ECLI:NL:RBDHA:2026:16145

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.11606
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a lid 1 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens overdracht en recht op schadevergoeding

Eiser, een vreemdeling met de Egyptische nationaliteit, werd op 2 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een voorgenomen overdracht naar een andere lidstaat. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 9 maart 2026 op. De rechtbank behandelde het beroep op 17 maart 2026.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was. Eiser stelde dat de minister niet aan zijn inspanningsplicht had voldaan met betrekking tot rechtsbijstand tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring en dat hij onterecht niet aanwezig kon zijn bij de zitting. De rechtbank oordeelde dat eiser voorafgaand aan het gehoor telefonisch contact had met zijn advocaat en dat de minister voldoende inspanningen had verricht, waardoor geen sprake was van een onrechtmatige maatregel.

Verder overwoog de rechtbank dat het fundamentele recht om gehoord te worden niet absoluut is en onder omstandigheden beperkt kan worden. De belangenafweging wees uit dat de mogelijkheid tot opheffing van de bewaring voor de uitzetting zwaarder woog dan het belang van eiser om bij de zitting aanwezig te zijn, mede omdat de overdracht al was aangekondigd en eiser al was overgedragen.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de bewaring, met uitzondering van één grond die niet aan eiser kon worden tegengeworpen, feitelijk juist waren en dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11606

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 9 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Rechtsbijstand bij gehoor
3. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling niet aan zijn inspanningsplicht heeft voldaan. Aan eiser is niet om goedkeuring gevraagd voor het laten plaatsvinden van het gehoor zonder rechtsbijstand. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 september 2024. [1]
4. De rechtbank stelt vast dat in de M105 aan eiser is medegedeeld dat hij in geval van verhoor recht heeft op bijstand van zijn advocaat. Eiser heeft aangegeven hiervan gebruik te willen maken. [2] In de M110 staat verder dat de advocatenpiketdienst voor aanvang van het gehoor op de hoogte is gesteld. Er is contact geweest met een collega advocaat van gemachtigde van eiser. [3] Deze gaf aan niet bij het gehoor aanwezig te kunnen zijn maar eiser voorafgaand aan het gehoor telefonisch te willen spreken. Het gesprek zou gevoerd worden door gemachtigde van eiser. Vervolgens heeft de ambtenaar aangegeven dat eiser bij het gehoor recht heeft op rechtsbijstand en de hiervoor weergegeven gang van zaken met betrekking tot het contact met de advocaten aan eiser medegedeeld. Hierin is ook vermeld dat eiser contact heeft gehad met zijn huidige gemachtigde. Eiser heeft hierop ‘Oké’ geantwoord. [4] Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, die overigens niet door eiser is betwist, is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond van eiser niet slaagt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn inspanningsplicht. Nog los van de vraag of de minister expliciet om goedkeuring moet vragen voor het laten aanvangen van het gehoor zonder rechtsbijstand, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn belangen is geschaad en dat de maatregel daardoor onrechtmatig moet worden geacht. Eiser heeft immers voorafgaand aan het bewaringsgehoor telefonisch contact gehad met zijn advocaat. Er is dus geen sprake van een gebrek met betrekking tot de rechtsbijstand tijdens het gehoor dat moet leiden tot een onrechtmatige bewaringsmaatregel. De verwijzing van eiser naar de rechtbankuitspraak slaagt niet. Daarin was namelijk niet dezelfde situatie aan de orde als die van eiser, aangezien eiser wel telefonisch contact heeft gehad met zijn advocaat en door de ambtenaar niet enkel eenzijdig is medegedeeld dat de advocaat niet komt.
Aanwezigheid zitting
5. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht als het gaat over het recht van eiser om aanwezig te zijn bij de zitting. Eiser is voor de zitting overgedragen. Hiermee is zijn fundamentele recht om door een rechter te worden gehoord geschonden.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Door de Afdeling [5] is geoordeeld dat het recht om te worden gehoord een fundamenteel onderdeel is van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. [6] Volgens de Afdeling is het recht om te worden gehoord echter niet absoluut en kan het onder omstandigheden worden beperkt. Een beperking moet wel evenredig zijn en de kern van het recht niet aantasten. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een individuele beoordeling. Of de minister een inspanningsverplichting heeft om alternatieven te onderzoeken zodat een vreemdeling bij een zitting aanwezig kan zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [7]
7. De bewaring van eiser vindt plaats met het oog op zijn overdracht. Afhankelijk van de wijze waarop een vreemdeling wordt overgedragen vergt dit de nodige voorbereiding. De overdracht met vertrek op 9 maart 2026 is op 4 maart 2026 aangekondigd. De rechtbank heeft partijen op 4 maart 2026 op de hoogte gesteld van de mondelinge behandeling. Wanneer de overdracht van eiser vanwege zijn aanwezigheid ter zitting zou moeten worden uitgesteld dan zou dat betekenen dat eiser langer in bewaring verblijft, terwijl het uitgangspunt juist is dat de bewaring zo kort mogelijk en niet langer duurt dan noodzakelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de mogelijkheid van opheffing van de maatregel voor eisers uitzetting zwaarder weegt dan eisers belang om bij de mondelinge behandeling van het beroep tegen de maatregel aanwezig te zijn. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat de gemachtigde van eiser pas de avond voor de zitting een beroep heeft gedaan op zijn recht om te worden gehoord. Op dat moment was eiser al overgedragen. Van eiser dan wel zijn gemachtigde had verwacht mogen worden dat zij dit eerder kenbaar hadden gemaakt, bijvoorbeeld op het moment dat zij erachter kwamen wanneer de datum van de mondelinge behandeling bekend werd.
De gronden van de maatregel van bewaring
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
9. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve de juistheid van zware grond 3e aan de orde gesteld. De minister heeft deze grond ter zitting gehandhaafd en gesteld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet aan eiser kan worden tegengeworpen omdat er geen sprake is van het verstrekken van onjuiste of tegenstrijdige gegevens maar enkel een andere volgorde van weergave van de door eiser opgegeven namen.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de gronden niet heeft betwist. Ook de rechtbank is van oordeel dat deze gronden, met uitzondering van zware grond 3e, feitelijk juist zijn en samen met de toelichting daarbij terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden kunnen de maatregel dragen, omdat daaruit een significant risico op onttrekking aan het toezicht volgt.
Ambtshalve toets en conclusie
12. De rechtbank overweegt tot slot dat de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel niet tot de conclusie leidt dat de maatregel van bewaring tot het moment van de opheffing op enig moment onrechtmatig was.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W.M. Heyman, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 maart 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Pagina 3 van de M105.
3.Pagina 1 van de M110.
4.Pagina 3 van de M110.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie o.a. de Afdelingsuitspraak van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991) en van 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3939).
7.Afdelingsuitspraak van 15 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:86).