Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16569 en NL26.16570
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 20 lid 5 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser heeft via Kroatië de Europese Unie binnen gereisd en op 1 november 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat het Dublingehoor onzorgvuldig was, dat Kroatië mogelijk geen verantwoordelijkheid neemt, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege pushbacks en slechte opvang, en dat zijn medische situatie onvoldoende is onderzocht.

De rechtbank oordeelt dat het Dublingehoor zorgvuldig is verlopen en dat eiser voldoende gelegenheid had om zijn bezwaren te uiten. Het claimakkoord met Kroatië is rechtsgeldig, ook al staat de inhoudelijke verantwoordelijkheid nog niet onherroepelijk vast. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling en het AIDA-rapport, en er is geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht.

De minister heeft de verklaringen van eiser over eerdere slechte behandeling in Kroatië voldoende betrokken en gemotiveerd waarom dit niet leidt tot een andere beslissing. Ook de medische omstandigheden zijn onderzocht en vormen geen reden om af te wijken van overdracht. Ten slotte is de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro niet onjuist toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.16569 (beroep)
NL26.16570 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2003, nationaliteit onbekend, eiser/ verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna te noemen: de minister

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) is van oordeel dat de minister Kroatië verantwoordelijk heeft mogen achten voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Het beroep van eiser is daarom ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Procesverloop

1. Bij besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] .
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen aan Kroatië voordat op het beroep is beslist.
1.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser en eiser zelf zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2. Eiser is door onder andere Egypte, Turkije en Kosovo via Kroatië de Europese Unie binnen gereisd. Hij heeft op 1 november 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
Besluitvorming
3. Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac [2] is volgens de minister namelijk gebleken dat eiser in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft vervolgens op
12 december 2025 de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Op
22 december 2025 zijn de autoriteiten hiermee akkoord gegaan. Volgens de minister is het claimakkoord geldig en kan er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gegaan worden dat Kroatië zich aan de internationale regels en de EU-wetgeving houdt. Ook leidt de overdracht volgens de minister niet tot onevenredige hardheid en is er volgens de minister ondanks de door eiser ondergane neusoperaties geen sprake van een situatie zoals beschreven in het arrest C.K. tegen Slovenië [3] .
Zorgvuldigheid Dublingehoor
4. Eiser brengt naar voren dat het Dublingehoor onzorgvuldig is geweest, omdat er onvoldoende is doorgevraagd. Het Dublingehoor ziet niet alleen op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, maar in dit persoonlijk onderhoud moet ook informatie aan de orde komen op grond waarvan al dan niet tot een claim of tot een overdrachtsbesluit kan worden gekomen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Dublingehoor niet onzorgvuldig is geweest en volgt hierin het standpunt van de minister. Het is van belang dat eiser voldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Kroatië naar voren te brengen. Het gehoor was in het geval van eiser kort en duurde slechts een halfuur, maar de rechtbank volgt de minister in het standpunt dat het voldoende uitgebreid was om alle relevante informatie aan het licht te brengen. De rechtbank merkt daarbij op dat de informatieve brochures over hoe de (Dublin)procedure werkt zijn uitgereikt vooraf en tijdens het aanmeldgehoor en dat er tijdens dit gehoor ook uitgebreid op de inhoud hiervan is ingegaan. Daardoor kon eiser weten welke omstandigheden hij specifiek bij het gehoor naar voren kon brengen. De rechtbank merkt daarbij verder op dat er tijdens het Dublingehoor gevraagd is hoe het met eisers gezondheid gaat, waarop eiser heeft aangegeven dat het goed gaat. Er is vervolgens aan eiser gevraagd of hij bezwaren heeft tegen een eventuele overdracht aan Kroatië. Eiser heeft toen uitgelegd dat hij eerder in Kroatië slecht behandeld is. Vervolgens is gevraagd wie eiser slecht behandeld hebben en of eiser hiervan aangifte heeft gedaan. Tevens is er gevraagd naar redenen waarom hij nu juist in Nederland heeft verzocht om internationale bescherming. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om relevante informatie naar voren te brengen tijdens zijn gehoor. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening [4]
5. Eiser brengt daarnaast naar voren dat het niet kan worden uitgesloten dat Kroatië geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn asielverzoek. De Kroatische autoriteiten hebben het claimverzoek namelijk geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. De minister erkent dus volgens eiser dat de Kroatische autoriteiten nog niet hebben bepaald of zij verantwoordelijk zijn voor zijn asielverzoek.
5.1.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister en is van oordeel dat de omstandigheid dat Kroatië het claimverzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening heeft geaccepteerd, niet aan de rechtsgeldigheid van het claimakkoord of het overdrachtsbesluit in de weg staat. Artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening ziet op een situatie waarin een vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is. Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. Dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser nog niet onherroepelijk vaststaat, doet niet af aan de rechtmatigheid van het claimakkoord of het overdrachtsbesluit. Uit het claimakkoord volgt dat Kroatië het terugnameverzoek heeft geaccepteerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser brengt naar voren dat, gelet op de pushbacks waar de Kroatische autoriteiten in het recente verleden op grote schaal toe zijn overgegaan, niet kan worden uitgesloten dat hij in Kroatië geen toegang zal krijgen tot een asielprocedure met opvangvoorzieningen conform het EU-recht. Voor zover de minister stelt dat eiser over de behandeling in Kroatië kan klagen bij “de daarvoor geschikte instanties in Kroatië” wijst eiser erop dat hij eerder geen toegang had tot een tolk, en evenmin tot rechtshulp. Ook stelt de minister volgens eiser ten onrechte dat de uitspraak Y.K. tegen Kroatië [5] niet van toepassing is op zijn situatie.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Kroatië uit kon gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling [6] van 9 oktober 2024 [7] . De Afdeling heeft dit oordeel nogmaals bevestigd in de uitspraken van
6 maart 2025 [8] en 21 november 2025 [9] .
6.1.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 9 oktober 2024 onder andere is ingegaan op de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback. De theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback, omdat pushbacks volgens landeninformatie plaatsvinden en omdat Dublinclaimanten niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, acht de Afdeling onvoldoende om te oordelen dat ook Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van een pushback.
6.1.2.
Ten aanzien van de opvang in Kroatië overweegt de rechtbank dat uit het meest recente AIDA-rapport [10] weliswaar blijkt dat er sprake is van slechte hygiëne en overbezetting en dat er klachten zijn over de veiligheid, maar dat uit het rapport niet blijkt dat deze problemen dermate ernstig zijn dat bij overdracht op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [11] strijdige behandeling. [12]
6.1.3.
De rechtbank overweegt tevens dat hetgeen eiser aanvoert ten aanzien van de toegang tot rechtsbijstand ook niet kan leiden tot het oordeel dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het meest recente AIDA-rapport staat hierover: ‘
In practice there are no obstacles to accessing attorneys, as applicants are informed about their right to free legal assistance. [13]
6.1.4.
Wat betreft het beroep van eiser op het arrest Y.K. tegen Kroatië [14] volgt de rechtbank het standpunt van de minister. In dit arrest heeft het EHRM een schending van de artikelen 3 en 13 van het EVRM [15] door Kroatië vastgesteld wegens het belemmeren van de toegang tot de asielprocedure en gedwongen uitzetting. De minister heeft hierover kunnen opmerken dat dit arrest niet ziet op de situatie van eiser die als Dublinclaimant zal worden overgedragen aan Kroatië.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen over eerdere behandeling in Kroatië
7. Eiser brengt daarnaast naar voren dat de minister zijn verklaringen over zijn eerdere ervaringen in Kroatië als het ware op geloofwaardigheid had moeten beoordelen. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, waaruit volgt dat de minister een “standpunt” moet innemen over of hij de verklaringen van de vreemdeling wel of niet “relevant” acht. [16] Wat eiser heeft aangevoerd over zijn eerdere behandeling in Kroatië, in combinatie met de landeninformatie, is niet alleen van belang in het kader van artikel 17, maar ook in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Naar mening van eiser is de minister niet op alle door hem aangedragen verklaringen en omstandigheden ingegaan, zijn deze niet kenbaar in onderlinge samenhang gewogen en is daardoor de beslissing van de minister niet deugdelijk gemotiveerd.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling of eiser kan worden overgedragen aan Kroatië, de verklaringen van eiser over hoe hij eerder is behandeld in Kroatië voldoende heeft betrokken. Uit de Afdelingsuitspraak waar eiser naar verwijst volgt overigens niet dat de minister een ‘geloofwaardigheidsbeoordeling’ moet verrichten ten aanzien van de verklaringen van de vreemdeling over zijn ervaringen in de verantwoordelijke lidstaat. Uit de uitspraak volgt wel dat de minister moet ingaan op deze verklaringen bij zijn beoordeling of er van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. [17] De rechtbank overweegt dat de minister bij zijn beoordeling voldoende is ingegaan op de verklaringen van eiser over wat hij eerder heeft meegemaakt in Kroatië. De minister gaat in het bestreden besluit in op de verklaringen van eiser over het geweld door de Kroatische autoriteiten, waaronder mishandeling, beschietingen, inzet van honden en detentie onder slechte omstandigheden. De minister merkt hierover op dat de verklaringen over wat hij heeft meegemaakt in Kroatië, en over de situatie in Kroatië, niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. De verklaringen over wat eiser heeft meegemaakt in Kroatië zien namelijk op de periode voordat hij een asielaanvraag heeft ingediend. Daarnaast merkt de minister op dat eiser zijn standpunt dat het voor asielzoekers niet mogelijk is om te klagen bij de Kroatische autoriteiten en dat er in Kroatië geen effectieve rechtsbescherming is voor asielzoekers, niet nader heeft onderbouwd. De minister merkt ook op dat eiser gereguleerd overgedragen zal worden aan Kroatië en dat de Kroatische autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd. De rechtbank overweegt dat de minister gezien het bovenstaande voldoende is ingegaan op de verklaringen van eiser over zijn eerdere behandeling in Kroatië. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische omstandigheden
8. Eiser brengt tevens naar voren dat hij medische klachten heeft en dat de minister niet afdoende heeft laten onderzoeken of die medische klachten na overdracht aan Kroatië kunnen leiden tot een situatie in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest.
8.1.
Eiser heeft verklaard dat hij herhaaldelijk is geopereerd aan zijn neus, dat hij een medische behandeling ondergaat bij het [ziekenhuis] en dat hij een afspraak had op 4 februari en 16 februari 2026. Hij heeft een uitdraai overgelegd van zijn patiëntendossier. De minister wijst erop dat uit de door eiser overgelegde stukken niet blijkt dat hij onder specialistische behandeling staat of deze nodig heeft en evenmin wat de gevolgen van de overdracht voor de gezondheid van eiser zouden zijn, zodat een situatie zoals beschreven in het arrest C.K. niet aannemelijk is gemaakt. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Tevens kan er, indien eiser hiervoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening een uitwisseling van de medische gegevens plaatsvinden tussen Nederland en Kroatië. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee voldoende gemotiveerd waarom de medische omstandigheden geen reden vormen om het asielverzoek inhoudelijk in behandeling te nemen. [18] De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
9. Tot slot meent eiser dat er sprake is van een bijzonder samenstel van feiten en omstandigheden, op grond waarvan de minister in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor zijn asielverzoek aan zich had moet trekken. Naar mening van eiser heeft de minister onvoldoende duidelijk gemaakt hoe de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden zijn gewogen in het kader van de discretionaire bevoegdheid met betrekking tot artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister had hierbij moeten betrekken wat eiser eerder in Kroatië heeft meegemaakt. Ook hadden zijn medisch klachten bij deze beoordeling betrokken moeten worden.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister is ingegaan op de medische omstandigheden en heeft de ervaringen van eiser met de Kroatische autoriteiten betrokken bij zijn beoordeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarin heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep is daarom ongegrond.
11. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.16569:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.16570:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.European Asylum Dactyloscopy Database.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).
4.Verordening nr. 604/2013.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), 17 juli 2025, no. 38776/21 (Y.K. tegen Kroatië).
6.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024).
11.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
12.AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024), p. 94 e.v.
13.AIDA-rapport van augustus 2025 (Update 2024), p. 53.
14.EHRM, 17 juli 2025, no. 38776/21 (Y.K. tegen Kroatië).
15.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
17.ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 5.2.
18.Zie ook WI 2021/3 ‘BMA-advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.’