ECLI:NL:RBDHA:2026:16644
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Tsjechië
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Tsjechië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië. Eiser stelde dat hij bij overdracht aan Tsjechië risico loopt op onrechtmatige detentie en indirect refoulement, onderbouwd met rapporten van diverse organisaties. De rechtbank oordeelt dat deze rapporten ouder zijn en geen aanwijzingen bevatten voor structurele tekortkomingen die een uitzondering op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen.
Ook het lage inwilligingspercentage en het verschil in beschermingsbeleid ten aanzien van de Ahmadiyya-vluchtelingen in Tsjechië rechtvaardigen geen afwijking. De rechtbank wijst erop dat eiser klachten kan indienen bij Tsjechische autoriteiten indien hij tekortkomingen ervaart.
Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bijzondere, individuele omstandigheden aanwezig zijn die de minister zouden verplichten de asielaanvraag zelf te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskosten toe aan de minister.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.