zijn geheugen was blijven hangen.
Na het incident met het geweer wilde [slachtoffer 1] in de cel niet meer geholpen worden bij het urineren. [slachtoffer 1] en zijn vriend hadden elkaar hierbij eerder geholpen, omdat hun handen ook in de cel op hun rug gebonden waren. [slachtoffer 1] wilde niet langer dat iemand hem aanraakte en urineerde in zijn broek.
Op de vierde dag werd [slachtoffer 1] vrijgelaten in het kader van een gevangenenruil tussen de oppositie en het regime. De moeder van [slachtoffer 1] , [naam 7] , omschrijft hoe [slachtoffer 1] thuiskwam. [slachtoffer 1] nam meteen een douche vanwege de viezigheid. Zijn kleding had een vieze geur van urine. Het was duidelijk dat hij zichzelf had onder geplast. Hij liep mank. [slachtoffer 1] vertelde zijn moeder dat hij was geslagen met de kolf van een geweer op zijn been. Op de voet was een rood/ blauwe plek te zien van ongeveer vijf centimeter. [slachtoffer 1] vertelde verder aan zijn moeder dat [verdachte] zijn verhoorder was geweest. De moeder van [slachtoffer 1] kende [verdachte] , wist dat hij shabiha was en dat hij betrokken was bij het martelen van gedetineerden en demonstranten.
In het dossier bevindt zich openbronnen-onderzoek, uitgevoerd naar aanleiding van het getuigenverhoor van [slachtoffer 1] . Op 6 januari 2013 is er een Facebookbericht geplaatst door het profiel van [naam 8] bestaande uit een foto van [slachtoffer 1] . Uit de opmerkingen onder het bericht blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot [slachtoffer 1] : ‘(i) als God het wil, komen ze ongedeerd terug; (ii) Hij is een held en als God het wil, zal hij zichzelf redden; (iii) Moge God je veilig en wel terugbrengen.’De Facebookpagina van de ‘Jeugdbeweging voor Democratische Verandering in Syrië’ plaatste op 6 januari 2013 een bericht en een foto van [slachtoffer 1] , inhoudende: ‘ vrijheid voor [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is gisteren aangehouden in zijn zaak in de stad Salamiyah .’Op de webpagina van Violations Documentation Center in Syria stond informatie over de detentie en vrijlating van [slachtoffer 1] , namelijk dat hij op 5 januari 2013 is aangehouden en op 9 januari 2013 is vrijgelaten als gevolg van een gevangenenruil tussen het regime en het Vrije Leger.
6.3.2.2. Bewijsoverwegingen
6.3.2.2.1. Betrouwbaarheidsverweer herkenning
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte de verhoorder was van [slachtoffer 1] . Kortgezegd wijst de verdediging hierbij op het feit dat [slachtoffer 1] zijn verhoorder de eerste twee keer niet heeft gezien en stelt dat hij twijfelt over of de verhoorder bij het derde verhoor dezelfde stem had als bij zijn eerdere verhoren. Verder wijst de verdediging erop dat [slachtoffer 1] zich niet meer kan herinneren hoe hij de verdachte heeft omschreven aan zijn vriend, dat hij bij het Syrian Center for Media and Freedom of Expression heeft verklaard dat hij bij zijn derde verhoor door een andere verhoorder is verhoord en ten slotte dat de herkenning die later plaatsvond aan de hand van een foto op internet niet voldoende is, omdat de naam van de verdachte bij de foto stond. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar. Hij heeft in zijn verklaringen bij de Belgische politie en bij de rechter-commissaris gedetailleerd en consistent verklaard over zijn aanhouding, de detentie en de verhoren. Ten aanzien van de herkenning van de verdachte is het zo dat [slachtoffer 1] bij alle drie zijn verhoren dezelfde stem van de verhoorder hoorde. Bij zijn derde verhoor heeft hij de verhoorder ook gezien. Hij beschreef het uiterlijk van de verhoorder aan zijn vriend en medegevangene, die daarop aangaf dat dan de verdachte de verhoorder was geweest. Deze vriend kende de verdachte persoonlijk. Het was in Salamiyah verder bekend dat de verdachte een verhoorder was bij de NDF. [slachtoffer 1] herkende de naam van de verdachte toen zijn vriend deze noemde. Later heeft [slachtoffer 1] de verdachte zelf op een foto als zijn verhoorder herkend. De rechtbank vindt de herkenning al met al betrouwbaar, omdat deze uiteenvalt in meerdere onderdelen, die elkaar naarmate de tijd voortschreed steeds verder versterkten, totdat [slachtoffer 1] de verdachte uiteindelijk zelf op de foto herkende.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer 1] heeft verhoord.
6.3.2.2.2. Verweer medeplegen
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal van de feitelijke handelingen niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, omdat deze door iemand anders werden uitgevoerd. De verdachte had er geen rekening mee hoeven te houden dat andere aanwezigen het specifieke geweld met het geweer zouden toepassen en het geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] zouden houden.
De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meerdere anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van nauwe en bewuste samenwerking kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Al met al is de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de marteling en foltering van [slachtoffer 1] het volgende af. [slachtoffer 1] is gedurende zijn drie verhoren door de NDF - zoals later zal worden vastgesteld - gemarteld en gefolterd. Tijdens het derde verhoor werd de verdachte bijgestaan door twee leden van de NDF. [slachtoffer 1] werd tijdens dit verhoor vanuit meerdere richtingen geslagen. De verdachte en de twee NDF-leden deden dit samen en gelijktijdig. Op enig moment stak [naam 3] met een geweer in de voet van [slachtoffer 1] . Ook stak hij de loop van een geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] . De verdachte stopte hierna niet met het slaan van [slachtoffer 1] , noch met het verhoor. De rechtbank rekent daarom ook het steken van de loop van het geweer tussen de billen en in de voet van verdachte toe aan de verdachte. De verdachte - in zijn rol als verhoorder - en de twee NDF-leden martelden [slachtoffer 1] gezamenlijk. Het handelen van de verdachte en de andere twee bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. De rechtbank acht daarom het tenlastegelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
6.3.2.2.3. Marteling (feit 2)
De verdediging stelt dat er onvoldoende bewijs is voor het duwen van de loop tussen de billen en dat – indien dit aspect buiten beschouwing wordt gelaten – niet wordt voldaan aan de vereiste ‘ degree of seriousness’ van marteling.
De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het duwen van de loop van het geweer tussen de billen en verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank wijst hierbij op hetgeen [slachtoffer 1] hierover in zijn verhoren bij de Belgische politie en de rechter-commissaris heeft verklaard. De rechtbank ziet hiervoor ondersteuning in de omstandigheid dat [slachtoffer 1] na het duwen van de loop tussen zijn billen niet langer geholpen wilde worden in de cel bij het plassen en ervoor koos in zijn broek te plassen, en verwijst daarbij ook naar de verklaring van zijn moeder. Immers duidt dit er op dat [slachtoffer 1] onder geen beding meer wilde worden aangeraakt in de buurt van zijn billen en/of geslachtsdelen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte in vereniging gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
het tegen het gezicht van [slachtoffer 1] en zijn lichaam slaan;
het tegen het been van [slachtoffer 1] schoppen;
met een geweer op [slachtoffer 1] ’s tenen slaan; en
de loop van een geweer tussen de billen van [slachtoffer 1] duwen
(hierna tezamen: ‘de geweldshandelingen’).
De rechtbank is van oordeel dat de genoemde geweldshandelingen jegens [slachtoffer 1] zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. Het gaat om ernstig geweld, waarbij gebruik werd gemaakt van attributen om [slachtoffer 1] pijn te doen, uitgeoefend op meerdere momenten en voor langere duur, door meerdere personen. De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van marteling.
Onder verwijzing naar het juridisch kader inzake artikel 4 WimPro zoals hiervoor uiteengezet zal de rechtbank hieronder bespreken of de bewezenverklaarde marteling kan worden gekwalificeerd als een misdrijf tegen de menselijkheid. De Romeinse cijfers verwijzen naar de nummering van de bestanddelen in het juridisch kader.
(i), (ii) en (iii) een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking
De rechtbank concludeerde onder paragraaf 6.3.1.5. dat sprake was van een stelselmatige en wijdverbreide aanval op de burgerbevolking ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat.
(iv) nauw verband (nexus) tussen de handelingen van de verdachte en de aanval
De rechtbank heeft hiervóór het volgende vastgesteld. Vanaf 2012 werden de volkscomités en andere milities gereorganiseerd via de oprichting van de NDF. Het regime voorzag de NDF van wapens en andere middelen om burgers te doden, op te pakken, te martelen en onder zeer erbarmelijke omstandigheden vast te houden. Het gewelddadig optreden werd doelbewust door de Crisis Cel ingezet als middel om de bevolking vrees aan te jagen en diende ook ter onderdrukking van de bevolking met als doel het regime van al-Assad in het zadel te houden.
Bij de beoordeling van de vraag of de martelingen van [slachtoffer 1] deel uitmaakten van de wijdverbreide en stelselmatige aanval komt betekenis toe aan de kenmerken, het doel, de aard en gevolgen van de gepleegde handelingen. Dat in acht nemende, komt de rechtbank tot het oordeel dat het martelen van [slachtoffer 1] naadloos past in het hiervóór geschetste patroon. [slachtoffer 1] nam immers deel aan de demonstraties in Salamiyah . Hij is gearresteerd door de NDF en naar de tapijtfabriek - één van de locaties in gebruik bij de NDF - gebracht. Hier is hij meermalen verhoord en gemarteld, met als kennelijk doel om hem zodanig vrees aan te jagen dat hij zijn oppositie zou staken.
(v) wetenschap van de verdachte van de aanval en dat zijn gedraging deel uitmaakte van de aanval
De rechtbank concludeerde onder paragraaf 6.3.1.7. dat de verdachte gelet op zijn rol als verhoorder van de NDF moet hebben geweten dat sprake was van een aanval gericht tegen de burgerbevolking waarbij geweld tegen burgers werd ingezet om hen vrees aan te jagen. De vraag die openstaat is of de verdachte wist dat zijn gedragingen deel uitmaakten van de aanval. De verdachte heeft [slachtoffer 1] meermalen verhoord in een detentiecentrum van de NDF. Tijdens deze verhoren is [slachtoffer 1] geslagen, geschopt, is de loop van een geweer tussen zijn billen geduwd en is hij geslagen met een geweer.
Onder die omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, moet de verdachte hebben geweten dat deze handelingen deel uitmaakten van een wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim.
6.3.2.2.5. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 3)
Ter beoordeling ligt voor of de fysieke geweldshandeling gepleegd jegens [slachtoffer 1] , kwalificeert als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.2.1. vastgesteld dat de volgende fysieke geweldshandeling heeft plaatsgevonden:
- het vasthouden van [slachtoffer 1] en het duwen van de loop van een geweer tussen de billen.
Op grond van het dossier stelt de rechtbank verder vast dat de geweldshandeling eenmalig plaatsvond, tijdens één verhoor waarbij de verdachte als verhoorder optrad, bijgestaan door twee NDF-leden.
De rechtbank concludeert dat het duwen van de loop van een geweer tussen de billen moet worden gekwalificeerd als seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim. Het is een feit van algemene bekendheid dat de billen een lichaamsdeel zijn dat wordt geassocieerd met seksualiteit. Het duwen van een voorwerp tussen iemands billen is daarmee een inbreuk op diens fysieke integriteit. Daaraan doet niet af dat [slachtoffer 1] een broek aan had. Daarbij heeft [slachtoffer 1] het ook als een seksueel vernederende handeling ervaren, zo leidt de rechtbank af uit zijn verklaring. Het duwen van de loop van een geweer tussen iemands billen is verder degraderend voor het slachtoffer. De rechtbank betrekt hierbij ook de context waarin de geweldshandeling plaatsvond en wijst daarbij op de volgende vier aspecten: [slachtoffer 1] bevond zich in detentie, werd meerdere dagen achter elkaar verhoord, zijn handen waren geboeid achter zijn rug en gedurende de handeling werd hij door NDF-leden bij zijn armen vastgehouden. Gelet op deze aspecten concludeert de rechtbank eveneens dat er sprake was van dwang.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of is voldaan aan het tweede non-contextuele element, namelijk of het seksueel geweld van vergelijkbare ernst is als de in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim genoemde vormen van seksueel geweld.
De rechtbank is zich bewust van de heftigheid van de handeling en de gevolgen die dit heeft gehad voor [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] beschrijft ook hoe hij nadien hulp heeft gehad van een psycholoog om zijn trauma’s te verwerken. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat het gaat om een eenmalige handeling: het duwen van de loop tussen de billen vond één keer plaats. [slachtoffer 1] had een broek aan. De loop van het geweer duwde dus tegen zijn broek aan en er vond geen penetratie plaats. Dit maakt dat de rechtbank het duwen van de loop van het geweer tussen de billen, in dit geval niet van vergelijkbare ernst acht als de in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim genoemde vormen van seksueel geweld.
Gelet daarop spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het bij dagvaarding I onder 3 tenlastegelegde.
6.3.2.2.6. Foltering (feit 1)
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gemarteld met het oogmerk om van hem inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen over het al dan niet bieden van eerste hulp aan de gewapende oppositie. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het oogmerk had om hem vrees aan te jagen. Dit volgt uit de dreigementen die zijn geuit gedurende de verhoren om zijn moeder en zus te arresteren.
De verdachte martelde [slachtoffer 1] van overheidswege. Hij was immers een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie. [slachtoffer 1] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en zijn martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF, al dan niet in samenwerking met andere NDF-leden. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.3.
Dagvaarding I – [slachtoffer 2] (feiten 4 tot en met 6)
6.3.3.1. Feitelijke vaststellingen
Op 18 oktober 2013 viel de veiligheidsdienst de woning van de familie van [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2] ) binnen. De vader van [slachtoffer 2] werd meegenomen. Via de telefoon kreeg [slachtoffer 2] te horen dat hij zich moest melden bij de NDF. Hij sprak aan de telefoon met [naam 9] (hierna ook: [naam 9] ), die lid zou zijn van de NDF. [slachtoffer 2] werd door vier auto’s opgehaald en werd gebracht naar een boerderij ten westen van Salamiyah . [naam 9] was daar ook bij aanwezig. [slachtoffer 2] was op dat moment niet geblinddoekt. Daarna werd hij wel geblinddoekt en geboeid. Hij zat in een cel en werd meegenomen voor verhoren.
[slachtoffer 2] is door de verdachte verhoord. Hij heeft de verdachte gezien tijdens zijn verhoren. Eerst hoorde hij zijn stem, toen wist hij het nog niet 100 procent zeker. Hij zag de verdachte voor de eerste keer van onder zijn blinddoek toen hij ondersteboven was opgehangen. Hij heeft de verdachte makkelijk kunnen herkennen, omdat hij hem goed kende. De verdachte kwam bij zijn vaders groentekraam op de markt, in ieder geval een keer in de week. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] de verdachte ook in het ouderlijk huis van de verdachte ontmoet. Hij zegt dat hij hem voorafgaand aan zijn detentie meer dan 100 keer heeft gezien.
[slachtoffer 2] hoorde dat hij werd beschuldigd van het meedoen aan demonstraties, het hebben van banden met terroristen en het dragen van wapens tegen het regime. Tijdens één van de verhoren dreigde de verdachte om zijn vader opnieuw op te pakken en hem, zijn moeder, broertje en geliefde te doden.
[slachtoffer 2] werd vier keer verhoord. De verdachte was bij al deze verhoren aanwezig. Hij werd ondersteboven opgehangen, geboeid aan enkels en polsen. Hij werd door meerdere personen geslagen. Hij kreeg schoppen tegen zijn hoofd. De verdachte sloeg zo hard tegen zijn kaak dat hij dagen niet kon eten en heeft hem herhaaldelijk geslagen op zijn oog. Hij werd geslagen met een lederen riem, een viervoudige elektriciteitskabel, een stok, een ketting en een slipper. Verder heeft de verdachte hem in meerdere verhoren geëlektrocuteerd met twee kabels tegen zijn voeten.
Er is twee of drie keer geweld uitgeoefend op het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] door de verdachte. Zo is met een riem op zijn geslachtsdeel geslagen. De verdachte sloeg op zijn achterwerk, pakte zijn bil en kneep. Dit gebeurde meerdere keren. De verdachte heeft ook zijn hak in het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] gedrukt, bewoog toen zijn voet heen en weer en zei: “Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf?”. [slachtoffer 2] was naakt tijdens het geweld tegen zijn geslachtsdeel.
[slachtoffer 2] heeft tot slot gezien dat medegevangenen werden mishandeld en letsel hadden. Zij vertelden hem dat de verdachte hen had geslagen op momenten dat zij samen in de cel zaten.
De verdediging heeft bepleit dat de verklaring van [slachtoffer 2] niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat zijn verklaring niet betrouwbaar zou zijn. Kortgezegd wijst de verdediging hierbij op het feit dat [slachtoffer 2] pas op een later moment heeft verklaard over (seksuele) geweldshandelingen en het ontkleed zijn tijdens de verhoren. Volgens de verdediging zijn deze handelingen op deze latere momenten – al dan niet bewust – steviger aangezet. Verder stelt de verdediging dat de verklaring van [slachtoffer 2] op essentiële punten sterk afwijkt van de verklaring van [slachtoffer 7] (hierna ook: [slachtoffer 7] ), terwijl zij juist naar eigen zeggen samen gedetineerd zijn geweest.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer 2] is over een periode van meerdere jaren door verschillende instanties verhoord. In iedere verklaring heeft hij consistent verklaard over de aanloop naar de detentie, de detentie, de verhoren, de betrokken personen en de handelingen.
Dat hij over bepaalde handelingen of feitelijkheden pas op een later moment heeft verklaard is, naar het oordeel van de rechtbank, ingegeven door het feit dat er pas op dát moment specifiek en direct naar werd gevraagd en doorgevraagd. [slachtoffer 2] begon hier immers niet zelf over. Verder overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] diens verklaring over het zich wel of niet branden aan de verwarming, voor de verdachte juist in ontlastende zin heeft aangepast. Voor wat betreft het uiteenlopen van de verklaringen van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat beiden verklaren geblinddoekt te zijn geweest. Tevens bevonden zij zich in een zeer stressvolle situatie waardoor het aannemelijk is dat zij niet dezelfde details hebben waargenomen of in meer of mindere mate niet bezig zijn geweest met andere personen dan henzelf.
De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 2] dan ook betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs.
6.3.3.2.2. Ander bewijs
De verklaring van [slachtoffer 2] vindt steun in onder meer de verklaringen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [naam 10] . [slachtoffer 3] , die heeft verklaard dat hij van 20 tot 24 oktober 2013 op de boerderij ten westen van Salamiyah gedetineerd was, benoemt dat hij na zijn eigen verhoor in de cel kwam en daar zijn goede vriend [slachtoffer 2] zag. [slachtoffer 2] was de eerste persoon die hij tegenkwam in detentie bij de NDF op de boerderij ten westen van Salamiyah . [slachtoffer 7] omschrijft dat hij samen met [slachtoffer 2] werd verhoord en dat zij van dezelfde feiten werden beschuldigd. Hij heeft bij [slachtoffer 2] sporen van letsel gezien bij zijn pols en enkel, van toen hij opgehangen werd. Tot slot heeft [slachtoffer 3] op het moment dat hij op de boerderij ten westen van Salamiyah was en naar een kamer werd gebracht een stem van een andere gedetineerde gehoord. Die stem was van een oud-leerling van hem, genaamd [slachtoffer 2] . [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 2] wijzen alle drie de verdachte aan als verhoorder.
De rechtbank overweegt dat met deze drie verklaringen de door [slachtoffer 2] verklaarde detentieperiode, aanwezigheid van de verdachte, rol van de verdachte als verhoorder en gepleegde geweldshandelingen worden ondersteund.
In het dossier bevindt zich een foto van de enkels van [slachtoffer 2] , genomen bij de rechter-commissaris, waarop verkleuringen rondom de enkel zijn te zien. Verder is er een medische verklaring van een arts overgelegd. In deze verklaring worden verschillende fysieke letsels genoemd, die passen bij de door [slachtoffer 2] benoemde geweldshandelingen, zoals het breken van de kaak en het ophangen aan de enkels. De rechtbank is van oordeel dat de letselbeschrijving, evenals de foto’s bij de rechter-commissaris, steun bieden voor de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen.
Verder bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen van de politie waarin gewezen wordt op een bericht van een nieuwssite [nieuwssite] met de titel ‘Photos of more than 200 detainees, including children, in National Defense prisons’. [slachtoffer 3] heeft toegelicht dat [slachtoffer 2] op een van de foto’s staat. Ook wordt een facebookbericht benoemd waarin de data van de detentie van [slachtoffer 2] worden vermeld.
6.3.3.2.3. Marteling (feit 5)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde (fysieke) (gewelds)handelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
- tegen [slachtoffer 2] ’s lichaam slaan met een stok en een leren riem en een ijzeren ketting,
- de handen van [slachtoffer 2] op zijn rug binden en zijn voeten vastbinden en hem ondersteboven aan een touw hangen,
- een elektrische kabel tegen het lichaam van [slachtoffer 2] houden,
- op het hoofd van [slachtoffer 2] stampen,
- slaan met een riem op het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] en met de hak drukken op zijn geslachtsdeel en in/op zijn achterwerk knijpen en slaan, en
- [slachtoffer 2] blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
(hierna tezamen: ‘de geweldshandelingen’).
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 2] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. [slachtoffer 2] werd vier keer op verschillende dagen verhoord, waarbij iedere keer grof geweld werd toegepast, gedreigd werd met gevangenschap en/of de dood van familieleden en hij volledig was overgeleverd aan de verdachte en de andere NDF-leden die aanwezig waren. De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
6.3.3.2.4. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 6)
Ter beoordeling ligt voor of bepaalde (fysieke) (gewelds)handelingen die de verdachte jegens [slachtoffer 2] heeft gepleegd, kwalificeren als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g van de Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid.
De officier van justitie heeft in dat kader verschillende feitelijkheden en bepaalde omstandigheden ten laste gelegd. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.3.1. vastgesteld dat de volgende (fysieke) (gewelds)handelingen hebben plaatsgevonden:
het meerdere malen slaan op en knijpen in de billen van [slachtoffer 2] ;
het slaan met een riem op het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] , het meermalen met de hak van de voet duwen op het geslachtsdeel en deze hak heen en weer bewegen;
terwijl [slachtoffer 2] naakt was tijdens deze handelingen; en dat
deze handelingen gepaard gingen met de woorden: “Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf?”
Op grond van het dossier stelt de rechtbank verder vast dat de geweldshandelingen achtereenvolgens en in een kort tijdsbestek plaatsvonden, tijdens één verhoor en door één persoon, namelijk de verdachte. Gelet hierop komt zij tot de conclusie dat de geweldshandelingen als één geheel moeten worden beschouwd en als zodanig dienen te worden beoordeeld. Bij de beoordeling zal de rechtbank de geweldshandelingen daarom tezamen en in onderlinge samenhang toetsen aan het toepasselijke juridisch kader.
Seksueel geweld
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of de geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als geweld van seksuele aard. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van het kader zoals onder paragraaf 5.1.3. opgesteld.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat de billen en het geslachtsdeel lichaamsdelen zijn die met seksualiteit worden geassocieerd. In dit geval waren de geweldshandelingen specifiek gericht tegen deze lichaamsdelen, waarbij de lichaamsdelen ontbloot waren tijdens de uitoefening van het geweld. Uit het feit dat het meerdere achtereenvolgende geweldshandelingen/aanrakingen van de billen en geslachtsdelen betreft – op verschillende wijzen uitgeoefend – leidt de rechtbank af dat de verdachte deze lichaamsdelen doelbewust heeft gekozen.
De rechtbank overweegt daarnaast dat de aard van de geweldshandelingen en de wijze waarop deze werden uitgeoefend op zichzelf al een schending van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] opleveren. Naast de aard van de geweldshandelingen betrekt de rechtbank hierbij ook de context waarin de geweldshandelingen plaatsvonden. [slachtoffer 2] zat als minderjarige in detentie, werd meerdere dagen achter elkaar verhoord, waarbij hij volledig geboeid en op sommige dagen ook naakt was.
Tot slot hebben de geweldshandelingen naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm seksuele vernedering tot doel gehad. De rechtbank wijst daarbij onder meer op de verbale uitlatingen van de verdachte tijdens het geweld, de omstandigheid dat [slachtoffer 2] naakt was en de verklaring van [slachtoffer 2] , die het genoemde geweld als vernederend heeft ervaren.
In het dossier bevindt zich geen aanknopingspunt dat de verdachte een seksuele intentie had bij het plegen van de geweldshandelingen en zodoende valt dit niet vast te stellen. Het ontbreken van een seksuele intentie bij de verdachte zou volgens de verdediging moeten leiden tot de conclusie dat de genoemde geweldshandelingen niet als seksueel geweld gekwalificeerd kunnen worden.
De rechtbank acht de al dan niet seksuele intentie van de verdachte in dit specifieke geval echter niet doorslaggevend. Bij de vaststelling of bepaald geweld van seksuele aard is, moet – zoals uiteengezet in het kader onder paragraaf 5.1.3. – worden gekeken naar de feiten en omstandigheden van het geval en de verschillende (niet constitutieve) vereisten die daaraan kunnen worden gesteld. Daarbij kan de intentie van de dader zwaar wegen, maar dat hoeft niet. De rechtbank weegt in dit geval de hierboven toegelichte factoren, te weten de schending van de lichamelijke en morele integriteit van [slachtoffer 2] , de vernederende aard van de geweldshandelingen en de doelbewuste keuze van de verdachte om geweld te plegen tegen lichaamsdelen die geassocieerd worden met seksualiteit, zwaarder mee.
Tot slot dient de rechtbank vast te stellen dat er sprake was van dwang. Het seksueel geweld vond plaats terwijl [slachtoffer 2] gedetineerd was. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] gedurende het seksueel geweld geboeid was. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van dwang.
De rechtbank concludeert dat de geweldshandelingen, in onderlinge samenhang bezien, gekwalificeerd kunnen worden als seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g van de Wim.
Vergelijkbare ernst
De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of dit seksuele geweld van vergelijkbare ernst is als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim.
De rechtbank stelt vast dat het seksuele geweld meerdere handelingen betreft die specifiek tegen het geslachtsdeel en de billen waren gericht en werden uitgeoefend met verschillende voorwerpen en op verschillende wijzen, namelijk het met slaan met een riem en hand, het duwen en draaien met de hak en het knijpen met de hand. De handelingen vonden achtereenvolgens plaats terwijl [slachtoffer 2] volledig geboeid en naakt was, waarmee [slachtoffer 2] zich in een situatie van complete afhankelijkheid bevond en zich op geen enkele manier kon verweren.
Het seksuele geweld ging daarnaast gepaard met verbale uitlatingen: “Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf?”. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geïnterpreteerd dan als een doelbewuste dreiging met castratie in de richting van [slachtoffer 2] . De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat het slaan/duwen op het geslachtsdeel in combinatie met die woorden, de reële angst bij [slachtoffer 2] moet hebben opgeleverd dat hij daadwerkelijk gecastreerd zou worden. Hij was op dat moment immers al uren tot meerdere dagen gemarteld, had geen uitzicht dat zijn verhoren, laat staan zijn detentie, op korte termijn zouden eindigen en heeft zelf verklaard dat het geweld wreder werd naarmate de tijd vorderde.
De rechtbank weegt verder zwaar mee dat [slachtoffer 2] ten tijde van zijn detentie en het seksuele geweld slechts 17 jaar oud was, in tegenstelling tot de verdachte die een veel oudere, volwassen man was; de verdachte opdrachten aan anderen gaf voor de martelingen in zijn hoedanigheid als verhoorder en zelf het seksuele geweld tegen [slachtoffer 2] uitvoerde.
Tot slot heeft het seksuele geweld forse mentale gevolgen gehad voor [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat het seksuele geweld tegen hem zo’n grove normschending oplevert, dat het niet anders kan zijn dan dat de psychische problematiek waar hij naar eigen zeggen mee kampt in ieder geval deels het directe gevolg is van het seksuele geweld dat de verdachte heeft uitgeoefend.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de aard en de intensiteit van het seksuele geweld, de reële dreiging met gedwongen castratie, de weerloze situatie van [slachtoffer 2] , het feit dat hij als minderjarige door de verdachte in deze situatie is gebracht en de gevolgen die het seksuele geweld voor hem heeft gehad meebrengen dat sprake is geweest van seksueel geweld van vergelijkbare ernst als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim.
Wetenschap
De rechtbank overweegt dat ook aan het laatste vereiste – de wetenschap van de verdachte – is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen andere uitleg mogelijk dan dat de verdachte wist van, en inzicht had in, de ernst van zijn handelen, nu hij als verhoorder een minderjarige jongen, geboeid en naakt, doelbewust sloeg en met zijn hak drukte op zijn geslachtsdeel.
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich jegens [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst.
Hierboven is door de rechtbank overwogen dat seksueel geweld en marteling wijdverbreid en stelselmatig werden ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Zowel seksueel geweld als marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat het seksueel geweld en de marteling zoals door hem gepleegd tegen [slachtoffer 2] onderdeel uitmaakten van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim en aan enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro g Wim.
6.3.3.2.6. Foltering (feit 4)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 WimPro. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft gemarteld met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te krijgen over het meedoen aan demonstraties, het hebben van banden met terroristen en het dragen van wapens tegen het regime. [slachtoffer 2] is ook gemarteld met het oogmerk om hem vrees aan te jagen. Dit volgt uit de dreigementen die zijn geuit gedurende de verhoren om zijn vader opnieuw op te pakken en hem, zijn moeder, broertje en geliefde te doden.
Dat de martelingen werden gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 2] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF, in samenwerking met leden van de NDF. De verdachte handelde in de uitoefening van zijn functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.3.2.7. Medeplegen
Op grond van het procesdossier en het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 2] is viermaal verhoord. Gedurende deze verhoren is hij gemarteld, gefolterd en is hij het slachtoffer geworden van seksueel geweld. De verdachte was aanwezig bij de vier verhoren. Hij was de verhoorder en heeft samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 2] . Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.
6.3.4.
Dagvaarding I – [slachtoffer 3] (feiten 7 tot en met 9)
6.3.4.1. Feitelijke vaststellingen
Op 20 oktober 2013 werd [slachtoffer 3] gearresteerd door de NDF en beschuldigd van het dragen van een wapen, deelname aan operaties tegen het leger en de NDF en het opzetten van terroristische daden. Op 20 oktober 2013 werd eerst de broer van [slachtoffer 3] meegenomen, waarna ze hem belden en vertelden dat ze zijn broer hadden opgepakt. Als hij zich niet zou melden zouden ze ook zijn moeder arresteren. [slachtoffer 3] heeft zich toen samen met zijn moeder, oom en iemand van de familie die contacten had met de regering, gemeld bij het hoofdkwartier van de militie in Salamiyah . Ze reden daar zelf naartoe, [slachtoffer 3] kon alles zien. Het was een boerderij van iemand in het gebied genaamd [boerderij] (de rechtbank begrijpt de boerderij ten westen van Salamiyah ).
Hij werd door iemand opgehaald en naar een kamer gebracht. Voor die kamer moest hij knielen, werden zijn handen achter zijn rug vastgebonden en kreeg hij een blinddoek om. Vervolgens moest hij de kamer in lopen. Hij hoorde de verhoorder zeggen: “Niemand mag hem slaan tot zijn familie hier is vertrokken”. Een half uur later kwam de broer van [slachtoffer 3] binnen. Hij herkende zijn stem toen hij binnenkwam. De verdachte stelde vragen aan de broer van [slachtoffer 3] en sloeg hem. [slachtoffer 3] hoorde de klappen. Een tijd later mocht de broer van [slachtoffer 3] met zijn familie mee naar huis.
De verdachte vroeg [slachtoffer 3] wat zijn probleem was tegen Bashar al-Assad. Hij vroeg of hij soms met de moeder van [slachtoffer 3] naar bed was gegaan. Hierna begon hij met een kabel te slaan. Hij wilde dat [slachtoffer 3] acties tegen het leger zou bekennen. Twee uur lang werd [slachtoffer 3] geslagen en verhoord door de verhoorder. Er waren ook anderen in de kamer die hem sloegen. Zijn voeten werden vastgebonden aan een geel plastic touw en hij werd ondersteboven opgehangen. Hij hing zo laag dat zijn voorhoofd de grond raakte en zijn handen waren op zijn rug gebonden. Hij droeg alleen nog zijn onderbroek. Na een tijd voelde [slachtoffer 3] niets meer en werd hij een poos onwel. Er werd water over hem heen gegooid waardoor hij zijn bewustzijn terugkreeg. Hij zei toen dat hij alles zou bekennen wat zij maar wilden. Toen hebben ze hem losgemaakt. [slachtoffer 3] vertelde hun dat hij wapens gedragen had en noemde willekeurige namen van mensen uit Salamiyah die bij de oppositie hoorden.
[slachtoffer 3] werd een tweede keer ondersteboven gehangen en gemarteld. Hierbij werd hij nog meer en nog harder geslagen. De meeste slagen kreeg hij op de achterkant van zijn bovenbeen, dij, onderbeen en rug. Zijn hele gezicht raakte de grond, omdat hij lager hing. De verdachte trapte tegen zijn onderrug, dat deed zoveel pijn dat hij weer buiten westen raakte. Hij werd steeds door andere mannen geslagen. [slachtoffer 3] werd tijdens het verhoor ook geëlektrocuteerd. Zijn handen waren bij elkaar gebonden en opeens voelde hij een heet brandend gevoel in zijn handen. Hij besefte dat het elektriciteit was. De verdachte heeft hem twee keer via zijn handen geëlektrocuteerd, ongeveer tien minuten na elkaar. [slachtoffer 3] lag daarbij op de grond en kon zich niet meer bewegen. Er ging iemand op zijn hoofd staan en [naam 2] spuugde in zijn mond. De verdachte schopte met zijn militaire laarzen tegen zijn mond (hij zei: je moet mijn militaire laarzen opeten), in zijn buik en tegen zijn geslachtsdelen. Hij zei dat hij dat deed zodat [slachtoffer 3] geen nageslacht zou kunnen voortbrengen. De verdachte wilde niet dat [slachtoffer 3] kinderen zou krijgen, aldus [slachtoffer 3] . Uiteindelijk moest hij zijn vingerafdruk achterlaten op een verklaring. Ze deden inkt op zijn vinger en drukten die op de verklaring. Dit was midden in de nacht, terwijl hij zich in de ochtend had gemeld.
De martelingen hebben veertien uur geduurd. Daarna sleepten zij [slachtoffer 3] naar een kamer waar tien tot vijftien andere gevangenen zaten. Onderweg stootten zij zijn hoofd tegen twee ijzeren palen.
In de collectieve cel zag [slachtoffer 3] andere gevangenen, onder meer zijn vriend [slachtoffer 2] . Hij herkende hem maar lastig, omdat zijn hoofd gezwollen was, zijn ogen blauw en zijn voeten zo dik waren van het ondersteboven hangen. Zijn haar zat vol met geronnen bloed. Hij was ook heel mager. Andere gevangenen waren erg toegetakeld. Op een bepaald moment is [slachtoffer 3] ook aanwezig geweest bij een verhoor van [slachtoffer 7] . Hier hoorde hij hoe [slachtoffer 7] werd geslagen en hoe [slachtoffer 7] smeekte om genade. Later heeft hij letsel bij [slachtoffer 7] waargenomen.
Op 24 oktober 2013 is [slachtoffer 3] overgebracht naar Damascus .
Tijdens het verhoor vertelde de verdachte aan [slachtoffer 3] wie hij was. Hij stelde zich voor. [slachtoffer 3] wist wie ‘ [verdachte] ’ was. [slachtoffer 3] werkte in een winkel waar schoonmaakmiddelen en hulpmiddelen werden verkocht. Uit die winkel bracht hij wel eens hulpmiddelen en pampers naar de moeder van de verdachte, die slecht ter been was. Hij had de verdachte ook al eens eerder gezien en begroet. Toen het verhoor klaar was en [slachtoffer 3] naar een cel werd gebracht en zijn blinddoek af was, heeft hij het gezicht van de verdachte en van [naam 22] gezien. Na zijn vrijlating uit detentie heeft de verdachte meerdere malen contact gezocht met [slachtoffer 3] om zijn excuses aan te bieden. Hij zei dat hij gedwongen werd en dat hij nu ook aan de kant van [slachtoffer 3] en anderen stond.
6.3.4.2. Bewijsoverwegingen
6.3.4.2.1. Verweer herkenning van de verdachte
De verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer 3] tegenstrijdig heeft verklaard over de herkenning van de verdachte. Zij wijst daarbij onder meer op de herkenning van de stem van de verdachte door [slachtoffer 3] , waar hij in een later verhoor op terug is gekomen.
De rechtbank ziet dat [slachtoffer 3] op punten tegenstrijdig heeft verklaard over de herkenning van de verdachte. Dat betreft de stemherkenning en het Alawitische accent dat de verdachte zou hebben aangenomen tijdens het verhoor. Deze twee aspecten maakt [slachtoffer 3] zijn verklaring over de herkenning van de verdachte niet direct onbetrouwbaar.
[slachtoffer 3] heeft verklaard dat de verdachte tijdens het verhoor zelf aan hem vertelde dat hij ‘ [verdachte] ’ was en dat hij de verdachte kende, omdat hij hulpmiddelen bij de invalide moeder van de verdachte bracht. Ook de specifieke opmerking van [slachtoffer 3] , die [slachtoffer 3] blijkens zijn verklaring tijdens het verhoor maakte, namelijk: “Bij Allah, [verdachte] stop deze marteling”, acht de rechtbank in dit kader sprekend. Daarnaast heeft [slachtoffer 3] verklaard dat hij de verdachte vanuit zijn cel door een gat in de deur heeft gezien, zijn hele lichaam. Hij was buiten. [slachtoffer 3] zijn blinddoek was toen een beetje omhoog. De verdachte stond daar te praten. De verdachte wilde verder na de detentie van [slachtoffer 3] excuses aan hem maken en heeft dat ook gedaan.
De rechtbank vindt dat [slachtoffer 3] over al deze factoren gedetailleerd, authentiek en consistent heeft verklaard.
Tot slot vindt zijn verklaring dat het om de verdachte ging, steun in de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] , die tegelijkertijd met [slachtoffer 3] op dezelfde locatie waren gedetineerd.
De rechtbank verwerpt het verweer.
6.3.4.2.2. Ander bewijs
De verklaring van [slachtoffer 3] vindt allereerst steun in de verklaring van de broer van [slachtoffer 3] , [naam 10] . Hij bevestigt de verklaring van [slachtoffer 3] ten aanzien van zijn arrestatie en dat [slachtoffer 3] zich vervolgens kwam melden. [naam 10] heeft voorts verklaard wat [slachtoffer 3] na zijn detentie aan hem heeft verteld en ook verklaard over het letsel dat zijn broer heeft overgehouden aan de marteling. Ook vindt de verklaring van [slachtoffer 3] steun in de verklaring van [slachtoffer 7] . [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 3] gedetineerd was en dat hij de verdachte de opdracht heeft horen geven om [slachtoffer 3] te halen voor verhoor. [slachtoffer 7] heeft tevens verklaard dat zij samen werden verhoord. [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat hij [slachtoffer 3] in de cel heeft gezien en heeft gezien dat hij letsel had.
Verder is naar aanleiding van openbronnen-onderzoek een Facebookbericht van het account van ‘ [groep 1] ’ aangetroffen waarin de detentieperiode van [slachtoffer 3] wordt bevestigd.
Ten aanzien van de detentielocatie merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] de coördinaten van die locatie aan de politie heeft verstrekt en dat ook de verdachte op die locatie te plaatsen is als verhoorder. [slachtoffer 3] is daarnaast terug geweest naar de detentielocatie, waar hij verschillende foto’s en filmpjes van de locatie heeft gemaakt.
6.3.4.2.3. Marteling (feit 8)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
[slachtoffer 3] met een stok en een kabel tegen zijn rug en/of lichaam slaan;
de handen van [slachtoffer 3] op zijn rug binden en zijn voeten vastbinden, hem ondersteboven aan een touw hangen en hem slaan tegen zijn rug en benen, terwijl hij enkel een onderbroek droeg;
tegen de rug van [slachtoffer 3] schoppen;
een voorwerp onder stroom tegen de armen en handen van [slachtoffer 3] aanhouden;
tegen het hoofd, in de buik en tegen de geslachtsdelen van [slachtoffer 3] schoppen;
met handen en vuisten tegen het lichaam van [slachtoffer 3] slaan en stompen; en
[slachtoffer 3] blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 3] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en letsel, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. [slachtoffer 3] werd veertien uur achter elkaar verhoord, waarbij hij bijna continu werd mishandeld, geboeid en/of geblinddoekt was. Er werden verschillende martelmethodes op hem toegepast en hij nam waar hij hoe zijn vriend [slachtoffer 2] toegetakeld was en hoe [slachtoffer 7] werd mishandeld.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
6.3.4.2.4. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 9)
Ter beoordeling ligt voor of bepaalde (fysieke) (gewelds)handelingen die de verdachte jegens [slachtoffer 3] heeft gepleegd, kwalificeren als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g van de Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid.
De officier van justitie heeft in dat kader verschillende feitelijkheden en bepaalde omstandigheden ten laste gelegd. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.4.1. vastgesteld dat de volgende (fysieke) (gewelds)handelingen hebben plaatsgevonden:
een schop op de geslachtsdelen van [slachtoffer 3] ;
terwijl [slachtoffer 3] enkel gekleed was in zijn onderbroek en geboeid en geblinddoekt was; en dat
deze handeling gepaard ging met de woorden: “Om nageslacht te voorkomen”
Bij de beoordeling zal de rechtbank de geweldshandelingen tezamen en in onderlinge samenhang toetsen aan het toepasselijke juridisch kader.
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als geweld van seksuele aard. De rechtbank stelt allereerst vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat de geslachtsdelen lichaamsdelen zijn die met seksualiteit worden geassocieerd. In dit geval waren de geweldshandelingen specifiek gericht tegen deze lichaamsdelen. Uit het feit dat het een harde schop op de geslachtsdelen betreft, vergezeld door de woorden “Om nageslacht te voorkomen”, leidt de rechtbank af dat de verdachte deze lichaamsdelen doelbewust heeft gekozen.
De rechtbank overweegt daarnaast dat de aard van de geweldshandelingen en de wijze waarop deze werden uitgeoefend op zichzelf al een schending van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 3] opleveren. Naast de aard van de geweldshandelingen betrekt de rechtbank hierbij ook de context waarin de geweldshandelingen plaatsvonden. [slachtoffer 3] zat in detentie, werd gedurende een dag meer dan veertien uren verhoord, waarbij hij geboeid en geblinddoekt was.
Tot slot hebben de geweldshandelingen naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm seksuele vernedering tot doel gehad. De rechtbank wijst daarbij onder meer op de verbale uitlatingen van de verdachte tijdens het geweld, de omstandigheid dat [slachtoffer 3] alleen een onderbroek aan had en de verklaring van [slachtoffer 3] zelf, die het genoemde geweld als vernederend heeft ervaren.
In het dossier bevindt zich geen aanknopingspunt dat de verdachte een seksuele intentie had bij het plegen van de geweldshandelingen en zodoende valt dit niet vast te stellen. Het ontbreken van een seksuele intentie bij de verdachte zou volgens de verdediging moeten leiden tot de conclusie dat de genoemde geweldshandelingen niet als seksueel geweld gekwalificeerd kunnen worden.
De rechtbank acht de al dan niet seksuele intentie van de verdachte in dit specifieke geval echter niet doorslaggevend. Bij de vaststelling of bepaald geweld van seksuele aard is, moet – zoals uiteengezet in het kader onder paragraaf 5.1.3. – worden gekeken naar de feiten en omstandigheden van het geval en de verschillende (niet constitutieve) vereisten die daaraan kunnen worden gesteld. Daarbij kan de intentie van de dader zwaar wegen, maar dat hoeft niet. De rechtbank weegt in dit geval de hierboven toegelichte factoren, te weten de schending van de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 3] , de vernederende aard van de geweldshandelingen en de doelbewuste keuze van de verdachte om geweld te plegen tegen lichaamsdelen die geassocieerd worden met seksualiteit, zwaarder mee.
Tot slot dient de rechtbank vast te stellen dat sprake was van dwang. Het seksueel geweld vond plaats terwijl [slachtoffer 3] gedetineerd was. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] tijdens het seksueel geweld geboeid en geblinddoekt was.
De rechtbank concludeert dat de geweldshandelingen, in onderlinge samenhang bezien, gekwalificeerd kunnen worden als seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g van de Wim.
De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of dit seksuele geweld van vergelijkbare ernst is als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lidPro onder g, Wim. De rechtbank acht dat niet het geval, nu sprake is geweest van één enkele schop tegen de geslachtsdelen, vergezeld van de verbale uitlating “Om nageslacht te voorkomen”. Hoewel de rechtbank de impact daarvan op [slachtoffer 3] niet onderschat, komt zij tot het oordeel dat niet kan worden gesproken van vergelijkbare ernst als de andere seksuele misdrijven genoemd in artikel 4 lidPro onder g, Wim.
De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het bij dagvaarding I onder 9 tenlastegelegde.
Hierboven heeft de rechtbank overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat de marteling van [slachtoffer 3] onderdeel uitmaakte van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim.
6.3.4.2.6. Foltering (feit 7)
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 3] heeft gemarteld met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te krijgen over kort gezegd gedragingen gericht tegen het regime.
Dat de martelingen werden gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 3] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door een verhoorder van de NDF, in samenwerking met leden van de NDF. De verdachte en de leden van de NDF handelden in de uitoefening van hun functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.4.2.7. Medeplegen
Uit het dossier en het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 3] is veertien uur lang verhoord. Gedurende deze verhoren is hij gemarteld en gefolterd. De verdachte was aanwezig bij dit verhoor. Hij was de verhoorder en heeft samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 3] . Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.
6.3.5.
Dagvaarding I – [slachtoffer 7] (feiten 18 en 19)
6.3.5.1. Feitelijke vaststellingen
Detentieperiode en locatie
[slachtoffer 7] heeft twee verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris. Hij heeft verklaard dat hij op 14 of 18 oktober 2013 werd aangehouden door de NDF. [slachtoffer 7] was thuis met zijn broer toen de NDF aan de deur kwam. Zijn broer deed de deur open en zei dat [slachtoffer 7] niet thuis was. De NDF heeft zijn broer opgepakt zodat [slachtoffer 7] zich zou aangeven. [slachtoffer 7] heeft zich vervolgens op straat gemeld bij het oude gemeentehuis en is vanaf daar met de auto naar een boerderij gebracht, ongeveer twee kilometer ten westen van Salamiyah . Ze hebben hem naar een kamer gebracht. Daar werd tegen hem gezegd: ‘Wacht hier tot de verhoorder komt.’ Iemand kwam de cel binnen en zei tegen hem: ‘ga met je gezicht tegen de muur staan met je handen naar achteren’. [slachtoffer 7] werd toen geboeid en geblinddoekt, en werd beschuldigd van terrorisme. Hij denkt dat hij ongeveer een week op de boerderij heeft vastgezeten.
De verhoorder kwam de cel binnen en gaf leden van de NDF de opdracht om [slachtoffer 7] mee te sleuren. Op dat moment kon hij de verhoorder van onder zijn blinddoek voor een moment, ongeveer een deel van een seconde, zien. Ook verschoof de blinddoek tijdens het mishandelen en het slaan. Het gezicht dat hij op dat moment zag, was van iemand met relatief dikke wenkbrauwen, een bril en een baard. De verhoorder was gezet, dikkig. [slachtoffer 7] heeft de verdachte na zijn vrijlating op foto’s gezien en herkend. Tevens had hij voorafgaand aan zijn detentie al een keer een foto van de verdachte gezien op sociale media, met daarbij de waarschuwing dat dit iemand van de NDF betrof.
Nadat [slachtoffer 7] al mishandeld was, werd hem verteld wat de beschuldigingen waren. De NDF heeft hem ervan beschuldigd deel te nemen aan demonstraties, lid te zijn van bataljon [bataljon] en van lidmaatschap van een gewapende groepering.
[slachtoffer 7] is vier tot zeven keer verhoord. De mishandelingen en martelingen werden uitgevoerd door meerdere NDF-leden. De verhoren werden uitsluitend door de verdachte gedaan. 90 tot 95 procent van de tijd dat hij zich in de verhoorkamer bevond, was de verdachte aanwezig. De verdachte hield toezicht op de martelingen.
Tijdens een van de verhoren werd hij één of twee uur lang achter elkaar door geslagen totdat de NDF-leden moe werden. Vervolgens stopten ze hem in een ruimte waarvan hij denkt dat het een badkamer was. Het was daar ijskoud. Dit werd bewust gedaan, omdat als je lichaam koud wordt na zo’n flinke mishandeling, je blauwe en rode plekken krijgt op je lichaam en zo wisten ze waar ze moesten duwen om hem te pijnigen, aldus [slachtoffer 7] . [slachtoffer 7] werd mishandeld in verschillende houdingen: staand, hangend, soms op zijn knieën. Er was in het midden een touw dat aan het plafond hing. Ze maakten zijn voeten vast aan het touw en hij werd vervolgens omhoog gehesen als een schaap. Zijn hoofd hing naar beneden. Dat is meer dan één keer gebeurd, aldus [slachtoffer 7] . Zijn hoofd raakte de grond en ze bewogen het touw, waardoor hij heen en weer ging. [slachtoffer 7] voelde zijn hoofd de grond raken. Hij werd dan ook geschopt en geslagen. Dat hield niet op. De handen van [slachtoffer 7] waren op zijn rug geboeid en hij was geblinddoekt. Hij werd met handen, met platte hand, en vuisten geslagen. Ook werd hij geschopt en getrapt met militaire schoenen. Op een gegeven moment werden de NDF-leden moe. Toen gebruikten zij voorwerpen om mee te slaan zoals stokken en touw. De verdachte heeft een pistool in zijn mond gezet zei: “Als je niet praat, ga ik je doodschieten.” [slachtoffer 7] werd meerdere malen op zijn schouder geslagen. Hierdoor is zijn schouder gevoelig geworden en heeft hij een blijvend litteken op zijn linkerschouder. In de cel moesten de gedetineerden soms ook een paar uren achter elkaar geblinddoekt en geboeid op hun knieën zitten. Van de schouder van [slachtoffer 7] bevindt zich een foto in het dossier. Op deze foto is een fors litteken op de linkerschouder te zien.
[slachtoffer 7] werd mishandeld door de verdachte samen met [naam 23] en ook tegelijkertijd met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Ook liet de verdachte hem en andere gedetineerden kopstoten aan elkaar geven. Zij werden gepakt en tegen elkaar geduwd met het hoofd van de een tegen het hoofd van de ander terwijl ze elkaar niet zagen.
6.3.5.2. Bewijsoverwegingen
6.3.5.2.1. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 7] en herkenning van de verdachte
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 7] niet betrouwbaar zijn en wijst daarbij op discrepanties tussen de twee verhoren bij de rechter-commissaris die met name zien op de herkenning van de verdachte.
De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 7] betrouwbaar, evenals – voor zover de verdediging heeft betoogd dat dat niet het geval zou zijn – de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 7] . Zij overweegt daartoe als volgt.
[slachtoffer 7] heeft consistent verklaard over zijn aanhouding, het overbrengen naar de detentielocatie, de verhoren en de feitelijke handelingen. Zo weet hij nauwgezet een plattegrond te maken, wijst hij aan de hand van de plattegrond aan waar hij bijvoorbeeld in de badkamer heeft gezeten en ook verklaart hij authentiek over bepaalde terugkerende gebeurtenissen tijdens zijn gevangenschap, zoals het op appel staan in de cellen. Hij geeft het meerdere malen aan dat hij iets niet zeker weet, zoals de precieze tijdstippen van de verhoren, en heeft ook verklaard dat het kan dat beelden van foto’s en het daadwerkelijk zien van de verdachte door elkaar heen kunnen lopen en dat hij daar voorzichtig mee wil omspringen. Ook dat maakt zijn verklaring betrouwbaar.
Over de herkenning van de verdachte is [slachtoffer 7] naar het oordeel van de rechtbank duidelijk. Hij heeft voorafgaand aan zijn detentie een foto van de verdachte gezien, die circuleerde op het internet als zijnde een foto van iemand van het regime. Toen kende [slachtoffer 7] hem nog niet. Pas later, na zijn detentie, heeft hij een verband gelegd tussen de foto die hij eerder had gezien en zijn verhoorder. Hij had de verdachte onder zijn blinddoek door gezien en heeft hem na zijn vrijlating herkend op de foto. De naam van de verdachte heeft hij gehoord in Damascus , waar een van zijn lotgenoten vertelde dat de verdachte de verhoorder in Salamiyah was. Dit heeft hij ook na zijn vrijlating van verschillende mensen gehoord. [slachtoffer 7] weet 100 procent zeker dat de verdachte zijn verhoorder was. De rechtbank twijfelt door al deze omstandigheden niet aan de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 7] . Verder merkt de rechtbank op dat de verklaring ten aanzien van de aanwezigheid van de verdachte op de boerderij in die periode, alsmede zijn herkenning, door ander bewijs wordt ondersteund. De rechtbank gaat daar hierna op in.
6.3.5.2.2. Ander bewijs
De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bieden ondersteuning voor de verklaring van [slachtoffer 7] ten aanzien van de detentielocatie, de detentieperiode, de beschuldigingen die richting hem werden geuit en de herkenning van de verdachte. De verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] acht de rechtbank betrouwbaar. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] hebben de verdachte tijdens hun detentieperiode gezien en herkend. [slachtoffer 3] verklaart tevens over een incident waar hij en [slachtoffer 7] in dezelfde ruimte door de verdachte werden mishandeld. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 7] heeft gezien in de verhoorkamer op het moment dat hij zelf werd verhoord.
Verder bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen van de politie waarin gewezen wordt op een bericht van de nieuwssite [nieuwssite] met de titel ‘Photos of more than 200 detainees, including children, in National Defense prisons’. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat [slachtoffer 7] op een van de foto’s staat.
6.3.5.2.3. Marteling (feit 19)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
tegen het lichaam van [slachtoffer 7] slaan en schoppen, al dan niet met stokken en touwen;
[slachtoffer 7] tenminste een uur in een koude ruimte stoppen en vervolgens op de als gevolg van voornoemde handelingen ontstane blauwe plekken op het lichaam van [slachtoffer 7] duwen;
een pistool in de mond van [slachtoffer 7] stoppen en zeggen: ‘als je niet praat, ga ik je doodschieten’;
[slachtoffer 7] met zijn voeten vastbinden aan een touw aan het plafond waardoor [slachtoffer 7] op de kop hing en vervolgens dat touw bewegen waardoor het hoofd van [slachtoffer 7] de grond raakte;
[slachtoffer 7] met zijn hoofd tegen het hoofd van een ander persoon stoten/duwen;
[slachtoffer 7] meerdere uren achter elkaar geblinddoekt en/of geboeid op zijn knieën laten zitten;
[slachtoffer 7] blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en/of de gevolgen daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 7] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en letsel, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
Hierboven heeft de rechtbank overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat de marteling van [slachtoffer 7] onderdeel uitmaakte van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim.
6.3.5.2.5. Foltering (feit 18)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 WimPro. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 7] martelde met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te krijgen over het lid zijn van een gewapende groepering, deelname aan demonstraties en lidmaatschap van het bataljon [bataljon] .
Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 7] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door een verhoorder van de NDF, in samenwerking met leden van de NDF. De verhoorder en de leden van de NDF handelden in de uitoefening van hun functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
6.3.5.2.6. Medeplegen
Op grond van het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 7] is vier tot zeven keer verhoord. Tijdens deze verhoren is hij gemarteld en gefolterd door meerdere personen. De verhoren werden uitsluitend door de verdachte gedaan. De verdachte hield toezicht op de martelingen. Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.
6.3.6.
Dagvaarding II – [slachtoffer 8]
6.3.6.1. Artikel 6, eerste lid, EVRM – het recht op een eerlijk proces
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ) van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu de verdediging [slachtoffer 8] niet heeft kunnen horen, waardoor de procedure ten aanzien van [slachtoffer 8] in haar geheel niet voldoet aan het recht op een eerlijk proces. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de rechter, in gevallen waarin hij voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het door artikel 6 lid 3 onderPro d EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht uit te oefenen, dient na te gaan of is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces ex artikel 6 lid 1 EVRMPro en de daaraan verbonden notie van ‘ the overall fairness of the trial’.
Bij deze beoordeling is het volgende van belang:
i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt;
ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit; en
iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
De hierboven genoemde beoordelingsfactoren moeten in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris, opgemaakt op 7 april 2026, is op 17 oktober 2025 een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) ingediend bij de Duitse autoriteiten waarin is verzocht om toestemming om [slachtoffer 8] in Nederland te horen en om aan de getuige te vragen of hij bereid is vrijwillig naar Nederland te komen om een verklaring af te leggen. In het EOB waren voorkeursdata opgenomen voor het verhoor van de getuige, te weten 2 en 3 februari 2026. Deze data waren afgestemd met de verdediging, de officier van justitie en de advocaat van de getuige. In de periode van 17 november 2025 tot 28 januari 2026 is door onder meer de Duitse politie, het Team Internationale Misdrijven van de politie (hierna ook: TIM), de advocaat van [slachtoffer 8] en de griffier van de rechter-commissaris, veelvuldig geprobeerd om contact te krijgen met [slachtoffer 8] over het (te plannen) verhoor. Op 28 januari 2026 heeft de advocaat van [slachtoffer 8] laten weten dat zij contact had gehad met [slachtoffer 8] en dat hij niet in staat was om op 2 en 3 februari 2026 naar Nederland af te reizen voor verhoor.
Tussen 29 januari 2026 en bijna de gehele maand maart is wederom getracht een verhoor te plannen, waarbij contact krijgen en houden met [slachtoffer 8] , maar ook met de Duitse justitie, moeizaam bleek. In de periode vanaf 2 maart 2026 heeft de rechter-commissaris meermalen geprobeerd telefonisch contact te leggen met haar Duitse collega van de rechtbank Osterholz-Scharmbeck. Na rappel en aandringen van de rechter-commissaris bij de Duitse griffie is de rechter-commissaris in rechtstreeks contact gekomen met de behandelend rechter in Duitsland. De rechter bleek alleen op 30 maart 2026 ruimte te hebben en het verhoor is vervolgens op die datum gepland en afgenomen.
De raadslieden konden op 30 maart 2026 niet aanwezig zijn.
De rechtbank stelt aan de hand van het bovenstaande vast dat het kabinet van de rechter-commissaris en het TIM vele inspanningen hebben geleverd om een ondervragingsgelegenheid voor de verdediging te bewerkstelligen. Het bleek echter zeer moeilijk om met [slachtoffer 8] in contact te komen. Uiteindelijk is dit gelukt, maar was de behandelend rechter in Duitsland enkel op 30 maart 2026 beschikbaar. Omdat de start van de inhoudelijke behandeling op 8 april 2026 stond gepland is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een goede reden dat [slachtoffer 8] niet door de verdediging kon worden bevraagd.
Ten aanzien van het gewicht van de verklaring van [slachtoffer 8] , binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek voor de bewezenverklaring van het feit, overweegt de rechtbank het volgende. Zij is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 8] een aanzienlijk gewicht hebben bij de eventuele bewezenverklaring van de feiten jegens hemzelf en, in mindere mate, de samenhangende feiten jegens [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Er is in het dossier echter ook voldoende steun voor de verklaringen van [slachtoffer 8] , aangezien uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 8] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ongeveer gelijktijdig zijn aangehouden en hebben vastgezeten in [detentiecentrum 2] en zij elkaars detentie ondersteunen in hun verklaringen. Uit hun verklaringen komt ook naar voren dat de verdachte hun verhoorder is geweest en hen heeft mishandeld. Alle drie de getuigen zijn bij het TIM gehoord en de verdediging heeft [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] wel kunnen bevragen bij de rechter-commissaris.
Ten aanzien van het bestaan van de compenserende factoren merkt de rechtbank op dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om ten behoeve van het verhoor van [slachtoffer 8] bij de rechter-commissaris schriftelijke vragen in te dienen. De rechter-commissaris heeft deze vragen gesteld. Dat de verdediging naar aanleiding van de antwoorden nog andere vragen had willen stellen, onder meer over nieuwe belastende elementen die hij naar voren zou hebben gebracht, kan aan dat oordeel niet afdoen.
In het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het proces als geheel eerlijk is verlopen. Zij is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 8] voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
6.3.6.2. Feitelijke vaststellingen
Op 11 januari 2014 bezocht [slachtoffer 8] het loodgietersbedrijf van zijn familie. Even later kwam ook zijn broer [naam 2] daar aan. [naam 2] werd op dat moment door [naam 3] in de gaten gehouden. Toen [slachtoffer 8] de loodgieterszaak verliet, achtervolgden [naam 3] en drie andere personen hem in een auto. [slachtoffer 8] is vervolgens met geweld door hen met deze auto meegenomen. Hierbij werd [slachtoffer 8] voor zijn broer [naam 2] aangezien.
[slachtoffer 8] werd naar een locatie van de NDF gebracht. [slachtoffer 8] werd geblinddoekt en met zijn handen geboeid achter zijn rug naar het kantoor in het gebouw gebracht. In het kantoor herkende [slachtoffer 8] de stem van de verdachte. Toen [slachtoffer 8] herhaalde dat hij niet [naam 2] was, reageerde de verdachte en zei: ‘neem hem mee en laat hem herinneren of hij [slachtoffer 8] of [naam 2] is’ en ‘ontkleed hem en plaats hem in de isolatiecel’. [slachtoffer 8] zei: ‘ [verdachte] , je kent me, ik ben [slachtoffer 8] ’. [slachtoffer 8] werd geslagen en volledig ontkleed. Hij moest door zijn knieën zakken. Op het moment dat hij door zijn knieën zakte kreeg hij een schop tegen zijn geslachtsdelen. De pijn die dat veroorzaakte was zo intens dat [slachtoffer 8] elke andere pijn vergat.
[slachtoffer 8] werd geblinddoekt naar de isolatiecel van één bij één meter gebracht en verbleef daar drie dagen. Hij kreeg geen eten en drinken. Het was erg koud, er kwam veel wind naar binnen en de gevoelstemperatuur in de cel was -10 graden. De gehele periode in de isolatiecel was [slachtoffer 8] volledig naakt en geblinddoekt. Gedurende deze periode is [slachtoffer 8] meermalen verhoord, tweemaal door de verdachte.
Tijdens een van de verhoren werd [slachtoffer 8] over zijn hele lichaam geslagen. Hij werd ook op zijn mond geslagen met een dieselreservoir van een dieselkachel.. Ook werd hij geslagen met een stok, en met een kolf van een geweer tegen zijn tanden. [slachtoffer 8] is tijdens dit verhoor ook geschopt. Doordat [slachtoffer 8] met de kolf van een geweer op zijn tanden werd geslagen, zijn diens tanden afgebroken. De verdachte heeft tijdens de verhoren zelf geweldshandelingen tegen [slachtoffer 8] gepleegd. Hij heeft klappen gegeven in [slachtoffer 8] zijn nek, op zijn buik geslagen en geschopt op zijn achterwerk. [slachtoffer 8] is in totaal negen dagen verhoord, waarvan in de eerste vier dagen tijdens de verhoren geweld is gebruikt. Na de dagen in de isoleercel is [slachtoffer 8] nog verhoord. Bij een aantal van deze verhoren was de verdachte aanwezig en had hij de leiding
Tijdens zijn detentie kreeg [slachtoffer 8] meerdere beschuldigingen te horen. Hij werd ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor de media van het Vrije Syrische Leger en dat hij de vertegenwoordiger in Salamiyah was van de Nationale Raad van de Revolutie in Turkije.
[slachtoffer 8] heeft tijdens zijn detentie ook gezien dat medegedetineerden werden mishandeld door of in aanwezigheid van de verdachte.
[slachtoffer 8] kende de verdachte al voor zijn detentie. Hij kende de verdachte al langere tijd uit Salamiyah en van een eerdere arrestatie door de NDF bij de agrarische faculteit waarbij [verdachte] eveneens zijn verhoorder was. [slachtoffer 8] heeft de verdachte direct tijdens het eerste verhoor bij aankomst in het kantoor aan zijn stem herkend. Tijdens een verhoor op de vierde dag, toen zijn blinddoek werd verwijderd, heeft [slachtoffer 8] de verdachte gezien. [slachtoffer 8] zag op zijn bureau toen ook een bordje staan: ‘het hoofd van de verhoorafdeling [verdachte] ’. Daarna heeft [slachtoffer 8] hem ongeveer iedere dag gezien tot aan zijn vrijlating.
Detentie locatie
Alhoewel [slachtoffer 8] heeft verklaard dat hij gedetineerd zat in een hoofdkwartier in het dorp Al Sjeikh Ali Khassoum , stelt de rechtbank vast dat ook hij, net als [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , in de boerderij bij [detentiecentrum 2] gedetineerd was. [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] hebben verklaard dat zij samen in detentie hebben gezeten. [slachtoffer 8] is volgens [slachtoffer 5] een paar dagen na hem in detentie gekomen en een paar dagen voordat [slachtoffer 5] werd overgeplaatst naar de politieke veiligheidsdienst is [slachtoffer 8] vrijgelaten. Daarnaast hebben [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] verklaard over de aanwezigheid van dezelfde NDF-leden en incidenten die tijdens hun detentieperiode plaatsvonden. Op basis hiervan en in samenhang bezien met het hieronder opgenomen steunbewijs stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 8] gedetineerd was in de boerderij bij [detentiecentrum 2] . [slachtoffer 8] heeft van 11 januari 2014 tot en met 12 februari 2014 in deze boerderij vastgezeten. Daarna is hij overgeplaatst naar het graanbedrijf.
6.3.6.3. Bewijsoverwegingen
6.3.6.3.1. Betrouwbaarheid van verklaringen [slachtoffer 8]
De verdediging heeft – voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat de verklaringen van [slachtoffer 8] voor het bewijs kunnen worden gebezigd – aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 8] op belangrijke punten onbetrouwbaar zijn gebleken en niet zonder meer voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 8] die hij tegenover de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd. [slachtoffer 8] heeft ten aanzien van het tenlastegelegde in grote lijnen concreet en consistent verklaard en zijn verklaringen komen authentiek over. Ook worden delen van zijn verklaringen ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo blijkt uit openbronnen-informatie dat [slachtoffer 8] gedetineerd heeft gezeten en dit wordt tevens bevestigd door [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Verder overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat [slachtoffer 8] over dingen heeft verklaard die [slachtoffer 5] zich niet kan herinneren, niet maakt dat de verklaringen van [slachtoffer 8] onbetrouwbaar zijn.
De rechtbank zal de verklaringen van [slachtoffer 8] dan ook gebruiken voor het bewijs.
De verdediging stelt dat andere bewijsmiddelen in het dossier dan [slachtoffer 8] zijn eigen verklaringen slechts zien op de detentie van [slachtoffer 8] en niet op het jegens hem gepleegde geweld en de betrokkenheid van de verdachte.
De rechtbank overweegt dat verklaringen van [slachtoffer 8] op belangrijke punten steun vinden in de verklaringen van [slachtoffer 4] (hierna ook: [slachtoffer 4] ) en [slachtoffer 5] (hierna ook: [slachtoffer 5] ). Zij hebben beiden verklaard samen met [slachtoffer 8] in detentie te hebben gezeten. Hun gelijktijdige detentie wordt ook ondersteund door de lijst met gedetineerden van [nieuwssite] , waarop hun drie namen voorkomen. De detentie van [slachtoffer 8] bij de NDF vindt eveneens steun in een brief d.d. 9 maart 2014 van de NDF in Salamiyah aan de Centrale leiding van ‘Nationale Defensie-Informatiebeheer’ waarin onder andere is vermeld: ‘ de hieronder vermelde arrestanten zijn vrijgelaten op basis van de beslissing van de heer, de leider van het Centrum: nummer 13. [slachtoffer 8] .’Daarnaast is uit openbronnen-onderzoek een artikel met de namen van 170 gevangenen naar voren gekomen. Het artikel komt uit januari 2014 en bespreekt dat [nieuwssite] een lijst heeft verkregen met de namen van 170 gevangenen uit de stad Salamiyah . Op nummer 168 staat de naam van [slachtoffer 5] met arrestatiedatum 11 januari 2014. Ook zijn uit dit openbronnen-onderzoek meerdere Facebookberichten naar voren gekomen waarin wordt geschreven over de aanhouding van [slachtoffer 8] . Zo is er een bericht van [nieuws] van 11 januari 2014 met de inhoud: ‘De aanhouding van de (jonge)man [slachtoffer 8] vanuit de zaak van zijn vader.’
De verklaring van [slachtoffer 8] vindt voorts steun in het volgende. De NDF had een detentielocatie op de boerderij bij [detentiecentrum 2] . De aanwezigheid van de verdachte als verhoorder daar blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaring van [slachtoffer 8] , maar ook de verklaring van [naam 11] (hierna ook: [naam 11] ) ondersteunt dit. Zij heeft verklaard hoe ze haar man, [slachtoffer 4] , bezocht in de boerderij bij [detentiecentrum 2] , nadat haar vader de verdachte, die werkzaam was als verhoorder van de NDF op die locatie, hiertoe geld had betaald. [slachtoffer 8] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] verklaren allen dat zij zijn verhoord door de verdachte en dat deze verhoren gepaard gingen met heel veel geweld.
De rechtbank is al met al van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de door de verdachte jegens [slachtoffer 8] gepleegde geweldshandelingen.
6.3.6.3.3. Marteling (feit 2)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweldshandelingen jegens [slachtoffer 8] kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
meermalen met een voorwerp en de platte hand en de vuist op/tegen zijn nek en zijn buik en andere delen van zijn lichaam slaan en eenmaal tegen het achterwerk schoppen,
met een voorwerp op/tegen de mond/de kaak slaan, als gevolg waarvan meerdere van de tanden van [slachtoffer 8] afbraken,
tegen de geslachtsdelen schoppen,
drie dagen naakt in een zeer koude en zeer kleine isolatieruimte moeten verblijven,
gedurende die drie dagen geen eten en drinken aan hem geven, en
hem meermaals blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan
(hierna tezamen: ‘de geweldshandelingen’).
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 8] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en letsel, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
6.3.6.3.4. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 3)Ter beoordeling ligt voor of bepaalde (fysieke) (gewelds)handelingen die de verdachte jegens [slachtoffer 8] heeft gepleegd, kwalificeren als enige andere vorm van seksueel geweld als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g Wim en, indien dat het geval is, of dit van vergelijkbare ernst is als het aangehaalde seksueel geweld in dat artikellid. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.6.2. vastgesteld dat de volgende fysieke (gewelds)handelingen hebben plaatsgevonden:
[slachtoffer 8] ontdoen van zijn kleding, zodat hij naakt was;
tegen de geslachtsdelen van [slachtoffer 8] schoppen;
vervolgens [slachtoffer 8] drie dagen naakt en geblinddoekt in een zeer koude en zeer kleine isolatieruimte laten verblijven, gedurende welke periode hij diverse keren naakt werd verhoord, waarbij geweld jegens [slachtoffer 8] werd gebruikt
(hierna tezamen: “de geweldshandelingen”).
Bij de beoordeling zal de rechtbank de geweldshandelingen tezamen en in onderlinge samenhang toetsen aan het toepasselijke juridische kader.
De rechtbank dient als eerste de vraag te beantwoorden of de geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als geweld van seksuele aard. De rechtbank betrekt daarbij de aard van de geweldshandelingen en de context waarin deze plaatsvonden. [slachtoffer 8] verklaart dat hij na aankomst op de detentielocatie werd ontkleed en werd gedwongen een paar keer door zijn knieën te zakken. Hij werd daarbij één keer tegen zijn geslachtsdelen geschopt. [slachtoffer 8] verklaart hierover dat zijn verhoorders wilden checken of hij iets in zijn achterwerk had verstopt. Daarna werd hij drie dagen naakt in een kleine en koude isolatiecel gezet, waarna hij is verhoord. Na dit verhoor werd hij aangekleed en naar een ‘gewone’ cel gebracht. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is geweest van seksueel geweld. Dat oordeel is in de kern gestoeld op de omstandigheid dat de schop en het gedwongen naakt zijn weliswaar een aanzienlijke inbreuk hebben gemaakt op de fysieke integriteit van [slachtoffer 8] , maar zonder bijkomende aspecten van seksuele aard toch veeleer als een onderdeel van de marteling en foltering moeten worden beschouwd.
Nu geen sprake is van seksueel geweld spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het bij dagvaarding II onder 3 tenlastegelegde.
Nu de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van marteling dient de rechtbank te toetsen of ook is voldaan aan de vereiste contextuele elementen. Hierboven is door de rechtbank overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat de marteling zoals gepleegd door de verdachte tegen [slachtoffer 8] onderdeel uitmaakte van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim.
6.3.6.3.6. Foltering (feit 1)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 WimPro. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 8] martelde met het oogmerk om van hem inlichtingen en een bekentenis te verkrijgen over hetgeen waarvan [slachtoffer 8] beschuldigd werd, namelijk het verantwoordelijk zijn voor de media van het Vrije Syrische Leger en het zijn van de vertegenwoordiger in Salamiyah van de Nationale Raad van de Revolutie in Turkije. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 8] door de verdachte werd gemarteld met het oogmerk om hem te dwingen om te zeggen dat hij zijn broer was, [naam 12] .
Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 8] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF, in samenwerking met andere verhoorders van de NDF. De verdachte handelde in de uitoefening van zijn functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.6.3.7. Medeplegen
Op grond van het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 8] is in opdracht van de verdachte ontkleed naar de isolatiecel gezonden waar hij drie dagen in de kou en zonder eten en drinken heeft moeten verblijven. Hij is daarna meermalen verhoord door de verdachte en gedurende deze verhoren gemarteld en gefolterd. De verdachte heeft tijdens deze verhoren samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 8] . Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.
6.3.7.
Dagvaarding I – [slachtoffer 4] (feiten 10 en 11)
6.3.7.1. Feitelijke vaststellingen
Op 20 december 2013 arresteerde de NDF twee personen in Salamiyah vanwege een verdenking van het bezit van munitie. De broer van [slachtoffer 4] (ook wel [naam 13] genaamd) werd ervan beschuldigd de leverancier van deze munitie te zijn. In de avond van 20 december 2013 is [slachtoffer 4] zelf door de NDF gearresteerd. Ook de vrouw van zijn broer, [naam 14] en zijn neef [naam 13] werden gearresteerd. De beschuldiging tegen [slachtoffer 4] was dat hij connecties had met gewapende organisaties en dat hij een broer had die terrorist was. Ook werd gevraagd of hij had deelgenomen aan demonstraties. [slachtoffer 4] vermoedt dat hij is aangehouden om zijn broer onder druk te zetten om zich te melden.
[slachtoffer 4] is naar de boerderij bij [detentiecentrum 2] gebracht. Zijn handen waren vastgebonden. Hij werd naar een kamer gebracht waar hij van onder zijn blinddoek drie personen heeft gezien. Eén van de personen was de verdachte. [slachtoffer 4] kende de verdachte al van voor zijn detentie. Hij had hem bij een burgerlijke rechtbank ontmoet. Hij was daar de hoofdgriffier. De verdachte gaf leiding aan de ondervraging. Ze stelden hem vragen over de twee personen die waren gearresteerd voor het bezit van munitie en waar zijn broer was. Er waren nog twee personen in de kamer. Eén van hen greep een ketting en een ander een stuk hard rubber. [slachtoffer 4] werd daarmee geslagen tot hij zijn bewustzijn verloor. Ook werd hij over zijn hele lichaam geslagen waardoor hij eveneens flauwviel. Als [slachtoffer 4] zijn bewustzijn verloor, werd hij wakker gemaakt met waterstralen in zijn gezicht. Dat is vijf keer gebeurd. Hij is meerdere keren tegen zijn kaak geslagen. Hierdoor zijn de kronen in zijn tanden losgekomen Deze eerste ondervragingssessie begon om middernacht op de dag van zijn arrestatie en eindigde om 05.00 uur ’s ochtends.
Rond 9.00 uur ’s ochtends is de ondervraging voortgezet. De verdachte was hier weer bij aanwezig. [slachtoffer 4] handen en voeten waren vastgebonden .[slachtoffer 4] werd ongeveer een uur geslagen zonder dat er een vraag werd gesteld. Tijdens de ondervraging lag [slachtoffer 4] onder meer languit op zijn zij op de grond en werd hij mishandeld met handen, voeten en kabelslagen. Na de tweede ondervragingssessie werd hij naar een grote collectieve cel gebracht.
De vijf daaropvolgende dagen is hij met dezelfde soort praktijken gemarteld. De verdachte sloeg hem tijdens meer dan vier martelsessies. Hij sloeg hem in zijn gezicht en in zijn nek. Tijdens de ondervragingen gaf de verdachte leiding aan de ondervraging en aan het geweld dat tegen hem werd gebruikt door met zijn hand tekens te geven aan de andere NDF-leden in de kamer.
Soms werden de gedetineerden collectief geslagen in de cellen. Deze geweldshandelingen werden ook door de verdachte gepleegd. Dit bestond uit klappen, vuistslagen en slagen met kabels.
[slachtoffer 4] heeft ook andere gevangenen gefolterd zien worden. Hij heeft onder andere drie gevangenen gezien die volgens de Shabeh-methode (opgehangen aan de voeten met het hoofd naar beneden) werden gefolterd. Ook heeft hij een stel gefolterd zien worden. Toen de man terugkwam hield de verdachte de deur open zodat de gedetineerden konden zien wat hij had gedaan
[slachtoffer 4] heeft in totaal 96 dagen in detentie gezeten. De eerste 57 dagen is hij in de boerderij bij [detentiecentrum 2] gedetineerd geweest.
De verdediging heeft bepleit dat dat de verklaringen van [slachtoffer 4] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat zijn verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn. Kortgezegd wijst de verdediging hierbij op het feit dat [slachtoffer 4] tegenstrijdig heeft verklaard over het – herhaaldelijk – onder water laten lopen van de cel door de verdachte, en het feit dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] tegenstrijdige en onverenigbare verklaringen hebben afgelegd over eenzelfde incident dat zij zouden hebben waargenomen, ten aanzien van ‘ [protestbeweging] ’. Ook heeft de verdediging naar voren gebracht dat [slachtoffer 4] bij de Franse politie heeft verklaard nooit te zijn mishandeld tijdens een verhoor.
De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 4] betrouwbaar zijn en overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer 4] heeft ten aanzien van de aanloop naar zijn aanhouding, de aanhouding en de tenlastegelegde gedragingen in grote lijnen concreet en consistent verklaard. De verklaringen van [slachtoffer 4] komen ook authentiek over. Zo is de tijdlijn coherent, noemt [slachtoffer 4] specifieke details over de mishandelingen en maakt hij onderscheid in de verhoren en het geweld in de collectieve cellen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 4] over het wel of niet laten onderlopen van de cel, zijn verklaring ten aanzien van de verdachte juist ontlastend heeft aangepast. De inconsistenties en verschillen met verklaringen van anderen die de verdediging heeft benoemd hebben, wat daarvan ook zij, geen enkel verband met het tenlastegelegde, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De rechtbank leest de verklaring van [slachtoffer 4] bij de Franse politie verder zo dat er, naasthet geweld dat tijdens de verhoren werd toegepast, ook geweldshandelingen waren die de verdachte buiten de ondervragingen om eigenhandigtoepaste. Anders dan de verdediging betoogt, zegt [slachtoffer 4] niet dat hij nooit is mishandeld tijdens een verhoor.
6.3.7.2.2. Ander bewijs
De verklaring van [slachtoffer 4] over zijn detentie in de boerderij bij [detentiecentrum 2] vindt steun in onder meer de verklaringen van [naam 14] (hierna ook: [naam 14] ), [naam 13] (hierna ook: [naam 13] ) en [naam 11] . [naam 14] en [naam 13] hebben verklaard samen met [slachtoffer 4] te zijn aangehouden en gedetineerd te hebben gezeten in [detentiecentrum 2] . [naam 13] heeft verklaard dat hij daar de stem van de verdachte herkende. Ze wilden van [slachtoffer 4] weten waar zijn broer [naam 15] was. [naam 13] zegt dat meerdere personen [slachtoffer 4] begonnen te slaan, dat ze hem hadden omcirkeld en dat ze hem sloegen en schopten. Tegen de ochtend zag hij [slachtoffer 4] en [naam 14] in een cel. [slachtoffer 4] had kneuzingen en was toegetakeld. Hij liet sporen van zijn mishandeling zien. Hij trok zijn trui omhoog. Hij had over zijn hele lichaam rode plekken. [naam 14] heeft ook verklaard over de staat waarin hij [slachtoffer 4] aantrof toen hij in de gemeenschappelijke cel werd geplaatst, namelijk dat zijn kleding was gescheurd, dat hij onder het stof zat en toegetakeld was. Ook uit zijn lichaamstaal bleek dat hij iets ergs had meegemaakt. [slachtoffer 4] was toen samen met [naam 13] .
[naam 11] heeft samen met haar vader [slachtoffer 4] bezocht in [detentiecentrum 2] . Haar vader wist dat de verdachte [slachtoffer 4] vasthield, en kende hem ook. Zij werden ontvangen door de verdachte in een ruimte genaamd ‘de verhoorkamer’. Toen [slachtoffer 4] binnenkwam was hij geblinddoekt en waren zijn handen en voeten geboeid. De tanden van [slachtoffer 4] waren gebroken en hij was mager. De verdachte liet hen twee minuten alleen. [slachtoffer 4] zei toen tegen haar dat de verdachte het elke dag leuk vond om hem te slaan.
De detentie van [slachtoffer 4] bij de NDF vindt voorts steun in een brief van de leiding van de NDF van Salamiyah van 13 januari 2014. In deze brief zijn 24 namen van arrestanten opgenomen. [slachtoffer 4] wordt bij naam genoemd en er staat bij dat hij de broer van een gevluchte terrorist is. Daarnaast worden de verdenkingen benoemd en de datum van zijn aanhouding. Een en ander komt overeen met de verklaring van [slachtoffer 4] zelf.
Ook op Facebook is een bericht geplaatst met een verwijzing naar de inval bij de woning van de broer van [slachtoffer 4] , met vermelding dat [slachtoffer 4] , zijn schoonzus, [naam 13] en [naam 14] daarbij gearresteerd waren. Tot slot wijst de rechtbank op de vermeldingen van de detentie van [slachtoffer 4] in een nieuwsartikel van [nieuwssite] en op een publicatie van 21 december 2013, aangetroffen op de website ‘human rights in syria’. [slachtoffer 4] stond in Syrië bekend als [schuilnaam] . [slachtoffer 4] is zijn officiële naam.
6.3.7.2.3. Marteling (feit 11)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
de handen en voeten van [slachtoffer 4] vastbinden;
vervolgens met handen, een ketting, een kabel en een stuk rubber op het hoofd van [slachtoffer 4] slaan, waardoor hij zijn bewustzijn verloor, op zijn lichaam slaan en schoppen en op zijn kaak slaan; en
[slachtoffer 4] blootstellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 4] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en letsel, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond. Hij werd dagenlang mishandeld zowel tijdens verhoren als daarbuiten in de collectieve cellen en heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Daarnaast heeft hij meerdere malen moeten aanzien hoe andere gedetineerden werden mishandeld.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
Hierboven is door de rechtbank overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat de marteling van [slachtoffer 4] onderdeel uitmaakte van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim.
6.3.7.2.5. Foltering (feit 12)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 WimPro. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 4] martelde met het oogmerk om van hem inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen over de connecties die hij zou hebben met gewapende instellingen, over zijn broer die terrorist was en over de vraag of hij had deelgenomen aan demonstraties. Ook is de rechtbank van oordeel dat het martelen van [slachtoffer 4] gebeurde met het oogmerk om een derde, de broer van [slachtoffer 4] , te dwingen om zich te melden. [slachtoffer 4] werd tijdens zijn verhoor bevraagd over zijn broer en ook de vrouw van zijn broer was aangehouden. Tijdens de verhoren is [slachtoffer 4] gevraagd waar zijn broer was.
Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 4] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF, in samenwerking met andere verhoorders van de NDF. De verdachte handelde in de uitoefening van zijn functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.7.2.6. Medeplegen
Op grond van het onderzoek op de terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 4] is meerdere keren verhoord door de verdachte en is gedurende deze verhoren gemarteld en gefolterd. De verdachte had tijdens de verhoren de leiding. Oftewel, de verdachte heeft tijdens deze verhoren samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 4] . Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarmee acht de rechtbank het medeplegen ten aanzien van alle hierboven bewezenverklaarde feiten wettig en overtuigend bewezen.
6.3.8.
Dagvaarding I – [slachtoffer 5] (feiten 12 en 13)
6.3.8.1. Feitelijke vaststellingen
[slachtoffer 5] nam deel aan demonstraties in Salamiyah . Op 3 januari 2014 liep hij over straat, toen er een auto naast hem stopte en hij een pistool tegen zijn hoofd kreeg. [slachtoffer 5] is met de auto naar de boerderij in [detentiecentrum 2] gebracht, waar hij naar de verhoorkamer werd geleid. Er waren meerdere mensen in de kamer. [slachtoffer 5] was geblinddoekt en zijn armen waren vastgebonden achter zijn rug. [slachtoffer 5] werd door de verdachte ondervraagd over de organisatie van en deelname aan demonstraties, andere demonstranten en internetgebruik. De verdachte had de leiding en gaf bevelen aan anderen om hem te slaan. Tijdens de ondervraging werd [slachtoffer 5] met handen en met een elektriciteitskabel geslagen tegen zijn schouder, been en lichaam. Dit duurde van ongeveer 24.00 uur tot 07.00 uur. Daarna is hij naar een cel gebracht.
In de avond rond 22.00 uur is [slachtoffer 5] teruggebracht naar de verhoorkamer. Tijdens dit tweede verhoor gaf de verdachte weer bevelen aan andere aanwezigen .Er werd water op plekken op [slachtoffer 5] zijn lichaam gegooid waar vervolgens meteen met de elektriciteitskabel werd geslagen. Ook werd hij veel met een distributieriem geslagen. Daarnaast moest hij vier á vijf uur lang, met zijn handen op zijn rug gebonden, gevouwen in een autoband zitten. Ondertussen werd hij geslagen. [slachtoffer 5] vreesde tijdens deze geweldplegingen voor zijn leven.
De volgende dag was het derde verhoor. Dit verhoor was een herhaling van de eerste twee verhoren. Deze keer werd hij harder gemarteld en geslagen. Hij kreeg constant klappen op zijn gezicht en werd geslagen met onder meer stroomkabels. Wederom werd de autobandtechniek toegepast. De verdachte deed er zelf aan mee. Hij gaf ook opdrachten aan anderen.
Iedere vraag tijdens de verhoren ging gepaard met een vorm van geweld. [slachtoffer 5] is tijdens de verhoren ook geslagen met een stuk pijpleiding.
Tijdens [slachtoffer 5] zijn detentie kwam de verdachte soms de gemeenschappelijke cel binnen en zei tegen de gedetineerden dat ze hun kleding moesten uitdoen. De gedetineerden stonden dan geheel naakt en moesten hun hoofd tegen de muur zetten. De verdachte schold hen uit en vernederde hen.
De verdachte is een keer de cel binnengekomen waarbij hij een medegedetineerde vroeg om op [slachtoffer 5] zijn nek te gaan staan. De medegedetineerde weigerde dit en de verdachte is toen zelf met zijn voet op de nek van [slachtoffer 5] gaan staan. [slachtoffer 5] lag hierbij op zijn buik met zijn handen op zijn rug gebonden. [slachtoffer 5] voelde veel pijn.
[slachtoffer 5] heeft de verdachte herkend als de persoon die hem verhoorde. Toen de verdachte een keer naar de gemeenschappelijke cel kwam, zei [naam 16] dat de gedetineerden hun gezichten tegen de muur moesten richten, omdat [bijnaam] eraan kwam. [slachtoffer 5] heeft van medegedetineerden gehoord dat [bijnaam] de naam is van de verdachte. Ook uit de getuigenverklaringen van [slachtoffer 6] ., [naam 11] en [slachtoffer 3] blijkt dat [bijnaam] een bijnaam is van de verdachte en dat hij zichzelf ook onder deze naam aan personen heeft voorgesteld.
Op andere momenten heeft [slachtoffer 5] de verdachte in de cel gezien en toen heeft hij de stem van zijn verhoorder met het gezicht van de verdachte verbonden. Zo heeft [slachtoffer 5] de stem van de verdachte herkend toen hij op zijn nek ging staan. [slachtoffer 5] heeft de verdachte toen gezien en realiseerde zich dat hij te maken had met dezelfde persoon die hem verhoorde. De eerste keer dat [slachtoffer 5] de verdachte zag was twee á drie dagen na het derde verhoor. [slachtoffer 5] herkende de verdachte na zijn detentie op een foto.
Andere gedetineerden vertelden [slachtoffer 5] over hun martelingen en [slachtoffer 5] zag de littekens van kabelslagen op hun rug en voeten. [slachtoffer 5] heeft tijdens martelingen van medegedetineerden het zoemende geluid van de kabels gehoord tijdens het slaan en hun geschreeuw. Toen iemand werd opgehangen aan zijn handen hoorde [slachtoffer 5] dat werd gezegd: ‘hoger, trek hem hoger’ of ‘laat hem even zakken’.
[slachtoffer 5] is een aantal dagen in de boerderij in [detentiecentrum 2] gedetineerd geweest. Daarna is hij naar een andere locatie gebracht.
De detentie van [slachtoffer 5] bij de NDF vindt ondersteuning in een brief van de leiding van de NDF van Salamiya van 13 januari 2014. In deze brief zijn 24 namen van arrestanten opgenomen. Ten aanzien van [slachtoffer 5] wordt beschreven: : Hij is bij ons gearresteerd omdat hij terroristische activiteiten verricht en hij is de beheerder van de Facebookpagina met de naam [facebookpagina] . Deze pagina doelt doelbewust op het zwartmaken van het regime en het heeft militaire activiteiten met terroristische groeperingen. Hij is aangehouden op 3/1/2014.
Ook volgt uit een besluit van de gouverneur van Hama dat [slachtoffer 5] tijdelijk was geschorst vanwege zijn detentie. In het besluit is vermeld: De heer [slachtoffer 5] , werkzaam bij het Hama gezondheidsdirectoraat ( Salamiyah Nationale Ziekenhuis) in de functie van technische-assistent, gespecialiseerd in medische apparatuur van de tweede categorie, wordt op non actief gesteld vanaf de datum van zijn aanhouding, die plaatsvond op 03/01/2014.In het document staat dat het besluit onder meer is genomen op basis van een brief van de commandant van het NDF centrum in Salamiyah op 16 januari 2014.
Uit openbronnen-onderzoek is gebleken dat onderzoek is verricht naar een artikel met de namen van 170 gevangenen. Het artikel komt uit januari 2014 en bespreekt dat [nieuwssite] een lijst met gevangen uit de stad Salamiyah met 170 namen van gevangenen heeft gekregen. Op nr. 164 staat de naam van [slachtoffer 5] met arrestatiedatum 2 januari 2014.
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 5] betwist. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] tegenstrijdige en onverenigbare verklaringen hebben afgelegd over eenzelfde incident dat zij zouden hebben waargenomen, namelijk ten aanzien van ‘ [protestbeweging] ’.
De verschillen met de verklaring van [slachtoffer 4] die de verdediging heeft benoemd hebben, wat daarvan ook zij, geen enkel verband met het tenlastegelegde, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 5] over het tenlastegelegde betrouwbaar zijn, nu hij daarover in grote lijnen concreet en consistent heeft verklaard. De verklaringen van [slachtoffer 5] komen ook authentiek over. Verder vinden zijn verklaringen steun in ander bewijs, zoals de verklaring van [slachtoffer 8] , die onder meer inhoudt dat hij heeft gezien dat [slachtoffer 5] werd opgehaald voor verhoor en dat hij bebloed en perplex terugkwam.
6.3.8.2.2. Marteling (feit 13)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde geweldshandelingen kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
[slachtoffer 5] zijn handen op zijn rug binden en hem vervolgens dwingen in een hurkstand in een autoband te gaan zitten;
[slachtoffer 5] met water besproeien;
tegen het hoofd, schouder, rug, benen en lichaam van [slachtoffer 5] schoppen en/of slaan;
met een elektriciteitskabel, een distributieriem en een buis tegen de schouder, rug, benen en/of zijn lichaam slaan;
[slachtoffer 5] in het bijzin van medegedetineerden dwingen zijn kleding uit te doen en hem uitschelden;
op de nek van [slachtoffer 5] gaan staan en met zijn voet op zijn nek drukken, terwijl hij zijn handen op zijn rug had en hij met zijn buik op de grond lag
(hierna tezamen: de geweldshandelingen).
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 5] gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en letsel, lichamelijk en geestelijk, terwijl hij zich in gevangenschap van de NDF bevond.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
Hierboven is door de rechtbank overwogen dat marteling wijdverbreid en stelselmatig werd ingezet in een aanval gericht tegen de burgerbevolking. Marteling past naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. Zoals vastgesteld onder paragraaf 6.3.1.7. had de verdachte kennis van de aanval tegen de burgerbevolking. De verdachte wist dan ook dat de marteling van [slachtoffer 5] onderdeel uitmaakte van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim.
6.3.8.2.4. Foltering (feit 12)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 WimPro. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 5] heeft gemarteld met het oogmerk om inlichtingen of een bekentenis te krijgen over zijn deelname aan demonstraties, namen van andere demonstranten, de organisatie van demonstraties en internetgebruik.
Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 5] werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder r van de NDF, al dan niet in samenwerking met agenten van de NDF. De verdachte handelde in uitoefening van zijn functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.8.2.5. Medeplegen
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting overweegt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende. [slachtoffer 5] is meerdere keren verhoord door de verdachte en is gedurende deze verhoren gemarteld en gefolterd. De verdachte was de verhoorder en heeft samen met andere personen van de NDF geweld uitgeoefend op [slachtoffer 5] . Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de individuele bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.
Ten aanzien van de volgende handelingen blijkt dat de verdachte alleen handelde, zodat medeplegen in zoverre niet bewezen is.
in het bijzijn van medegedetineerden dwingen zijn kleding uit te doen en
op zijn nek gaan staan en met zijn voet op zijn nek te drukken, terwijl hij zijn handen op zijn rug had en hij met zijn buik op de grond lag.
6.3.9.
Dagvaarding I – R. (feiten 14 tot en met 17)
6.3.9.1. Feitelijke vaststellingen
[slachtoffer 6] . is op 10 juli 2013, de eerste dag van de Ramadan, vanuit het huis van haar ouders aangehouden door de NDF. Tijdens haar aanhouding herkende [slachtoffer 6] . twee personen, namelijk [naam 3] en [naam 17] . [slachtoffer 6] . werd door hen naar de NDF-locatie de boerderij ten westen van Salamiyah gebracht. Vlak voordat zij bij het kantoor was aangekomen kreeg [slachtoffer 6] . een blinddoek om. [slachtoffer 6] werd door [naam 3] naar binnen gebracht. In het kantoor was [naam 18] (hierna ook: [naam 18] ) aanwezig. [slachtoffer 6] . werd vervolgens in één van de cellen geplaatst. [naam 18] zei tegen haar dat zij geluk had als de verhoorder vandaag nog kwam en zei voorts dat het een hele strenge verhoorder was. Op enig moment werd [slachtoffer 6] . door [naam 18] naar de verhoorruimte gebracht waarna [naam 18] de ruimte verliet. [naam 18] had de handen van [slachtoffer 6] . vastgebonden met tiewraps. Plotseling kreeg [slachtoffer 6] . met een knie een stoot op haar vagina en werd zij geslagen op haar beide borsten. [slachtoffer 6] . moest vervolgens op haar knieën op de grond gaan zitten. De verhoorder maakte de knoopjes van haar zomerjasje open en begon, zowel met zijn mond als zijn handen, wild met haar borsten te spelen. De verhoorder heeft ook met zijn vuisten op haar borsten geslagen. Toen de verhoorder klaar was met haar borsten, deed hij zijn hand naar beneden. De verhoorder hield [slachtoffer 6] . met één hand vast en de andere hand stopte hij in haar kleding. Hij raakte haar vagina aan en stopte met geweld zijn vingers naar binnen. Dit deed de verhoorder meerdere malen. [slachtoffer 6] . voelde heel veel pijn. De verhoorder trok op een gegeven moment aan haar haren en duwde haar op de grond. Vervolgens trok hij zijn broek uit, stopte zijn geslachtsdeel in haar mond en zei tegen haar: ‘Open je mond en doe je tanden weg. Ga maar zuigen, ga maar likken alsof je aan ijs aan het likken bent.’ [slachtoffer 6] . wilde dit niet en verzette zich, maar dit hield de verhoorder niet tegen. Op een gegeven moment tilde de verhoorder [slachtoffer 6] . aan haar haar omhoog en legde haar op het bed dat in de ruimte aanwezig was, hij had inmiddels haar broek opengemaakt, omlaag getrokken tot halverwege haar bovenbenen en de tiewraps losgemaakt; zette zijn hand op haar mond; en kwam bovenop haar liggen. De verhoorder penetreerde [slachtoffer 6] . en kwam een beetje in haar klaar. [slachtoffer 6] . probeerde hem van zich af te duwen, maar dit lukte niet. Vervolgens moest [slachtoffer 6] . weer overeind komen en moest zij hem opnieuw pijpen totdat hij was klaargekomen. De verhoorder bewoog haar hoofd. Het lukte haar nog steeds niet om hem weg te duwen. Op enig moment heeft de verhoorder haar blinddoek afgedaan. Toen de verhoorder was klaargekomen, werd hij hysterisch en trok hij heel hard aan het haar van [slachtoffer 6] . en sloeg haar heel hard op beide wangen. Vervolgens trok hij zijn kleding aan en heeft hij haar naar achteren geschopt.
[slachtoffer 6] . hoorde vervolgens buiten de verhoorkamer de stem van haar vader. De verhoorder en [slachtoffer 6] . kleedden zich aan en [slachtoffer 6] . moest van de verhoorder voor de cel gaan staan. De vader van [slachtoffer 6] . kwam daarna de verhoorruimte in. De verhoorder stuurde haar vader weg om eten te gaan halen. Het daadwerkelijke verhoor begon daarna en duurde tot een uur of één à twee ‘s nachts.
[slachtoffer 6] . heeft tijdens het verhoor een naambordje gezien met daarop de naam ‘ [verdachte] ’. Ook heeft de verhoorder zichzelf of heeft de griffier, [naam 18] , de verhoorder, aan [slachtoffer 6] . voorgesteld. Hierbij werd de naam ‘ [verdachte] ’ gebruikt. Tussendoor hield de verhoorder pauze om het eten, gebracht door de vader van [slachtoffer 6] . op te eten. Tijdens het verhoor heeft de verhoorder aan [slachtoffer 6] . een sleutel van een kamer aangeboden die hij had gehuurd voor meisjes die bij hem waren geweest om hen daar te ontmoeten. De verhoorder had zeventien rapporten tegen haar verzonnen die gingen over deelname aan demonstraties. [slachtoffer 6] . heeft verklaard dat zij is aangehouden, omdat haar ex-man [naam 19] was gedeserteerd uit de luchtmacht inlichtingendienst. Dit stond op het arrestatiebevel. Na het verhoor werd [slachtoffer 6] . vrijgelaten en is zij door haar familie mee naar huis genomen.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 6] . in haar verklaring bij de politie en in haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris gedetailleerd en authentiek heeft verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de tenlastegelegde seksuele- en geweldshandelingen heeft verricht. Zo geeft ze een gedetailleerde tijdlijn, weet zij zich hele specifieke teksten die de verdachte heeft gezegd te herinneren en verklaart ze over de gemoedstoestand van de verdachte (hij werd opeens hysterisch). En ook de omstandigheden over de sleutel die ze krijgt aangeboden en de verdachte die tussendoor nog wat gaat eten zijn authentiek. Ook zijn de verklaringen die zij heeft afgelegd op hoofdlijnen consistent. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 6] . dan ook betrouwbaar.
6.3.9.2.2. Steunbewijs
De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342 lid 2 SvPro.
De verklaring van [slachtoffer 6] . vindt allereerst steun in de verklaring van [naam 20] (hierna ook: [naam 20] ). [naam 20] heeft verklaard dat [slachtoffer 6] . in 2013 telefonisch aan hem heeft verteld wat haar is overkomen. [slachtoffer 6] . vertelde hem dat zij was aangehouden door een verhoorder uit Salamiyah , genaamd [verdachte] , die haar had verkracht toen zij geblinddoekt was. Haar vader was in hetzelfde gebouw op [slachtoffer 6] . aan het wachten. [naam 20] heeft voorts verklaard dat [slachtoffer 6] . helemaal was ingestort en huilde toen zij er over sprak. Ook had [slachtoffer 6] . aan hem verteld dat haar verhoorder tegen haar had gezegd dat hij een appartement had waar zij tot rust kon komen.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de waargenomen emoties geen betrekking hadden op hetgeen [slachtoffer 6] . bij de NDF was overkomen, omdat uit de verklaring van [naam 20] duidelijk naar voren komt dat [slachtoffer 6] . emotioneel werd toen zij juist daarover– waaronder specifiek dat haar vader op haar wachtte en zij een sleutel van de verdachte kreeg – vertelde.
Verder heeft de verdediging bepleit dat sprake is van het nodige tijdsverloop tussen de gestelde strafbare gedragingen en het waarnemen van de emoties door [naam 20] , en daarom niet kan worden gezegd dat die over het tenlastegelegde gaan. [slachtoffer 6] . heeft verklaard dat zij [naam 20] eind september/begin oktober 2013 heeft gesproken toen zij in Libanon was. [naam 20] heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij haar in 2013, eind 2013, heeft gesproken en dat hij weet in welk jaar hij haar heeft gesproken maar niet welke dag. De rechtbank gaat uit van deze verklaring van [naam 20] en niet zijn verklaring bij de rechter-commissaris waarin hij heeft verklaard dat hij haar een dag na haar vrijlating heeft gesproken. De rechtbank overweegt dat tijdsverloop van groot belang is bij de bepaling van de bewijskracht die aan een steunbewijsmiddel dient te worden toegekend. Hoe groter het tijdsverloop, hoe groter de behoedzaamheid die moet worden betracht bij de beoordeling van steunbewijs in de vorm van waargenomen emoties. Gelet op het feit dat [naam 20] duidelijk heeft verklaard dat [slachtoffer 6] . helemaal ingestort was en huilde toen zij over haar belevenissen bij de NDF vertelde en het feit dat de kern van de verklaring van [naam 20] overeenkomt met hetgeen [slachtoffer 6] . heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat ondanks het tijdsverloop de waarneming van de emoties voldoende bewijskracht heeft en dus als steunbewijs kan dienen.
De verklaring van [slachtoffer 6] . vindt verder steun in de waarneming van de forensisch onderzoeker. [slachtoffer 6] . heeft verklaard dat zij, toen zij de verdachte moest pijpen, een moedervlek zag zitten ter hoogte van de penis van de verdachte. Zij weet niet precies of de moedervlek aan de linker- of rechterkant zat. Een forensisch onderzoeker heeft de schaamstreek van de verdachte bekeken en heeft waargenomen dat er net boven de penis, net boven de volle haargroei, een verkleuring in de huid aanwezig was, en dat ook een verkleuring van de huid schuin rechts boven de penis aanwezig was. De forensisch onderzoeker zegt dat de verkleuringen lijken op de aanwezigheid van een moedervlek.
6.3.9.2.3. Marteling (feit 15)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de volgende door de rechtbank vastgestelde en door de verdachte gepleegde (fysieke) geweldshandelingen jegens [slachtoffer 6] . kwalificeren als marteling als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim:
de borsten van [slachtoffer 6] . vastpakken en tegen haar borsten slaan;
meerdere vingers en zijn hand in [slachtoffer 6] . haar vagina steken;
verdachtes penis in [slachtoffer 6] . haar mond stoppen terwijl hij zegt ‘doe je tanden weg’ en [slachtoffer 6] . dwingen hem te pijpen;
slaan en te schoppen;
met verdachtes penis [slachtoffer 6] . haar vagina penetreren; en
in de mond en vagina van [slachtoffer 6] . klaarkomen
De rechtbank is van oordeel dat deze jegens [slachtoffer 6] . gepleegde geweldshandelingen zonder meer zijn aan te merken als het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn en lijden, lichamelijk en geestelijk, terwijl zij zich in de gevangenschap van de NDF bevond. Vrijwel direct nadat [slachtoffer 6] . aankwam op de detentielocatie is zij geboeid en moest zij wachten op de verdachte. Die gaf haar kort na binnenkomst in de kamer onverhoeds een knietje in haar vagina, waarna hij haar daar met fors geweld verkracht en mishandeld heeft. [slachtoffer 6] . was bijna de gehele tijd geboeid en geblinddoekt en kon de verdachte, hoewel zij probeerde terug te vechten, niet afweren.
De rechtbank acht gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling.
6.3.9.2.4. Verkrachting (feit 17)
De vraag die die de rechtbank dient te beantwoorden is of de bewezenverklaarde geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als verkrachting in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro g Wim. De officier van justitie heeft in dat kader verschillende feitelijkheden en omstandigheden ten laste gelegd. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.9.1. vastgesteld dat de verdachte de volgende handelingen heeft verricht:
het stoppen van zijn vingers en zijn hand in de vagina van [slachtoffer 6] .;
het stoppen van zijn penis in de mond van [slachtoffer 6] . en haar te dwingen hem te pijpen; en
met zijn penis haar vagina te penetreren.
De rechtbank overweegt dat is voldaan aan het eerste non-contextuele element ‘penetratie’. De verdachte heeft immers met zijn vingers, hand en penis de vagina van [slachtoffer 6] . gepenetreerd, en [slachtoffer 6] . werd door de verdachte gedwongen te ondergaan dat hij haar oraal penetreerde. Ook aan het tweede non-contextuele element ‘dwang’ is voldaan. De dwang volgde uit de gevangenschap waarin [slachtoffer 6] zich gedurende de handelingen bevond, het feit dat zij in die detentie aan het wachten was op de ‘verhoorder’ en zij in de veronderstelling was dat de verdachte haar zou verhoren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting.
6.3.9.2.5. Enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst (feit 16)
Ter beoordeling ligt ook voor of bepaalde (fysieke) geweldshandelingen die de verdachte jegens [slachtoffer 6] . heeft gepleegd ook kunnen worden gekwalificeerd als enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst ex artikel 4 lid 1 onderPro g Wim. De officier van justitie heeft in dat kader verschillende feitelijkheden en omstandigheden ten laste gelegd. De rechtbank heeft onder paragraaf 6.3.9.1. vastgesteld dat de verdachte de volgende handelingen heeft verricht:
het vastpakken en slaan tegen de borsten van [slachtoffer 6] .;
het stoppen van zijn vingers en zijn hand in de vagina van [slachtoffer 6] .;
het stoppen van zijn penis in de mond van [slachtoffer 6] ., zeggen ‘doe je tanden weg’, en haar dwingen hem te pijpen;
met zijn penis haar vagina penetreren; en
in haar mond en vagina klaarkomen
Op grond van het dossier stelt de rechtbank verder vast dat de geweldshandelingen achtereenvolgens en in een kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden, namelijk voorafgaand aan de daadwerkelijke ondervraging van [slachtoffer 6] . De verdachte trad op als verhoorder. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat de geweldshandelingen als één geheel dienen te worden beschouwd en als zodanig dienen te worden beoordeeld.
De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of de geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als geweld van seksuele aard. De verdachte heeft [slachtoffer 6] . vastgepakt en geslagen tegen haar borsten, hij heeft haar op verschillende wijze gepenetreerd en is klaargekomen in haar mond en vagina. Nu deze geweldshandelingen als één geheel worden beschouwd en de rechtbank eerder concludeerde dat enkele van deze geweldshandelingen verkrachting inhouden is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde geweldshandelingen tezamen kwalificeren als seksueel geweld.
De rechtbank stelt verder vast dat er sprake was van dwang. De rechtbank heeft onder het kopje ten aanzien van de verkrachting van [slachtoffer 6] . uiteengezet dat de dwang ontstond door de gevangenschap en de verhoorsituatie waar [slachtoffer 6] . zich in bevond.
De rechtbank concludeert daarnaast dat er sprake was van seksueel geweld van vergelijkbare ernst. De geweldshandelingen vinden plaats in de context van de verkrachting van [slachtoffer 6] . door de verdachte. De vergelijkbare ernst is hiermee gegeven.
De rechtbank overweegt dat ook aan het derde contextuele vereiste ‘wetenschap van de verdachte’ is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er namelijk geen andere uitleg mogelijk dan dat de verdachte wist van, en inzicht had in, de ernst van zijn handelen, nu hij als verhoorder doelbewust een vrouw heeft verkracht en andere seksuele geweldshandelingen jegens haar heeft verricht terwijl zij zich in gevangenschap bevond.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst.
De verdediging heeft bepleit dat de ten laste gelegde gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als misdrijven tegen de menselijkheid, omdat seksueel geweld geen onderdeel uitmaakte van het NDF-beleid in Salamiyah en daarom niet kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht op de burgerbevolking.
De rechtbank wijst op hetgeen zij onder paragrafen 6.3.1.2. en 6.3.1.5. heeft overwogen, inhoudende dat verkrachting en seksueel geweld door de NDF wijdverbreid en stelselmatig werden ingezet in een aanval tegen de burgerbevolking. De rechtbank ziet in het dossier geen aanleiding om aan te nemen dat dit in Salamiyah anders was. De handelingen passen ook naadloos in het patroon van het gewelddadig onderdrukken van de burgerbevolking. De rechtbank heeft eerder onder paragraaf 6.3.1.7. geconcludeerd dat verdachte als verhoorder van de NDF ook kennis had van deze aanval. De verdachte wist dan ook dat marteling, verkrachting en seksueel geweld zoals gepleegd door verdachte tegen [slachtoffer 6] . onderdeel uitmaakten van die wijdverbreide en stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking.
De rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro f Wim, aan verkrachting in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro g Wim, en aan enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst, als misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 4 lid 1 onderPro g Wim.
6.3.9.2.7. Foltering (feit 18)
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van foltering in de zin van artikel 8 WimPro. De rechtbank heeft eerder onder paragraaf 6.3.9.2.3. vastgesteld dat sprake was van marteling.
De verdediging heeft bepleit dat het feit niet kan worden bewezen, omdat de seksuele handelingen – indien deze kunnen worden bewezen – niet gepleegd zijn om van [slachtoffer 6] . inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, [slachtoffer 6] . te straffen, vrees aan te jagen en/of dwingen iets te doen. Als het al is gebeurd, dan lijkt de beweegreden te zijn geweest het bevredigen van verdachtes seksuele behoefte.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 6] . martelde gebeurde met het oogmerk om van haar inlichtingen te verkrijgen over haar ex-man die was gedeserteerd uit de luchtmacht inlichtingendienst en over haar deelname aan demonstraties tegen het regime. [slachtoffer 6] . heeft namelijk verklaard dat op het arrestatiebevel van de NDF stond dat zij werd gezocht vanwege haar ex-man die was gedeserteerd uit de luchtmacht inlichtingendienst. Tijdens haar detentie werd [slachtoffer 6] . ook bevraagd over haar deelname aan demonstraties tegen het regime.
Dat de marteling werd gepleegd van overheidswege en door een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, in de uitoefening van zijn functie, staat vast. [slachtoffer 6] . werd vastgehouden op een locatie van de NDF en de martelingen werden uitgevoerd door de verdachte als verhoorder van de NDF. De verdachte handelde in uitoefening van zijn functie. De NDF trad conform het beleid van het Syrische regime zeer gewelddadig op tegen opposanten van het regime. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers behoorde tot de standaardwerkwijze van de NDF.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan foltering in de zin van artikel 8 WimPro.
6.3.10.
Dagvaarding III – [slachtoffer 9] .
6.3.10.1. De verklaring van [slachtoffer 9] .
Tijdens de revolutie was [slachtoffer 9] . betrokken bij de coördinatie en organisatie van de revolutie in Salamiyah . Zo bracht zij jongeren van verschillende scholen met elkaar in contact en faciliteerde zij ontmoetingen tussen deze jongeren. Zij hielp hen bij het organiseren van demonstraties door te helpen bij de oproep tot demonstraties en het bepalen van de tijdstippen van deze demonstraties. Verder heeft [slachtoffer 9] . tijdens de revolutie een hulporganisatie voor ontheemden uit Hama en Homs opgericht, waarbij haar belangrijkste taak het inzamelen en uitdelen van medicijnen was. Ook noteerde zij de namen van mensen die gedetineerd waren.
[slachtoffer 9] . heeft verklaard dat zij op 30 juni 2013 is aangehouden door shabiha-militairen van de groep [groep 2] . Zij was toen alleen thuis met haar dochter van veertien jaar. [slachtoffer 9] . is met een bus naar een locatie in agrarisch gebied gebracht. [slachtoffer 9] . denkt dat zij is gebracht naar de boerderij van de familie [familienaam] , een locatie van de NDF. In de bus werd zij geblinddoekt en werden haar handen achter haar rug vastgemaakt.
[slachtoffer 9] . werd verhoord in twee fasen: een fase waarin zij werd gemarteld en een fase waarin zij werd beledigd dan wel uitgescholden. Tijdens de eerste fase bevond [slachtoffer 9] . zich in een kleine verhoorruimte. Naast [slachtoffer 9] . waren er in ieder geval twee andere personen aanwezig. De persoon die [slachtoffer 9] . de eerste klap had gegeven begon [slachtoffer 9] . vragen te stellen en zei onder andere het volgende tegen haar: ‘Jullie willen hoereren, jullie willen als hoeren te werkgaan.’ Na ieder antwoord kreeg [slachtoffer 9] . een klap.
[slachtoffer 9] . heeft verklaard dat ze is geslagen en geschopt op haar gezicht en lichaam, stroomstoten heeft gekregen op het lichaam en bij haar intieme delen en dat zij seksueel is betast en er bij haar is binnengedrongen. Tijdens het verhoor is ze op een bepaald moment bewusteloos geraakt. Ook werd gedreigd om haar dochter thuis op te halen en haar ook te detineren. Iemand had een militair uniform aan en iemand had camouflagekleding met kisten aan.
[slachtoffer 9] . heeft verklaard dat zij na bovengenoemd verhoor naar [detentiecentrum 1] is gebracht en uiteindelijk op 14 juli 2013 is vrijgelaten. [slachtoffer 9] . is in oktober 2013 vertrokken uit Syrië en naar Libanon afgereisd.
6.3.10.2. Vrijspraak
De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 9] . heeft verhoord.
[slachtoffer 9] . heeft verklaard dat zij ongeveer een maand na haar vrijlating de stem van haar verhoorder heeft gehoord toen zij samen met haar familie in een restaurant met zwembad zat. Haar broer zei toen tegen haar dat hij [verdachte] heet. [slachtoffer 9] . had tijdens het verhoor de persoon die haar had geslagen en verhoord niet gezien, maar tijdens de eerste fase van het verhoor had zij gevoeld dat hij korter was dan zij; bredere schouders had dan zij; en een buik, een baard en een breed gezicht had.
De rechtbank overweegt dat de herkenning door [slachtoffer 9] . van de verdachte als haar verhoorder bestaat uit een stemherkenning en algemene lichaamskenmerken die zij heeft gevoeld. De rechtbank stelt voorop dat bij de waardering van de bewijskracht van een stemherkenning, gelet op de feilbaarheid van de menselijke waarneming en het sterk subjectieve element waarmee deze gepaard gaat, behoedzaamheid op zijn plaats is. Met inachtneming van deze behoedzaamheid komt de rechtbank niet tot de vaststelling dat de verdachte de verhoorder is geweest van [slachtoffer 9] . Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
[slachtoffer 9] . heeft meerdere verklaringen afgelegd, bij de politie en de rechter-commissaris. De ene keer heeft zij verklaard dat haar broer haar op een persoon wees, dat ze ‘het gevoel’ kreeg dat het de persoon was die haar gemarteld had en dat zijn stem ‘er ook wel op leek’. Ze vroeg aan haar broer: wie is dit? Hij zei: dit is [verdachte] . En de andere keer heeft [slachtoffer 9] . verklaard dat zij de stem herkende, omkeek en vervolgens aan haar broer heeft gevraagd hoe de betreffende persoon heette, waarna haar broer zei dat het [verdachte] was. Haar zus [naam 21] heeft verklaard dat [slachtoffer 9] . aan haar broer vroeg van wie de stem achter haar was en vervolgens kleurloos werd toen zij van hun broer hoorde dat de stem die zij hoorde van [verdachte] was.
De verschillen tussen deze verklaringen zijn van belang, omdat [slachtoffer 9] . de naam ‘ [verdachte] ’ in relatie tot de mogelijkheid dat hij haar verhoorder was, al eerder had gehoord. [slachtoffer 9] . heeft verklaard dat zij in [detentiecentrum 1] vastzat met drie vrouwen die tegen leden van de NDF een omschrijving van de persoon hadden gegeven die jegens hen seksueel geweld had toegepast. De vrouwen zeiden dat hij niet lang was, een dikke buik en een breed lichaam had. In deze omschrijving herkende [slachtoffer 9] . haar verhoorder. Tegen de soldaten die hen vragen stelden, hadden de vrouwen gezegd dat de persoon die seksueel geweld tegen hen had gebruikt misschien [verdachte] was. Eén van de soldaten zei nadat de vrouwen hem hadden omschreven ‘ja dat was [verdachte] ’, aldus [slachtoffer 9] .
De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van [slachtoffer 9] . dat zij als actievoerder en activist is gedetineerd, mishandeld en seksueel misbruikt door leden van de NDF.
Echter, de rechtbank kan niet vaststellen dat [slachtoffer 9] . (de stem van) de verdachte daadwerkelijk herkende, voordat zij door haar broer op zijn naam werd gewezen. Het kan, gelet op haar uiteenlopende verklaringen ook andersom zijn geweest.
In dat laatste geval is het goed mogelijk dat de herkenning door [slachtoffer 9] . is beïnvloed, doordat zij de naam van de verdachte eerder had gehoord in [detentiecentrum 1] . Het dossier bevat geen andere feiten en omstandigheden die hierover uitsluitsel kunnen geven. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 9] . heeft mishandeld en seksueel misbruikt.
Zo past de vrij algemene omschrijving die [slachtoffer 9] . van haar verhoorder heeft gegeven op meerdere NDF-leden die in het dossier voorkomen en staat, ondanks dat [slachtoffer 9] . heeft geprobeerd een zo gedetailleerd mogelijke beschrijving te geven, ook niet vast waar zij gedetineerd heeft gezeten. De rechtbank kan dus ook niet tot de conclusie komen dat [slachtoffer 9] . op een van de drie in deze zaak bekende detentielocaties gevangen heeft gezeten en dat het, mede gelet op de verklaringen van slachtoffers die op een van die plekken waren gedetineerd, niet anders kan zijn dan dat (ook) [slachtoffer 9] . daar met de verdachte als haar verhoorder in contact is gekomen.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte de verhoorder van [slachtoffer 9] . is geweest en zal de verdachte dan ook vrijspreken van de bij dagvaarding III tenlastegelegde feiten.
6.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1, 2, 4 tot en met 8 en 10 tot en met 19, en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (parketnummer (71/013355-23)
1.Foltering [slachtoffer 1]
hij, in de periode van 3 januari 2013 tot en met 10 januari 2013 te Salamiyah ,
als een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen,
[slachtoffer 1] heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 1] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- tegen zijn gezicht en zijn lichaam te slaan,
- tegen zijn beente schoppen,
- met een geweer op zijn tenen te slaan en
- de loop van een geweer tussen zijn billen te duwen,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 1] inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, enhem vrees aan te jagen, van overheidswege gepleegd .
2.Marteling [slachtoffer 1] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 3 januari 2013 tot en met 10 januari 2013 te Salamiyah ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen,
[slachtoffer 1] heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 1] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- tegen zijn gezicht en zijn lichaam te slaan,
- tegen zijn beente schoppen,
- met een geweer op zijn tenen te slaan en
- de loop van een geweer tussen zijn billen te duwen,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
4.Foltering [slachtoffer 2]
hij, in de periode van 18 oktober 2013 tot en met 24 oktober 2013 in Syrië,
als anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder, van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met anderen
meermalen,
[slachtoffer 2] heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 2] , die zich in gevangenschap bevond,
terwijl die [slachtoffer 2] naakt en/of geblinddoekt was,
meermalen, althans eenmaal,
- tegen zijn lichaam te slaan met een stok en een leren riem en een ijzeren ketting,
- zijn handen op zijn rug te binden en zijn voeten vast te binden en hem ondersteboven aan een touw te hangen,
- een elektrische kabel tegen zijn lichaam te houden,
- op zijn hoofd te stampen,
- te slaan met een riem op zijn geslachtsdeel en met zijn hak te drukken op zijn geslachtsdeel en in/op zijn achterwerk te knijpen en te slaan, en
- hem bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 2] inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling waarvan hij werd verdacht, enhem vrees aan te jagen, van overheidswege gepleegd.
5.Marteling [slachtoffer 2] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 18 oktober 2013 tot en met 24 oktober 2013 in Syrië,
tezamen en in vereniging met anderen,
meermalen,
[slachtoffer 2] heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 2] , die zich in gevangenschap bevond,
terwijl die [slachtoffer 2] naakt en/of geblinddoekt was,
meermalen, althans eenmaal,
- tegen zijn lichaam te slaan met een stok en een leren riem, en een ijzeren ketting,
- zijn handen op zijn rug te binden en zijn voeten vast te binden en hem ondersteboven aan een touw te hangen,
- een elektrische kabel tegen zijn lichaam te houden,
- op zijn hoofd te stampen,
- te slaan met een riem op zijn geslachtsdeel en met zijn hak te drukken op zijn geslachtsdeel en in/op zijn achterwerk te knijpen en te slaan, en
- hem bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
6.Seksueel geweld [slachtoffer 2] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 18 oktober 2013 tot en met 24 oktober 2013 in Syrië,
tezamen en in vereniging met anderen,
enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst als bedoeld in artikel 4 lidPro 1
onder g van de Wet internationale misdrijven heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] ,
door die [slachtoffer 2] ,
meermalen, althans eenmaal, met een riem te slaan op zijn geslachtsdeel en met zijn, verdachtes, hak te drukken op zijn geslachtsdeel en in/op zijn achterwerk te knijpen en te slaan en te zeggen ‘Wat vind je ervan hoerenzoon als ik jou nu castreer zodat je geen hoerenzonen maakt zoals jezelf’,
terwijl die [slachtoffer 2] naakt was,
terwijl dit gebeurde onder dwang, veroorzaakt door de detentie en de verhoorsituatie waarin deze [slachtoffer 2] zich bevond,
terwijl deze andere vorm van seksueel geweld werd gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
7.Foltering [slachtoffer 3]
hij, in de periode van 20 oktober 2013 tot en met 24 oktober 2013 in Syrië,
als anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder, van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met anderen,
[slachtoffer 3] heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 3] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- met een stok en een kabel, tegen zijn rug en/of zijn lichaam te slaan,
- zijn handen op zijn rug te binden en zijn voeten vast te binden en hem ondersteboven aan een touw te hangen en hem tegen zijn rug en zijn benen te slaan, terwijl hij enkel een onderbroek droeg,
- te schoppen tegen zijn rug,
- een voorwerp onder stroom tegen zijn armen en handen aan te houden,
- op zijn hoofd te staan, en/of
- in zijn mond te spugen, en/of
- tegen zijn hoofd en in zijn buik en tegen zijn geslachtsdelen te schoppen,
- met handen en vuisten tegen zijn lichaam te slaan en stompen, en
- hem bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 3] of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen van overheidswege gepleegd.
8.Marteling [slachtoffer 3] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 20 oktober 2013 tot en met 24 oktober 2013 in Syrië,
tezamen en in vereniging met anderen,
[slachtoffer 3] heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 3] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- met een stok en een kabel, tegen zijn rug en/of zijn lichaam te slaan,
- zijn handen op zijn rug te binden en zijn voeten vast te binden en hem ondersteboven aan een touw te hangen en hem tegen zijn rug en zijn benen te slaan, terwijl hij enkel een onderbroek droeg,
- te schoppen tegen zijn rug,
- een voorwerp onder stroom tegen zijn armen en handen aan te houden,
- op zijn hoofd te staan, en/of
- in zijn mond te spugen, en/of
- tegen zijn hoofd en in zijn buik en tegen zijn geslachtsdelen te schoppen,
- met handen en vuisten tegen zijn lichaam te slaan en stompen,
- hem bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
10.Foltering [slachtoffer 4]
hij, in de periode van 20 december 2013 tot en met 15 februari 2014 in Syrië,
als een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten
als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met anderen,
meermalen,
[slachtoffer 4] (ook wel bekend onder de naam: [schuilnaam] ) heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 4] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- zijn handen en voeten vast te binden, en
- vervolgens met handen en een ketting en een kabel en een stuk rubber, op zijn hoofd te slaan (waardoor die [slachtoffer 4] het bewustzijn verloor) en op zijn lichaam te slaan en te schoppen, en op zijn kaak geslagen, en
- hem bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 4] inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, eneen derde te dwingen iets te doen, van overheidswege gepleegd.
11.Marteling [slachtoffer 4] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 20 december 2013 tot en met 15 februari 2014 in Syrië,
tezamen en in vereniging met anderen,
meermalen,
[slachtoffer 4] (ook wel bekend onder de naam: [schuilnaam] ) heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 4] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- zijn handen en voeten vast te binden, en
- vervolgens met handen en een ketting en een kabel en een stuk rubber, op zijn hoofd te slaan (waardoor die [slachtoffer 4] het bewustzijn verloor) en op zijn lichaam te slaan en te schoppen, en op zijn kaak geslagen, en
- hem bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
terwijl deze marteling werd gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
12.Foltering [slachtoffer 5]
hij, omstreeks de periode van 3 januari 2014 tot en met 11 februari 2014 in Syrië,
als een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, als verhoorder, van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen,
[slachtoffer 5] heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 5] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- zijn handen op zijn rug te binden en vervolgens te dwingen in een hurkstand in een autoband te gaan zitten ,
- met water te besproeien ,
- tegen zijn hoofd en schouder en rug en benen en lichaam te schoppen en/of te slaan ,
- met een elektriciteitskabel en een distributieriem en een buis, tegen zijn schouder en/of rug en/of benen en/of lichaam te slaan ,
- in het bijzijn van medegedetineerden te dwingen zijn kleding uit te doen en hemuit te schelden,
- op zijn nek te gaan staan en met zijn voet op zijn nek te drukken, terwijl hij zijn handen op zijn rug had en hij met zijn buik op de grond lag,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 5] inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, van overheidswege gepleegd.
13.Marteling [slachtoffer 5] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 3 januari 2014 tot en met 10 februari 2014 in Syrië,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
[slachtoffer 5] heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 5] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen,
- zijn handen op zijn rug te binden en vervolgens te dwingen in een hurkstand in een autoband te gaan zitten ,
- met water te besproeien ,
- tegen zijn hoofd en schouder en rug en benen en lichaam te schoppen en/of te slaan ,
- met een elektriciteitskabel en een distributieriem en een buis, , tegen zijn schouder en/of rug en/of benen en/of lichaam te slaan ,
- in het bijzijn van medegedetineerden te dwingen zijn kleding uit te doen en hemuit te schelden, en
- op zijn nek te gaan staan en met zijn voet op zijn nek te drukken, terwijl hij zijn handen op zijn rug had en hij met zijn buik op de grond lag,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
hij, in de periode van 10 juli 2013 tot en met 11juli 2013 in Syrië,
als een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder, van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
[slachtoffer 6] . heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 6] ., die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- haar borsten vast te pakken en te slaan,
- meerdere vingers en/of zijn hand in haar vagina te steken,
- haar aan haar haren te trekken,
- zijn penis in haar mond te stoppen terwijl hij zegt ‘doe je tanden weg’, en haar te dwingen hem te pijpen,
- te slaan en te schoppen,
- met zijn penis haar vagina te penetreren, en
- in haar mond en vagina klaar te komen,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 6] . inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, van overheidswege gepleegd.
15. Marteling [slachtoffer 6] . als misdrijf tegen de menselijkheid (persoonsgegevens [slachtoffer 6] . in proces-verbaalnummer 22006-621)
hij, in de periode van 10 juli 2013 tot en met 11juli 2013 in Syrië,
[slachtoffer 6] . heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 6] ., die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- haar borsten vast te pakken en te slaan,
- meerdere vingers en zijn hand in haar vagina te steken,
- haar aan haar haren te trekken,
- zijn penis in haar mond te stoppen terwijl hij zegt ‘doe je tanden weg’, en haar te dwingen hem te pijpen,
- te slaan en te schoppen,
- met zijn penis haar vagina te penetreren, en
- in haar mond en vagina klaar te komen,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
16. Seksueel geweld [slachtoffer 6] . als misdrijf tegen de menselijkheid (persoonsgegevens [slachtoffer 6] . in proces-verbaalnummer 22006-621)
hij, in de periode van 10 juli 2013 tot en met 11juli 2013 in Syrië,
enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderPro g van de Wet internationale misdrijven heeft gepleegd tegen [slachtoffer 6] .,
door (bij) die [slachtoffer 6] .,
meermalen, althans eenmaal,
- haar borsten vast te pakken en te slaan,
- meerdere vingers en zijn hand in haar vagina te steken,
- zijn penis in haar mond te stoppen terwijl hij zegt ‘doe je tanden weg’, en haar te dwingen hem te pijpen,
- met zijn penis haar vagina te penetreren, en
- in haar mond en vagina klaar te komen,
terwijl dit gebeurde onder dwang, veroorzaakt door de detentie en de verhoorsituatie waarin deze [slachtoffer 6] . zich bevond,
terwijl deze andere vorm van seksueel geweld werd gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
17. Verkrachting [slachtoffer 6] . als misdrijf tegen de menselijkheid (persoonsgegevens [slachtoffer 6] . in proces-verbaalnummer 22006-621)
hij, in de periode van 10 juli 2013 tot en met 11juli 2013 in Syrië,
[slachtoffer 6] . heeft verkracht,
door (bij) die [slachtoffer 6] .,
- meerdere vingers en zijn hand in haar vagina te steken,
- zijn penis in haar mond te stoppen en haar te dwingen hem te pijpen, en
- met zijn penis haar vagina te penetreren,
terwijl dit gebeurde onder dwang, veroorzaakt door de detentie en de verhoorsituatie waarin deze [slachtoffer 6] . zich bevond,
terwijl deze verkrachting gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
18.Foltering [slachtoffer 7]
hij omstreeks de periode van 14 oktober 2013 tot en met 26 oktober 2013 in Syrië,
als een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder, van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermalen, althans eenmaal,
[slachtoffer 7] heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 7] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen,
- tegen zijn lichaam te slaan en te schoppen, al dan niet met stokken en touwen,,
- hem tenminste een (1) uur in een koude ruimte te stoppen, en
- vervolgens op de als gevolg van voornoemde handelingen ontstane blauwe en rode plekken op het lichaam van die [slachtoffer 7] te duwen
- een pistool in zijn mond te stoppen, en te zeggen: ‘als je niet praat, ga ik je doodschieten’,
- met zijn voeten vast te binden aan een touw aan het plafond waardoor [slachtoffer 7] op de kop hing en vervolgens dat touw te bewegen waardoor het hoofd van [slachtoffer 7] de grond raakte,
- met zijn hoofd tegen het hoofd van een ander persoon te stoten/duwen,
- meerdere uren achter elkaar geblinddoekt en geboeid op zijn knieën te laten zitten, en
- hem meermaals, althans eenmaal bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en/of de gevolgen daarvan,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 7] inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, van overheidswege gepleegd.
19.Marteling [slachtoffer 7] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in of omstreeks de periode van 14 oktober 2013 tot en met 26 oktober 2013 in Syrië,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermalen,
[slachtoffer 7] heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 7] , die zich in gevangenschap bevond,
meermalen, althans eenmaal,
- tegen zijn lichaam te slaan en te schoppen, al dan niet met stokken en touwen,
- hem tenminste een (1) uur in een koude ruimte te stoppen, en
- vervolgens op de als gevolg van voornoemde handelingen ontstane blauwe en rode plekken op het lichaam van die [slachtoffer 7] te duwen
- een pistool in zijn mond te stoppen, en te zeggen: ‘als je niet praat, ga ik je doodschieten’,
- met zijn voeten vast te binden aan een touw aan het plafond waardoor [slachtoffer 7] op de kop hing en vervolgens dat touw te bewegen waardoor het hoofd van [slachtoffer 7] de grond raakte,
- met zijn hoofd tegen het hoofd van een ander persoon te stoten/duwen,
- meerdere uren achter elkaar geblinddoekt en geboeid op zijn knieën te laten zitten, en
- hem meermaals, althans eenmaal bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en/of de gevolgen daarvan,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking.
Dagvaarding II (71/187276-25)
1. Foltering [slachtoffer 8]
hij, in de periode van 11januari 2014 tot en met 12 februari 2014 in Syrië,
als een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde National Defence Force,
in de uitoefening van zijn functie,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermalen,
[slachtoffer 8] heeft gefolterd,
door (bij) die [slachtoffer 8] , die zich in gevangenschap bevond,
terwijl die [slachtoffer 8] naakt en geblinddoekt was,
- meermalen met een voorwerp en de platte hand en de vuist op/tegen zijn nek en zijn buik en andere delen van zijn lichaam te slaan en eenmaal tegen het achterwerk te schoppen,
- met een voorwerp op/tegen de mond/de kaak te slaan, als gevolg waarvan meerdere van de tanden van die [slachtoffer 8] afbraken,
- tegen de geslachtsdelen te schoppen,
- drie dagen naakt in een zeer koude en zeer kleine isolatieruimte te doen verblijven,
- gedurende de drie dagen geeneten en drinken te geven, en
- hem meermaals bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
met het oogmerk om van die [slachtoffer 8] inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, enhem te dwingen iets te doen van overheidswege gepleegd;
2.Marteling [slachtoffer 8] als misdrijf tegen de menselijkheid
hij, in de periode van 11januari 2014 tot en met 12 februari 2014 in Syrië,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermalen,
[slachtoffer 8] heeft gemarteld,
door (bij) die [slachtoffer 8] , die zich in gevangenschap bevond,
terwijl die [slachtoffer 8] naakt en geblinddoekt was,
- meermalen met een voorwerp en de platte hand en de vuist op/tegen zijn nek en zijn buik en andere delen van zijn lichaam te slaan en eenmaal tegen het achterwerk te schoppen,
- met een voorwerp op/tegen de mond/de kaak te slaan, als gevolg waarvan meerdere van de tanden van die [slachtoffer 8] afbraken,
- tegen de geslachtsdelen te schoppen,
- drie dagen naakt in een zeer koude en zeer kleine isolatieruimte te doen verblijven,
- gedurende de drie dagen geeneten en drinken te geven, en
- hem meermaals bloot te stellen aan het martelen van andere gedetineerden en de gevolgen daarvan,
terwijl deze marteling gepleegd werd als onderdeel van een wijdverbreide en stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking,
terwijl hij, verdachte, wist dat deze gedragingen onderdeel waren van een wijdverspreide en stelselmatige aanval uitgevoerd door de Syrische overheid tegen de Syrische burgerbevolking;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
7.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
8.De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
9.De strafoplegging
9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben namens de verdachte de rechtbank – indien zij tot een bewezenverklaring komt – verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat de verdachte tijdens zijn detentie bij de NDF ernstig is gemarteld en dit rechtstreeks verband houdt met – in ieder geval een deel van – de tenlastelegging. Verder heeft de verdediging de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafmaat aansluiting te zoeken bij de straffen die door internationale tribunalen worden opgelegd. Ook hebben de raadslieden naar voren gebracht dat bij veel feiten sprake is van eendaadse samenloop, de verdachte geen strafblad heeft en de redelijke termijn is overschreden. De raadslieden hebben ook benadrukt dat bij het bepalen van de strafmaat geen rekening mag worden gehouden met beschuldigingen dan wel verdenkingen die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de detentie de verdachte zwaar valt, omdat hij geen Nederlands spreekt en hij zorgen heeft over de toekomst, omdat de verdachte in geval van een veroordeling vermoedelijk in de illegaliteit terecht komt.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in 2013 vrijwillig aangesloten bij de NDF, een paramilitaire organisatie die gelieerd was aan het Syrische regime van Bashar al-Assad. Deze organisatie werd op lokaal niveau ingezet om protesten tegen het regime neer te slaan en opposanten te arresteren. Hiertoe voerde de NDF zelfstandig arrestaties uit. Het op grote schaal oppakken en martelen van burgers was de standaardwerkwijze van de NDF.
De verdachte is als verhoorder bij de NDF betrokken geweest bij het martelen, folteren, verkrachten of anderszins seksueel misbruiken van acht slachtoffers die in dit vonnis zijn besproken, ofwel door daar aan anderen opdracht toe te geven, ofwel door dit zelf te doen. De slachtoffers werden tijdens hun gevangenschap onder meer gedwongen ontkleed, geboeid en geblinddoekt, langdurig met voorwerpen geslagen, geschopt, opgevouwen in een autoband, ondersteboven opgehangen of geëlektrocuteerd. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van meerdere slachtoffers. Een van de slachtoffers heeft hij verkracht. Het dossier laat een indringend en ontluisterend beeld zien van de rol van de verdachte binnen de NDF en van de persoon van de verdachte. Hij creëerde keer op keer, bij ieder slachtoffer, omstandigheden van doodsangst, dreiging, pijn, uitzichtloosheid en machteloosheid. De slachtoffers hebben in detentie onafgebroken gevreesd voor de veiligheid van hun families en vrienden en zich afgevraagd of ze de gevangenis levend zouden verlaten.
Uit het dossier komt het beeld naar voren dat de verdachte plezier haalde uit het pijnigen van slachtoffers en er genoegen in schepte de slachtoffers te vernederen, getuige onder andere verklaringen over het moeten eten van salami van de grond of het schoppen tegen de mond van een slachtoffer en daarbij te zeggen ‘je moet mijn militaire laarzen opeten’. Ook volgt dit uit het extreme seksuele geweld tegen slachtoffers en het daarom laten lachen door andere aanwezige NDF-leden. De verdachte heeft de slachtoffers met zijn handelen ontmenselijkt en tot in het diepst vernederd.
De verdachte beschikte in zijn hoedanigheid als verhoorder over het lot van de gedetineerden, onder meer over overplaatsing naar gevangenissen van de veiligheidsdiensten, waar zij opnieuw zouden worden vastgehouden en gemarteld. Het wekt bij de rechtbank afschuw dat hij de slachtoffers vertelde dat zijn gezicht het laatste was dat ze zouden zien, of dat hij nu hun ‘God’ was.
De bewezenverklaarde feiten kwalificeren als foltering en de misdrijven tegen de menselijkheid marteling, verkrachting en seksueel geweld van vergelijkbare ernst. Foltering en misdrijven tegen de menselijkheid behoren tot de ernstigste internationale misdrijven. Dit soort misdrijven vervult de internationale gemeenschap met grote zorg en mag niet onbestraft blijven. Het verbod op foltering is bovendien dwingend recht ( jus cogens). Oftewel, het is een regel die als zo fundamenteel voor de internationale rechtsorde wordt beschouwd dat daar nooit, ook niet in noodsituaties, van mag worden afgeweken. Dit onderstreept de buitengewone ernst van dat feit. De ernst van de misdrijven wordt ook benadrukt door het strafmaximum voor deze feiten van een levenslange gevangenisstraf.
De rechtbank rekent het de verdachte zeer aan dat hij deze ernstige misdrijven over een lange periode heeft gepleegd. De verdachte heeft bij ieder slachtoffer opnieuw de keuze gemaakt om misdrijven van deze aard en ernst te plegen.
De buitengewone ernst van de feiten is voorts gelegen in de omstandigheid dat deze zijn gepleegd ter uitvoering van het autoritaire beleid van het Syrische regime. Door als verhoorder te werken bij de NDF heeft de verdachte geholpen dit beleid in stand te houden. De rechtbank overweegt dat het niet anders kan dan dat de verdachte volledig instemde met dit beleid en het gevoerde regime.
Hoe ingrijpend de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten voor het persoonlijke leven van de slachtoffers is, blijkt uit hun op de terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De slachtoffers op indringende wijze verteld wat de bewezenverklaarde feiten met hen hebben gedaan en hoe deze feiten hen tot de dag van vandaag beïnvloeden en achtervolgen. Zo heeft een van de slachtoffers verklaard dat hij sinds zijn detentie nog altijd onder constante angst leeft. Hij heeft lang de straat niet op gedurfd, omdat hij bang was dat hij opnieuw gearresteerd, vastgezet en gemarteld zou worden. Een ander slachtoffer heeft verklaard dat hij pijnlijke en ondraaglijke herinneringen heeft aan hoe dicht hij bij de dood is geweest en aan de angst om zijn kinderen nooit meer te zien. Een volgend slachtoffer heeft gezegd dat het gebeurde diepe littekens op zijn leven heeft achtergelaten. Hij voelt nog steeds de loop van het pistool in zijn mond en hoort verdachtes opgewonden stem die hem vroeg: ruik je de geur van buskruit? Ik kan je leven nu beëindigen.
De verdachte heeft de slachtoffers tijdens de zittingsdagen vele malen beledigd, zwartgemaakt en zich laatdunkend uitgelaten over hen, hun familie en hetgeen zij hebben verklaard. Hiermee heeft de verdachte wéér pijn veroorzaakt bij de slachtoffers. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum van 19 maart 2025, opgesteld door psychiater E.M.J. van Dienst onder supervisie van psychiater M. Fluit en GZ-psycholoog T. ‘t Hoen.
Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapport) volgt dat bij de verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin. Een persoonlijkheidsstoornis is volgens de deskundigen niet te onderbouwen, maar ook niet definitief uit te sluiten. De deskundigen hebben geobserveerd dat de verdachte op momenten een autoritaire en dwingende indruk maakt. Voorts kunnen de deskundigen zich niet aan het beeld onttrekken dat de verdachte in zijn presentatie soms geneigd is tot dramatiseren en het overdrijven van zijn emoties. Voorts valt het de deskundigen op dat de verdachte een overmatige focus heeft op zijn eigen persoon en sprake lijkt te zijn van een gebrek aan gemeende empathie met een zekere onverschilligheid voor de gevoelens van anderen.
Strafmaat en strafmodaliteit
Andere Nederlandse strafzaken betreffende internationale misdrijven bieden slechts beperkt houvast voor het bepalen van de hoogte van de straf, omdat dergelijke zaken veelal zeer specifiek zijn en zich niet eenvoudig laten vergelijken. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en uitzonderlijke ernst van de feiten en het strafmaximum, de bewezenverklaarde feiten slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf neemt de rechtbank in aanmerking dat bij elk slachtoffer sprake is van eendaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde misdrijven.
Redelijke termijn
De rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht is gewaarborgd. Als uitgangspunt heeft in zaken van preventief gehechte verdachten te gelden dat de behandeling op de terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte is op 8 december 2023 door de politie aangehouden. De rechtbank doet op 15 juni 2026, dus na meer dan dertig maanden, uitspraak.
Onderhavige zaak heeft betrekking op strafbare feiten die niet op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden. Dat bemoeilijkt het opsporingsonderzoek. Het dossier bevat verder een groot aantal verklaringen van in het buitenland verblijvende getuigen die, mede op verzoek van de verdediging, zijn gehoord. Het opsporingsonderzoek is pas gedurende de inhoudelijke behandeling van de zaak afgerond. Gelet op de omvang en ingewikkeldheid van het onderzoek, de aard en uitzonderlijke ernst van de verdenkingen, is de rechtbank van oordeel dat de zaak zo voortvarend mogelijk is onderzocht en behandeld. Daardoor is sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie over de strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig jaren passend en geboden is. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal hiervan worden afgetrokken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 SvPro.
10.De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , voor een bedrag van € 35.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 2] , voor een bedrag van € 35.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 3] , voor een bedrag van € 35.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 4] , voor een bedrag van € 30.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 5] , voor een bedrag van € 30.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 6] ., voor een bedrag van € 35.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 7] , voor een bedrag van € 30.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 8] , voor een bedrag van € 35.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[slachtoffer 9] ., voor een bedrag van € 35.000, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partijen vorderen de wettelijke rente vanaf het moment dat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarin de procespartijen op voorhand standpunten hebben ingenomen over de vorderingen tot schadevergoeding.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 enPro artikel 4, eerste lid, van de Rome II-verordening (Verordening EG, nr. 864/2007) moeten de vorderingen tot schadevergoeding, zo de rechtbank daar aan toekomt, inhoudelijk naar Syrisch materieel burgerlijk recht worden beoordeeld. Op de behandeling van de vorderingen binnen het onderhavige strafproces is het Nederlandse (proces)recht van toepassing. De ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding
10.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden van de verdachte hebben bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding. Daartoe hebben zij in de schriftelijke ronde op 8 december 2025 onder meer en kort gezegd aangevoerd dat destijds naar Syrisch recht sprake was van strafrechtelijke immuniteit voor onder andere het personeel van de Syrische veiligheidsdiensten wegens marteling en foltering in het kader van hun publieke taak. Daardoor is het naar Syrisch recht evenmin mogelijk kennis te nemen van de daarop gebaseerde ingediende civiele vorderingen tot schadevergoeding tegen de verdachte. Op de terechtzitting van 23 april 2026 hebben de raadslieden dit standpunt herhaald.
10.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in de schriftelijke ronde op 9 december 2025 aangevoerd dat Syrische wet- en regelgeving die de strafbaarheid van overheidsfunctionarissen voor de in deze zaak tenlastegelegde feiten uitsluit, in strijd is met het internationale recht en daardoor niet rechtsgeldig is. Uit het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (VN-antifolterverdrag), waar Syrië sinds 2004 verdragspartij bij is, volgt immers dat partijen wetgeving moeten invoeren om foltering te voorkomen en strafbaar te stellen, dat geen enkele omstandigheid kan worden aangevoerd als rechtvaardiging voor foltering en dat iedere staat dient te waarborgen dat slachtoffers van foltering een rechtens afdwingbaar recht op schadevergoeding hebben. Ter terechtzitting van 22 april 2026 heeft de officier van justitie dit standpunt herhaald en daar aan toegevoegd dat dit ook geldt voor slachtoffers van andere internationale misdrijven. Erkenning van een immuniteitsregeling in het Syrische recht zou volgens de officier van justitie betekenen dat de Nederlandse rechtbank handelt in strijd met een fundamenteel beginsel van internationaal recht.
10.3.
Het standpunt van de advocaten van de benadeelde partijen
De advocaten van de benadeelde partijen hebben in hun brief van 7 april 2026 en op de terechtzitting van 12 mei 2026 aangevoerd dat zelfs als het Syrische recht immuniteit bood aan een folteraar, dit gegeven in de onderhavige strafzaak zou afstuiten op de openbare orde-exceptie. Artikel 10:6 BWPro belet immers toepassing van een bepaling van buitenlands recht die kennelijk onverenigbaar is met onze openbare orde. Daarvan is sprake bij een beroep op immuniteit door een folteraar. Foltering en marteling zijn immers internationale misdrijven die ook in strijd zijn met het internationaal gewoonterecht.
10.4.
Het oordeel van de rechtbank
Immuniteit van jurisdictie
Aan de orde is het leerstuk van immuniteit van jurisdictie. Dit houdt in dat de rechter van de ene staat niet bevoegd is te oordelen over het gedrag van een andere staat of een functionaris van die andere staat. In dat laatste geval gaat het om functioneleimmuniteit van jurisdictie. De vraag of een functionaris van een andere staat strafrechtelijk kan worden vervolgd voor bepaalde strafbare feiten staat los van de vraag of hij ook civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade (zie o.m. ECLI:NL:GHDHA:2021:2374, r.o. 3.17 tot en met 3.20). [25] Bij het navolgende gaat het uitdrukkelijk niet om de vraag of de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de aan hem verweten strafbare feiten. Die vraag heeft de rechtbank hierboven al bevestigend beantwoord onder r.o. 3. Het gaat alleen om de vraag of de verdachte daarnaast ook civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die de benadeelde partijen stellen te hebben geleden.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 augustus 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1132) over functionele immuniteit van jurisdictie in civiele zaken onder meer overwogen (r.o. 3.2 tot en met 3.6, inclusief verwijzingen) dat op grond van artikel 13a van de Wet algemene bepalingen (hierna: Wet AB) de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Tot de bronnen van het volkenrecht behoort het internationaal gewoonterecht. Een regel van internationaal gewoonterecht bestaat als sprake is van een algemene statenpraktijk en van een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging. Uitgangspunt is dat een staat zelf immuniteit van jurisdictie geniet voor typische overheidshandelingen en dat die immuniteit zich ook uitstrekt tot functionarissen van die staat voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun publieke functie (zogeheten functionele immuniteit).
Naar de huidige stand van het internationaal gewoonterecht geldt op het uitgangspunt van immuniteit van jurisdictie van een staat geen uitzondering op grond van de aard of de ernst van de aan die staat verweten gedragingen. Dat op dit punt sprake is van een regel van internationaal gewoonterecht is onder meer in 2012 vastgesteld door het Internationaal Gerechtshof in zijn uitspraak inzake Jurisdictional Immunities of the State, op basis van een analyse van rechtspraak van internationale en nationale gerechten en andere rechtsbronnen. [26] Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in 2001 in zijn uitspraak in de zaak Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk, eveneens op basis van internationale rechtsbronnen, in vergelijkbare zin geoordeeld. [27] Deze rechtspraak ziet op de immuniteit van jurisdictie van de staat zelf. Dat het internationaal gewoonterecht in het kader van de functionele immuniteit van overheidsfunctionarissen evenmin een uitzondering op het uitgangspunt van immuniteit van jurisdictie aanvaardt op grond van de aard of de ernst van de hun verweten gedragingen, heeft het EHRM in 2014 beslist. [28] Het EHRM heeft daarbij benadrukt dat moet worden voorkomen dat de immuniteit van jurisdictie van de staat zelf wordt omzeild door zijn functionarissen aan te spreken. Voorts heeft het EHRM geoordeeld dat (functionele) immuniteit van jurisdictie weliswaar een beperking vormt van het door artikel 6 EVRMPro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, maar dat die beperking geen schending van artikel 6 EVRMPro oplevert. Volgens het EHRM is in dit verband niet van belang of de rechtzoekende een alternatief forum ter beschikking staat. Aldus kan volgens de Hoge Raad uit de rechtspraak een regel van internationaal gewoonterecht worden afgeleid die inhoudt dat overheidsfunctionarissen voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun publieke functie, in een civiele zaak voor de rechter van een andere staat een beroep op immuniteit van jurisdictie toekomt, ongeacht de aard en de ernst van de hun verweten gedragingen.
Toepasselijkheid van de rechtspraak over immuniteit van jurisdictie in een strafzaakDe onderhavige zaak betreft geen civiele zaak van de slachtoffers tegen de verdachte. Zij hebben zich echter wel met vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. Deze door de wetgever voorziene procedure binnen de context van het strafproces dient er - net als een civiele procedure - toe dat een benadeelde partij schadeloos kan worden gesteld voor de schade die zij heeft geleden, voor zover de verdachte daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. [29] De rechtbank is daarom van oordeel dat de rechtspraak over functionele immuniteit van jurisdictie in civiele zaken ook van toepassing is, indien een slachtoffer zich als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd en komt vast te staan dat de verdachte de handelingen die schade zouden hebben veroorzaakt, als overheidsfunctionaris van een vreemde staat aldaar heeft verricht in de uitoefening van zijn publieke functie.
Ambtshalve aanvulling van rechtsgrondenArtikel 25 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verplicht de rechter, ook in de voor de benadeelde partij voorziene procedure binnen het strafproces, ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. De rechtbank vult daarom de door de raadslieden van de verdachte aangevoerde gronden in die zin aan, dat deze komen te luiden dat de verdachte als voormalige Syrische overheidsfunctionaris naar internationaal gewoonterecht een beroep op functionele immuniteit van jurisdictie toekomt voor handelingen die hij heeft verricht in de uitoefening van zijn publieke functie.
Komt de verdachte een beroep op functionele immuniteit van jurisdictie toe?De rechtbank is gelet op alle feitelijke vaststellingen in dit vonnis van oordeel dat de verdachte ten tijde van de feiten waarop de vorderingen tot schadevergoeding zijn gebaseerd, was aan te merken als een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde NDF en dus ook dat hij zijn handelingen heeft - of in het geval van de benadeelde partij [slachtoffer 9] . zou hebben- verricht in de uitoefening van die publieke functie.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte naar internationaal gewoonterecht voor de handelingen waarop de vorderingen tot schadevergoeding zijn gebaseerd, een beroep op functionele immuniteit van jurisdictie toekomt.
Rechtsgevolg voor de vorderingen tot schadevergoeding
Artikel 13a Wet AB bepaalt dat de rechtsmacht van de rechter wordt beperkt door “de uitzonderingen in het volkenregt erkend.” Tot deze uitzonderingen behoren, zoals de Hoge Raad in het genoemde arrest heeft overwogen, de in het internationaal gewoonterecht erkende immuniteiten van jurisdictie.
De rechtbank ziet het grote leed van de benadeelde partijen en de gevolgen die de door de verdachte gepleegde strafbare feiten voor hen hebben gehad. Zij concludeert echter dat zij geen rechtsmacht heeft ter zake van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en daar daarom geen kennis van kan nemen. De rechtbank vindt het invoelbaar dat dit oordeel voor de benadeelde partijen als een onrechtvaardige uitkomst zou kunnen worden ervaren.
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande meebrengt dat de benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Het beroep van de advocaten van de benadeelde partijen op de openbare orde exceptieDe rechtbank komt niet toe aan het beroep van de advocaten van de benadeelde partijen op de openbare orde exceptie van artikel 10:6 BWPro. Deze bepaling houdt in dat ‘vreemd recht’ - dat wil zeggen het recht van een andere staat - niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte naar internationaal gewoonterecht een beroep op (functionele) immuniteit van jurisdictie toekomt, doet zich de door de advocaten van de benadeelde partijen bedoelde situatie niet voor.
11.De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 4 en 8 van de Wet internationale misdrijven.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
12.12. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 3 en 9, de bij dagvaarding II onder 3 en de bij dagvaarding III tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2, 4 tot en met 8 en 10 tot en met 19, en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 6.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feiten 7, 8, 10, 11, 18 en 19, dagvaarding II, feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van foltering door een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie
en
medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid marteling;
ten aanzien van dagvaarding I, feiten 4 tot en met 6:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van foltering door een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie
en
medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid marteling
en
medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;
ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2 en 12 en 13:
eendaadse samenloop van:
(medeplegen van) foltering door een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie
en
(medeplegen van) het misdrijf tegen de menselijkheid marteling
ten aanzien van dagvaarding I, feiten 14 tot en met 17:
eendaadse samenloop van:
foltering door een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie
en
het misdrijf tegen de menselijkheid marteling
en
het misdrijf tegen de menselijkheid verkrachting
en
het misdrijf tegen de menselijkheid enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 26 (ZESENTWINTIG) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
bepaalt dat de benadeelde partijen:
- [slachtoffer 1] ;
- [slachtoffer 2] ;
- [slachtoffer 3] ;
- [slachtoffer 4] ;
- [slachtoffer 5] ;
- [slachtoffer 8] ;
- [slachtoffer 7] ;
- [slachtoffer 8] ; en
- [slachtoffer 9]
niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen, rechter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. K. Muijsert en D.G. Lammerts van Bueren, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2026.
Voetnoten
1.ICC (Pre-Trial Chamber II) 15 juni 2009, ICC-01/05-01/08 (Prosecutor v. Bemba), para. 193.
2.KSC 16 december 2022, KSC-BC-2020-05 (Prosecutor v. Mustafa), para. 668.
3.KSC 16 december 2022, KSC-BC-2020-05 (Prosecutor v. Mustafa), para. 669.
4.Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715, zie ook KSC 16 december 2022, KSC-BC-2020-05 (Prosecutor v. Mustafa), para 670-671 voor additionele vormen van marteling.
5.ICC (Pre-Trial Chamber II) 15 juni 2009, ICC-01/05-01/08 (Prosecutor v. Bemba), para. 194. Zie ook ICTY (Appeals Chamber) 28 februari 2005, IT-98-30/1-A (Prosecutor v. Kvočka e.a.), para. 308.
6.C. Stahn, in: K. Ambos (red.), Rome Statute of the International Criminal Court: Article-by-Article Commentary, München: C.H. Beck/Hart/Nomos 2022, art. 7, para 238.
7.ICC (Trial Chamber III) 21 maart 2016, ICC-01/05-01/08-3343 (Prosecutor v. Bemba), para. 98.
8.ICC (Trial Chamber II) 7 maart 2014, ICC-01/04-01/07 (Prosecutor v. Katanga), para. 963.
9.ICC (Trial Chamber III) 21 maart 2016, ICC-01/05-01/08-3343 (Prosecutor v. Bemba), para. 101. Zie ook ICTY (Trial Chamber) 10 december 1998, IT-95-17/1 (Prosecutor v. Furundžija), para. 257-269; ICTY (Trial Chamber) 16 november 1998, IT-96-21-T (Prosecutor v. Delalić e.a.).
10.ICTR (Trial Chamber I) 2 september 1998, ICTR-96-4 (Prosecutor v. Akayesu), para. 688.
11.J. Powderly & N. Hayes, in: K. Ambos (red.), Rome Statute of the International Criminal Court: Article-by-Article Commentary, München: C.H. Beck/Hart/Nomos 2022, art. 7, para. 88.
12.ICC (Trial Chamber IX) 4 februari 2021, ICC-02/04-01/15 (Prosecutor v. Ongwen), para. 2716; ICTR (Trial Chamber I) 2 september 1998, ICTR-96-4 (Prosecutor v. Akayesu), para. 688.
13.ICTY (Appeals Chamber) 27 januari 2014, IT-05-87/1 (Prosecutor v. Đorđević), para. 852.
14.ICTY (Trial Chamber) 26 februari 2009, IT-05-87 (Prosecutor v. Milutinović e.a.), para 199, ICTY (Appeals Chamber) 27 januari 2014, IT-05-87/1 (Prosecutor v. Đorđević), para. 852, ICC (Pre-Trial Chamber II) 23 januari 2012, ICC-01/09-02/11 (Prosecutor v. Kenyatta e.a.), para. 265.
15.ICC (Trial Chamber IX) 4 februari 2021, ICC-02/04-01/15 (Prosecutor v. Ongwen), para. 2716.
16.ICC (Pre-Trial Chamber III) 10 juni 2008, ICC-01/05-01/08 (Prosecutor v. Bemba), para. 39-40.
17.Powderly & Hayes, 2022, art. 7, para. 126-131.
18.ICTR (Trial Chamber I) 2 september 1998, ICTR-96-4 (Prosecutor v. Akayesu), para. 688; ICTY (Trial Chamber) 10 december 1998, IT-95-17/1 (Prosecutor v. Furundžija), para. 82, 264-269, 282; ICTY (Trial Chamber II) 22 februari 2001, IT-96-23-T (Prosecutor v. Kunarac e.a.), para. 86, 187, 196, 204, 766-774.
19.G. Mettraux, International Crimes - Law and Practice, Volume II: Crimes Against Humanity, Oxford: Oxford University Press 2020, p. 789-790; Powderly & Hayes,.2022, art. 7, para 132.
20.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3, p. 7.
21.Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3, p. 8.
22.Zie Rb. 's-Gravenhage 7 april 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444 (hoofdstuk 16, nr. 22) met betrekking tot de Uitvoeringswet Foltering die per 1 oktober 2001 door de WIM is vervangen maar in dit opzicht geen gewijzigde ratio van de
26.IGH 3 februari 2012, Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy; Greece intervening), I.C.J. Reports 2012, p. 99).
27.EHRM 21 november 2001, nr. 35763/97 (Al-Adsani/Verenigd Koninkrijk). Zie tevens EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12 (Stichting Mothers of Srebrenica e.a./Nederland), punt 158, en HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1999, rov. 4.3.14).
28.EHRM 14 januari 2014, nrs. 34356/06 en 40528/06 (Jones e.a./Verenigd Koninkrijk), punt 200 e.v.
29.Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad over de benadeelde partij: ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.1.