ECLI:NL:RBDHA:2026:16586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.17468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag wegens ontbreken bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen moeder en dochter

Eiseres diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als familie- of gezinslid bij haar dochter te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat er geen sprake was van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, aangezien de gebruikelijke emotionele banden niet werden overstegen door bijkomende elementen van afhankelijkheid.

De rechtbank toetste het besluit en concludeerde dat het samenwonen in het verleden niet voldoende is om van dergelijke bijkomende afhankelijkheid te spreken, zeker nu eiseres en haar dochter al ruim tien jaar gescheiden leven en eiseres zich met hulp van anderen heeft weten te redden. Medische documenten en een ambtsbericht toonden aan dat eiseres in Syrië toegang heeft tot basiszorg en ondersteuning.

Eiseres stelde dat zij volledig afhankelijk is van haar dochter vanwege haar medische situatie en het ontbreken van een zorgstelsel in het vluchtelingenkamp, maar deze stellingen waren onvoldoende concreet en onderbouwd. Ook de financiële afhankelijkheid en frequent contact waren niet voldoende aangetoond. De schrijnende situatie in Syrië werd als asielgerelateerd aspect buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de familierelatie.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen belangenafweging hoefde te maken en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17468

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigden: mr. J.E. Jalandoni en mr. J. Borkent),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).

Samenvatting

1. Deze zaak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij haar dochter [referente] (referente)”. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van familie-of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Eiseres is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 18 november 2023 een mvv-aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juni 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Referente en haar gemachtigde mr. J. Borkent, M.D.M. Metry als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er tussen eiseres en referente geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De minister heeft in dat kader overwogen dat eiseres en referente al sinds 2015 niet meer hebben samengewoond en dat eiseres de keuze heeft gemaakt om niet met referente mee te gaan. Hoewel eiseres heeft aangetoond dat zij afhankelijk is van hulp en zonder hulp niet zelfstandig kan functioneren, betekent dat niet dat zij die hulp niet in haar land van herkomst kan krijgen. Het is niet duidelijk wat voor hulp eiseres nodig heeft en dat eiseres continue hulp en zorg nodig heeft. Ook is niet aangetoond dat referente de enige is die de hulp aan eiseres kan verlenen. Volgens de minister is er hulp beschikbaar in het land waar eiseres verblijft. Eiseres heeft zich na het vertrek van referente uit Syrië en het overlijden van haar echtgenoot kunnen redden met een combinatie van zorg en ondersteuning in Syrië en met de gestelde financiële en praktische ondersteuning van referente vanuit Nederland. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd dat de zorg niet meer kan worden verleend. Bovendien is de gestelde financiële afhankelijkheid niet met objectieve stukken onderbouwd. Verder heeft eiseres gewezen op de schrijnende situatie van Palestijnen in Syrië. Dit zijn asielgerelateerde aspecten en hebben geen invloed op de band tussen eiseres en referente. De minister concludeert dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en daarmee dus ook geen familie- of gezinsleven. De minister maakt daarom geen belangenafweging en verklaart het bezwaar van eiseres ongegrond.
Toetsingskader
4. De rechtbank stelt voorop dat de minister familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt tussen meerderjarigen en hun ouders als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. Het gaat er om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. De minister moet bij de beoordeling alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Elementen zoals de mate van financiële en materiele (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst kunnen bij de beoordeling hiervan relevant zijn. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of familieleven, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. [2]

Is tussen eiseres en referente sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?

5. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen haar en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres voert daartoe onder andere aan dat de minister ten onrechte stelt dat niet zou zijn aangetoond dat referente en eiseres van 1977 tot 2001 en van 2011 tot 2015 samen hebben gewoond. Indien de minister daar twijfels over had, hadden daar vragen over kunnen worden gesteld tijdens de hoorzitting. Nu de minister dat niet heeft gedaan, kan dit ook niet aan eiseres worden tegengeworpen. Daarnaast is eiseres het niet eens met het standpunt van de minister dat zij zich na het vertrek van referente uit Syrië en het overlijden van haar echtgenoot heeft kunnen redden met een combinatie van zorg en ondersteuning in Syrië en met de gestelde financiële en praktische ondersteuning van referente vanuit Nederland. Zij stelt dat de minister in dat kader onvoldoende rekening heeft gehouden met het overlijden van de echtgenoot van eiseres op 2 augustus 2023. Eiseres voert aan dat zij daarna volledig afhankelijk werd van referente. Zij heeft ernstige medische klachten en er is geen stelsel van zorg in het vluchtelingenkamp, waardoor zij daar door niemand structureel verzorgd kan worden. Referente is de enige die de zorg kan en wil verlenen. De zorg die referente op dit moment biedt, het versturen van geld en frequent in contact blijven, is onvoldoende.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. De minister heeft in dat kader kunnen concluderen dat het samenwonen van eiseres en referente tussen 1977 en 2001 en tussen 2011 en 2015 op zichzelf niet maakt dat tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiseres en referente na de periode van samenwonen al ruim 10 jaar gescheiden van elkaar leven en dat eiseres zich in die periode met hulp van anderen dan referente staande heeft gehouden.
5.2.
Het betoog van eiseres dat zij volledig afhankelijk is geworden van referente vanwege haar medische situatie en het ontbreken van een zorgstelsel in het vluchtelingenkamp waar zij verblijft, slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de door eiseres overgelegde medische documenten blijkt dat zij in Syrië toegang heeft tot zorg en medicatie. Dit wordt ondersteund door het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, waaruit volgt dat er basisgezondheidszorg beschikbaar is in de UNRWA-gezondheidscentra in de kampen en de verklaring dat de buurvrouw van eiseres haar ondersteunt. Het is ook niet gebleken dat de hulp van de buren is gestopt. De minister stelt verder niet ten onrechte dat met de overgelegde stukken onvoldoende duidelijk is gemaakt welke zorg eiseres nodig heeft die (in Syrië) voor haar niet beschikbaar is. Ter zitting heeft referente gesteld dat eiseres mantelzorg nodig heeft en dat dit in Syrië niet beschikbaar is voor eiseres. Daarnaast heeft referente toegelicht dat er instanties zijn die hulp kunnen bieden, maar dat die duur zijn. De rechtbank acht deze stellingen onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden. De stelling dat eiseres mantelzorg nodig heeft en dit niet beschikbaar is, is namelijk onvoldoende geconcretiseerd en niet onderbouwd. Met de enkele stelling dat de instanties duur zouden zijn is verder onvoldoende onderbouwd dat de door eiseres gestelde benodigde zorg voor haar niet beschikbaar is.
5.3.
De rechtbank overweegt dat ook uit de andere omstandigheden niet blijkt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd dat zij financieel afhankelijk is van referente en dat er sprake is van frequent contact tussen eiseres en referente is eveneens onvoldoende onderbouwd. Bovendien is het hebben van frequent contact op zichzelf onvoldoende om te spreken van bijkomende elementen. De asiel gerelateerde omstandigheden, zoals de schrijnende situatie voor Palestijnen in Syrië en de algemene politieke en veiligheidssituatie in Syrië, staan in beginsel los van de vraag of er tussen eiseres en referente bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze omstandigheden worden doorgaans betrokken bij een belangenafweging.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. De minister is dan ook niet gehouden om een belangenafweging te maken. [3] De minister heeft de mvv-aanvraag van eiseres dan ook niet ten onrechte afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189.