ECLI:NL:RBDHA:2026:16578

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.10242
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.C.L.J. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:22 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig familie- of gezinsleven

Eiseres, een Syrische vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familielid bij haar meerderjarige zoon in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat geen sprake zou zijn van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, aangezien de afhankelijkheidsrelatie niet meer dan normaal emotioneel was.

De rechtbank oordeelde dat de minister onzorgvuldig was door eiseres niet te horen in bezwaar, maar dat dit gebrek niet tot nadeel van eiseres leidde omdat zij in beroep haar standpunten voldoende kon toelichten. De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende inzichtelijk had gemaakt hoe hij de verschillende factoren zoals samenwoning, financiële en medische afhankelijkheid, emotionele band en banden met het land van herkomst in onderlinge samenhang had gewogen.

Hoewel de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en het bestreden besluit vernietigde, liet zij de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de minister op zitting alsnog een integrale en gemotiveerde beoordeling gaf waaruit bleek dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de afwijzing van de aanvraag mvv blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10242

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag die namens eiseres is ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie-of gezinslid bij haar zoon (referent). De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat geen sprake is van te beschermen familie- en gezinsleven tussen referent en eiseres in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseres is het oneens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiseres voor een deel gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van haar aanvraag voor een mvv gehandhaafd blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Referent heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf als familie-of gezinslid. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres, [referent] (referent) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres, geboren op [geboortedag 1] 1967, heeft de Syrische nationaliteit en woont momenteel in Syrië. Zij beoogt verblijf in Nederland bij haar meerderjarige zoon, referent. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1991. Tot aan zijn vertrek uit Syrië in 2014 naar Nederland heeft hij met zijn moeder samengewoond. Referent is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel.
3.1.
De minister heeft de aanvraag afgewezen. De minister is namelijk van mening dat dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als familielid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit artikel beschermt het familie- en gezinsleven, maar tussen meerderjarige familieleden moet sprake zijn van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie om hierop een geslaagd beroep te kunnen doen. Daarbij moet gekeken worden naar factoren zoals samenwoning, financiële en praktische afhankelijkheid, gezondheid, en banden met het land van herkomst. Hoewel de minister onderkent dat eiseres gezondheidsproblemen heeft en dat referent haar financieel ondersteunt, heeft eiseres volgens de minister onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie of van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zo woont eiseres al bijna tien jaar zelfstandig in Syrië, heeft zij toegang tot professionele medische zorg en kan zij ook zonder fysieke aanwezigheid van referent in het dagelijks leven functioneren. Verder weegt de minister in zijn beoordeling mee dat referent, sinds zijn verblijf in Nederland, niet eerder een aanvraag voor eiseres heeft ingediend. Het feit dat eiseres en referent regelmatig online contact hebben, geldt bovendien als een normale emotionele band tussen een ouder een en (meerderjarig) kind en daaruit volgt geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie. De behoefte van referent om eiseres te helpen en te steunen is begrijpelijk, maar duidt op een gewone relatie tussen ouders en kinderen en zulke ondersteuning kan ook op afstand worden gegeven. Tot slot stelt de minister dat de banden van eiseres met Syrië sterker zijn dan met Nederland. Omdat de minister geen te beschermen familie- en gezinsleven aanneemt, komt hij ook niet toe aan een belangenafweging.
Heeft de minister mogen afzien van horen in bezwaar?
4. Eiseres betoogt allereerst dat de minister haar en referent had moeten horen in bezwaar. Het bezwaar is ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan. Hoewel eiseres erkent dat de gronden in bezwaar grotendeels een herhaling zijn van de onderbouwing van de aanvraag voor een mvv, heeft zij in de bezwaarfase ook aangevoerd dat zij van mening is dat de minister niet in redelijkheid tot een afwijzing van haar aanvraag heeft kunnen komen en dat de beoordeling in het licht van artikel 8 van Pro het EVRM op een onjuiste manier heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft verder in de bezwaarfase nog een medische verklaring willen inbrengen, maar die heeft de minister (kennelijk) niet ontvangen en dus ook niet bij zijn beoordeling betrokken.
4.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] volgt op welke manier in vreemdelingenzaken de hoorplicht in de bezwaarfase moet worden toegepast en ook wanneer van horen kan worden afgezien omdat een bezwaar kennelijk ongegrond wordt geacht.
4.2.
Hoewel de minister zich niet onterecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift een herhaling van zetten is en bovendien ook heel summier, is de rechtbank van oordeel dat de minister in deze zaak niet zonder meer mocht afzien van het horen in bezwaar. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de omstandigheid dat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd dat de beoordeling in het licht van artikel 8 van Pro het EVRM op een onjuiste manier heeft plaatsgevonden. In dit standpunt van eiseres had de minister aanleiding moeten zien om haar toch te horen in bezwaar. Ook de medische documenten die eiseres bij haar aanvraag heeft overgelegd, maakten het noodzakelijk haar te horen. Eiseres heeft namelijk aan die stukken een andere uitleg gegeven dan de minister. Als eiseres was uitgenodigd voor een hoorzitting, waar ze bovendien ook om heeft gevraagd, had ze haar visie kunnen toelichten of haar standpunten verder kunnen onderbouwen. Die mogelijkheid is haar in de bezwaarfase ontnomen. Daarom oordeelt de rechtbank dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door haar niet te horen.
4.3.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het vastgestelde gebrek van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht. Daarvoor is van belang dat eiseres alsnog voldoende gelegenheid heeft gekregen om in beroep haar standpunten naar voren te brengen en te onderbouwen met nadere bewijsstukken. Vastgesteld wordt dat zij van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt.
4.4.
Dit betekent dat de rechtbank hierna zal beoordelen of de minister zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven.
Is sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen referent en eiseres?
5. In geschil is of de minister zich voldoende gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van ‘further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan immers dan pas worden gesproken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen. [2]
5.1.
Eiseres betoogt dat er wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat tussen haar en referent beschermenswaardig familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Zij voert daartoe een aantal argumenten aan. Die argumenten worden later in deze uitspraak na het beoordelingskader besproken en beoordeeld.
Wat is het beoordelingskader?
6. In deze zaak gaat het om gezinsleven tussen volwassenen. Volgens paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), neemt de minister beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aan tussen meerderjarige familie- of gezinsleden als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’). Dit betekent dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid moeten zijn, die de normale affectieve banden te boven gaan.
6.1.
In rechtspraak van de Afdeling [3] is verduidelijkt dat familieleven kan bestaan tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er vooral om of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke.
6.2.
Het gaat dus niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is. [4] De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Hij mag in deze beoordeling niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
6.3.
Voor de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, is niet vereist dat een vreemdeling zichzelf zonder een referent niet zou kunnen redden, of niet zou kunnen functioneren. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn.
6.4.
Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [5]
Alle feiten en omstandigheden
6.5.
Eiseres betoogt dat de minister niet alle feiten en omstandigheden deugdelijk bij de beoordeling heeft betrokken. Daarnaast heeft de minister alle feiten en omstandigheden op zichzelf gewogen en niet kenbaar in onderling samenhang bezien. Eiseres voert verder aan dat de minister het zwaartepunt te veel op de (fysieke) medische afhankelijkheid heeft gelegd. Als onderbouwing van dit betoog verwijst eiseres naar twee uitspraken van de Afdeling. [6]
6.6.
De rechtbank stelt vast dat de minister de elementen samenwoning, financiële afhankelijkheid, medische afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister moest vervolgens ook deugdelijk motiveren waarom het geheel van de feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, niet leidt tot de conclusie dat tussen eiseres en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze integrale beoordeling in het bestreden besluit onvoldoende kenbaar verricht. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt namelijk onvoldoende dat de minister een brede beoordeling heeft gemaakt, waarin alle individuele omstandigheden in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. Daartoe acht de rechtbank onvoldoende dat de afhankelijkheid per element is gemotiveerd en dat enkel de conclusie is gegeven dat bijkomende elementen van afhankelijkheid niet aannemelijk zijn gemaakt. Hiermee heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de factoren in onderlinge samenhang weegt ten opzichte van elkaar.
6.7.
De beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. De minister heeft echter op zitting alsnog de integrale beoordeling toegelicht en een verdere toelichting gegeven op zijn standpunt over de afzonderlijke wegingsfactoren. De rechtbank ziet hierin aanleiding om hierna te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
Samenwoning
6.8.
Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat zij en referent in Syrië hebben samengewoond en dat hun scheiding rechtstreeks voortvloeit uit oorlogsomstandigheden en de gedwongen vlucht van referent naar Nederland. Volgens eiseres heeft de minister in het bestreden besluit met name betekenis toegekend aan het feit dat betrokkenen reeds lange tijd van elkaar gescheiden leven, zonder voldoende kenbaar te betrekken dat de scheiding niet vrijwillig was. De minister heeft in de besluitvorming enkel betrokken dat referent in 2014 is vertrokken en dat eiseres zich sindsdien staande heeft weten te houden.
6.8.1.
Hoewel eiseres in dit betoog kan worden gevolgd, stelt de rechtbank ook vast dat de minister op zitting alsnog inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij deze feiten en omstandigheden heeft beoordeeld en welk gewicht hij daaraan heeft toegekend. In dit verband heeft de minister uitgelegd dat hij het feit dat betrokkenen met elkaar hebben samengewoond niet naast zich heeft neergelegd zonder daar enige betekenis aan toe te kennen. Dit neemt echter niet weg dat volgens hem ook gekeken moet worden naar zowel de situatie ten tijde van het vertrek van referent uit Syrië als naar de situatie ten tijde van de aanvraag voor een mvv. In dat verband heeft de minister erop gewezen dat sprake is van twee personen afkomstig uit Syrië, waar het niet ongebruikelijk is dat familie- of gezinsleden langdurig met elkaar samenwonen. Hoewel vaststaat dat betrokkenen noodgedwongen van elkaar gescheiden zijn geraakt, kan volgens de minister niet voorbij worden gegaan aan het feit dat eiseres en referent inmiddels al meer dan 10 jaar feitelijk gescheiden van elkaar leven. Dat tijdsverloop werpt dan een heel ander licht op de eerdere samenwoning. Onder die omstandigheden heeft de minister het van belang geacht dat eiseres zich gedurende die lange periode staande heeft weten te houden zonder de fysieke aanwezigheid van referent.
6.8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze nadere toelichting, alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij de eerdere samenwoning, de gedwongen scheiding, het tijdsverloop en de langdurige zelfstandigheid van eiseres niet afzonderlijk, maar in onderling samenhang heeft beoordeeld.
Gezondheidssituatie
6.9.
In het verlengde van de hiervoor besproken wegingsfactor, voert eiseres ook aan dat zij ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld als gevolg van de oorlogssituatie, het vertrek van haar kinderen naar Nederland en Zweden en haar sociaal isolement in Syrië. Daarnaast spelen er fysieke klachten waardoor eiseres veel pijn heeft en beperkt is in haar bewegen. Volgens eiseres volgt uit de overgelegde medische stukken [7] dat zij in belangrijke mate afhankelijk is van de emotionele en praktische ondersteuning van referent. Referent probeert eiseres op afstand te ondersteunen door haar te (video)bellen en haar ertoe te bewegen de dingen te doen die zij moet doen. Eiseres betoogt dat de minister de beoordeling ten onrechte te veel heeft toegespitst op de vraag of sprake is van fysieke of medische afhankelijkheid, terwijl alle omstandigheden gezamenlijk hadden moeten worden beoordeeld.
6.9.1.
De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat de medische en psychische omstandigheden daadwerkelijk in samenhang met de overige factoren zijn beoordeeld. De motivering van het bestreden besluit legt sterk de nadruk op het ontbreken van fysieke afhankelijkheid en maakt onvoldoende inzichtelijk hoe de psychische klachten, het sociaal isolement, de eerdere samenwoning en de ondersteuning gezamenlijk zijn gewogen. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat de minister op zitting alsnog uitvoerig heeft toegelicht hoe hij deze omstandigheden gezamenlijk heeft beoordeeld. Het feit dat uit de medische stukken blijkt dat eiseres psychische en medische klachten heeft, wordt door de minister niet weersproken. Wel stelt de minister dat uit de medische stukken niet volgt dat eiseres afhankelijk is van de fysieke aanwezigheid van referent. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiseres toegang heeft tot medische zorg in Syrië, onder behandeling staat van een psychiater en bovendien ook medicatie ontvangt. De minister heeft op zitting onderkend dat referent eiseres graag de best mogelijke zorg wil bieden, maar dat is niet het toetsingskader dat in deze procedure moet worden aangelegd. De vraag is volgens de minister niet of de zorg in Syrië gelijkwaardig is aan de zorg in Nederland, maar of - onder andere vanwege de medische gesteldheid van eiseres - sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Verder heeft de minister erop gewezen dat gebleken is dat eiseres, ondanks haar klachten, nog steeds zelfstandig woont, medische afspraken kan bijwonen en dat het kennelijk ook nog steeds mogelijk is dat boodschappen en andere praktische zaken voor haar worden geregeld. Volgens de minister volgt hieruit dat nog steeds sprake is van een zekere mate van zelfstandigheid. Ook heeft de minister in dit verband betekenis toegekend aan het feit dat de ondersteuning die referent aan eiseres biedt al enkele jaren op afstand plaatsvindt en nog steeds op afstand kan worden voortgezet. Daarbij heeft de minister benadrukt dat hij niet miskent dat referent een belangrijke rol speelt in het leven van eiseres, maar dat uit de stukken ook niet volgt dat uitsluitend referent de noodzakelijke zorg of begeleiding aan eiseres kan bieden. Verder heeft de minister zich, onder verwijzing naar het Informatiebericht 2024/57 [8] , op het standpunt gesteld dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bezwaarlijk pas op afstand ontstaat nadat partijen langdurig gescheiden van elkaar leven. Volgens de minister volgt uit de rechtspraak dat in beginsel al in het land van herkomst feiten en omstandigheden aanwezig moeten zijn waaruit blijkt dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie die uitstijgt boven gebruikelijke familiebanden. De minister heeft daarbij van belang geacht dat uit de medische stukken niet blijkt dat reeds vóór het vertrek van referent al sprake was van ernstige medische problematiek of een situatie waarin eiseres afhankelijk was van de zorg van referent. De gestelde klachten zijn pas in de loop van de tijd ontstaan of toegenomen, wat referent op zitting ook heeft bevestigd. Desgevraagd heeft hij daarover verklaard dat sinds vijf tot zes jaar hiervan sprake is. De minister heeft in dit verband nog verwezen naar een uitspraak van de Afdeling. [9] Hierin heeft de Afdeling onder meer overwogen dat psychische klachten als gevolg van de scheiding van gezinsleden niet zonder meer leiden tot het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid, mede wanneer deze klachten ook gerelateerd zijn aan de situatie en (leef)omstandigheden in Syrië. Volgens de minister moet de medische verklaring van eiseres mede in dat licht worden gelezen.
6.9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze nadere toelichting alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij de medische en psychische omstandigheden niet op zichzelf heeft beoordeeld, maar in samenhang met de overige omstandigheden van het geval heeft gewogen. De minister heeft zich daarbij niet onterecht op het standpunt gesteld dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet vereist is dat sprake is van een exclusieve zorgrelatie, maar dat wel betekenis mag worden toegekend aan de vraag of er reële zorgalternatieven aanwezig zijn.
Financiële afhankelijkheid
6.10.
Eiseres voert verder aan dat zij financieel afhankelijk is van referent en dat de minister aan die omstandigheid onvoldoende gewicht heeft toegekend. Daarnaast betoogt eiseres dat de minister erkent dat referent haar financieel ondersteunt en dat dit relevant is voor de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Of de financiële ondersteuning kan worden voortgezet op afstand speelt volgens eiseres enkel een rol bij de belangenafweging.
6.10.1.
Met betrekking tot de wegingsfactor ‘financiële steun’ kan eiseres worden gevolgd in haar betoog dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet en niet als “bijzonder” is aan te merken. Bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid is niet doorslaggevend of de financiële ondersteuning op een afstand kan worden voortgezet. [10] De vraag is echter waar dit betoog toe leidt. Anders dan eiseres lijkt te veronderstellen betekent dit niet dat daarmee al sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het EHRM heeft herhaaldelijk geoordeeld dat financiële afhankelijkheid een rol speelt bij het antwoord op de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. [11] Financiële afhankelijkheid op zichzelf heeft het EHRM in dit verband nooit voldoende gevonden. [12] Daartoe zijn meer elementen van belang. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld en hierna verder nog oordeelt, treft dit betoog geen doel.
Emotionele afhankelijkheid
6.11.
Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken dat zij een hele sterke emotionele band heeft met referent. Voor zover mogelijk heeft eiseres dagelijks online contact met referent. Het veelvuldige contact is ter ondersteuning van eiseres in haar dagelijkse leven, zowel op emotioneel als op praktisch vlak. Zo moet eiseres door referent er bijvoorbeeld aan herinnerd worden dat zij eet, zich verzorgt en haar medicijnen inneemt. Daarnaast heeft eiseres ook voor haar psychische klachten veel ondersteuning nodig van referent.
6.11.1.
Met betrekking tot de wegingsfactor ‘emotionele steun’ slaagt het betoog van eiseres niet. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de omstandigheid dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en referent op emotionele gronden meer dan gebruikelijk afhankelijk zijn van elkaar. Hoewel de minister rekening houdt met het feit dat sprake is van een sterke band tussen eiseres en referent en dat ook het gemis groot zal zijn, is hij in het bestreden besluit niet onterecht tot de conclusie gekomen dat daardoor geen sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat een sterke emotionele band tussen ouder en kind duidt op een normale band tussen gezinsleden en dat dit niet hoeft te betekenen dat sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Het gaat erom of de band tussen eiseres en referent wat betreft bijvoorbeeld hechtheid, afhankelijkheid, intensiteit sterker is dan de band die gebruikelijk tussen ouders en volwassen kinderen bestaat. Het regelmatige online contact tussen eiseres en referent zijn omstandigheden die gebruikelijk zijn in een relatie tussen ouders en meerderjarige kinderen. Bovendien heeft de minister niet onterecht bij zijn beoordeling betrokken dat de gestelde mate van afhankelijkheid op dit punt op afstand is ontstaan. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat de afhankelijkheid meer dan gebruikelijk is tussen een moeder en een meerderjarig kind. Dat referent zich zorgen maakt om zijn moeder, is niet voldoende om te spreken van een afhankelijkheidsrelatie, omdat het gebruikelijk is dat familieleden zich zorgen maken om elkaar wanneer zij een goede band hebben met elkaar.
Banden met het land van herkomst
6.12.
Eiseres betoogt tot slot dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij sterkere banden heeft met Syrië dan met Nederland. De minister is voorbij gegaan aan het feit dat in Syrië de veiligheidssituatie, zeker na de machtsovername, uiterst precair is en de toegang tot medische zorg en ondersteuning niet gegarandeerd is. De banden van eiseres met haar kinderen in Europa (Nederland en Zweden) overstijgen de banden die eiseres nog heeft met Syrië.
6.13.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich op goede gronden op het standpunt dat eiseres een sterkere band heeft met Syrië dan met Nederland. De minister wijst er terecht op dat eiseres in Syrië woonachtig is. Het betoog van eiseres dat zij door de oorlog heeft moeten verhuizen uit de omgeving waar zij vandaan komt en volledig geïsoleerd is, maakt dat niet anders. Ook het feit dat een ouder zich in een land bevindt met een slechte veiligheidssituatie en het meerderjarige kind zich in Nederland bevindt, is op zich niet voldoende om aan te nemen dat de banden van de ouder met het land van herkomst niet sterk zouden zijn.
6.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met zijn nadere toelichting op zitting alsnog voldoende gemotiveerd uitgelegd waarom volgens hem geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, de omstandigheid dat de minister op zitting alsnog inzichtelijk heeft gemaakt hoe de relevante omstandigheden in hun onderlinge samenhang zijn beoordeeld en op zitting alsnog voldoende gemotiveerd heeft uitgelegd waarom volgens hem geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres een vergoeding betalen voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het dienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Zie bijvoorbeeld EHRM 12 juni 2010, Khan tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606.
3.Zie ABRvS van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
4.Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (Azerkane t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816.
5.Zie ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.
6.Zie ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
7.Waaronder de verklaring van 14 oktober 2023 en van 20 november 2024 van [persoon A] (psychiater en neuroloog).
8.Dit Informatiebericht was geldig ten tijde van het bestreden besluit
9.Zie ABRvS 18 juli 2025, ECLI:RVS:2025:3315, rechtsoverweging 7.1.
10.Zie EHRM 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, paragraaf 42.
11.Zie de uitspraak van het EHRM van 10 december 2024, Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, paragrafen 41 en 42.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:27458.