ECLI:NL:RBDHA:2026:16244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19259 en NL26.19260
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met Turkse nationaliteit, verzoekt de rechtbank om het besluit van de minister van Asiel en Migratie te vernietigen waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun verdragsverplichtingen nakomen. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

Ook is niet gebleken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of onvoldoende gemotiveerd heeft waarom geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 Dublinverordening Pro. De omstandigheden die eiser aanvoert zijn onvoldoende onderbouwd en niet bijzonder genoeg om overdracht te weigeren.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van connexiteit. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter D.C. Laagland.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19259 en NL26.19260
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2004 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst verzoekt eiser hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaal en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft nagelaten een individuele beoordeling te verrichten van de aangevoerde omstandigheden van eiser met betrekking tot zijn eerdere asielprocedure in Duitsland. Eisers asielaanvraag is eerder in Duitsland afgewezen en hij kreeg daarna geen adequate bijstand meer van zijn advocaat. Volgens eiser heeft verweerder volstaan met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder in te gaan op de individuele omstandigheden van eiser. Daarnaast heeft verweerder zijn standpunt dat er geen sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro [2] en artikel 4 Handvest Pro [3] onvoldoende gemotiveerd. Eiser stelt dat verweerder niet zonder nader onderzoek had mogen concluderen dat overdracht aan Duitsland geen risico oplevert. Tot slot stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening, gelet op de duur en het verloop van de procedure in Duitsland en de door eiser gestelde gebreken in rechtsbescherming.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
6.1.
Eiser is hierin niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling [4] heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [5] geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 [6] , 14 februari 2025 [7] en 8 oktober 2025 [8] . Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de situatie in Duitsland zodanig is gewijzigd dat van die beoordeling niet langer kan worden uitgegaan.
7. De rechtbank stelt voorop dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [9] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als “bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.” Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Duitsland. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid. De door eiser genoemde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder dat een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Daarnaast heeft eiser zijn stellingen niet onderbouwd met stukken of ander bewijs, waaruit dit zou moeten blijken. Daarbij is van belang dat de omstandigheden waar eiser zich op beroept dezelfde omstandigheden zijn die hij heeft aangevoerd in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is vaste rechtspraak dat als verweerder omstandigheden die een vreemdeling aanvoert al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. [10] Indien eiser in Duitsland toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen nader onderzoek hoeven doen in deze procedure.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [11] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.ECLI:RVS:2025:4770.
9.Vreemdelingencirculaire 2000.
10.Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2014:3164, 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717 en 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1667.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.