Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.M.M. Van Dooren).
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
,r.o. 10.2. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat er, gegeven de met meer waarborgen omgeven procedure tot afgifte daarvan, aan een paspoort een grotere bewijswaarde moet worden gehecht dan aan de door de ambassade afgegeven verklaringen. De rechtsvoorganger van de minister heeft daarom niet ten onrechte de verklaringen van de ambassade op zichzelf genomen onvoldoende geacht voor het bewijs van de nationaliteit. Verder kan de rechtbank volgen dat uit de verklaringen van eiser onvoldoende blijkt dat er door de ambassade zorgvuldig onderzoek is gedaan. De minister mocht hierbij betrekken dat eiser het aanvraagformulier onjuist en onvolledig heeft ingevuld. Dit betekent echter niet dat het asielmotief van eiser ongeloofwaardig is. De minister erkent immers in het bestreden besluit dat eiser de echt bevonden nationaliteitsverklaring via de weg en werkwijze die is beschreven in het AAB heeft aangevraagd en verkregen. Ook werpt de minister, gelet op het lage begripsniveau van eiser, niet tegen dat hij het aanvraagformulier onjuist en onvolledig heeft ingevuld.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 september 2025;
- draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.