ECLI:NL:RBDHA:2026:17065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL25.2947
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Wilts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 KwalificatierichtlijnArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering vrees vervolging atheïsme en veiligheid Somalië

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man van de Dhulbahante-stam, vreesde vervolging bij terugkeer naar Somalië vanwege conflicten met de Ogadin-stam, zijn atheïsme, zichtbare tatoeages en gedwongen rekrutering. De minister wees de asielaanvraag af, waarbij de problemen met de Ogadin-stam en gedwongen rekrutering als ongeloofwaardig werden beoordeeld, en de vrees voor vervolging vanwege atheïsme en tatoeages onvoldoende werd onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat de minister de geloofwaardigheid van de verklaringen over de moord op eisers ouders niet adequaat had beoordeeld en dat de minister terecht de latere problemen met de Ogadin-stam ongeloofwaardig achtte. De rechtbank stelde echter vast dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn atheïsme en tatoeages, mede gelet op landeninformatie die afvalligheid in Somalië zwaar bestraft.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de minister de algemene veiligheidssituatie in het gebied onvoldoende had meegewogen, terwijl er tegenstrijdige informatie bestaat over het niveau van willekeurig geweld. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het aanvullende besluit en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens werd eiser een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering over vrees voor vervolging en veiligheidssituatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2947

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden de problemen van eiser met de Ogadin-stam ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank oordeelt echter dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn atheïsme, tatoeages en toegedichte afvalligheid. De rechtbank oordeelt voorts dat de minister de algemene veiligheidssituatie in [plaats 1] onvoldoende heeft beoordeeld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft de minister gevraagd om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op 6 november 2025 een aanvullend besluit genomen nadat hij het Griekse asieldossier over eiser had ontvangen, waarmee de minister bij de afwijzing van de asielaanvraag is gebleven.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep eerst op zitting behandeld op 14 april 2026. De rechtbank heeft tijdens die zitting het onderzoek geschorst, omdat er geen tolk aanwezig was. Eiser heeft de rechtbank tijdens die zitting ook verzocht om de minister nader onderzoek te laten doen naar zijn geaardheid. Kort voor die zitting had eiser aangevoerd dat hij homoseksueel is en bij terugkeer naar Somalië op die grond vreest voor vervolging. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, omdat dat zou leiden tot een ontoelaatbare vertraging van de afdoening van de zaak. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Dhulbahante-stam. Hij vreest dat leden van de Ogadin-stam hem bij terugkeer naar [plaats 1] (Somalië) geweld zullen aandoen. Eisers vader heeft iemand van de Ogadin-stam aangereden bij een verkeersongeluk met dodelijke afloop in [plaats 1] in 2002. Daarop hebben leden van de Ogadin-stam eisers ouders vermoord en de bezittingen van zijn familie ingenomen. Eiser en zijn broers zijn daarna naar Kenia gevlucht. Toen eisers jongste broer in 2015 terugkeerde naar [plaats 1] , hebben leden van de Ogadin-stam hem vermoord. In 2016 hebben leden van de Ogadin-stam eiser en zijn oudste broer aangevallen in hun huis in [plaats 2] (Kenia). De oudste broer heeft dat niet overleefd. Daarna is eiser uit Kenia gevlucht. Daarnaast voert eiser aan dat hij atheïst is en tatoeages heeft en dat dat in Somalië niet wordt geaccepteerd. Tot slot voert eiser aan dat de Dhulbahante-stam hem bij terugkeer naar [plaats 3] en [plaats 4] (Somalië) gedwongen zal rekruteren.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • eisers atheïstische geloofsovertuiging;
  • de problemen met de Ogadin-stam;
  • de gedwongen rekrutering.
4.1.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht ook geloofwaardig dat eiser atheïst is en tatoeages heeft. De minister vindt de verklaringen van eiser over de problemen met de Ogadin-stam ongeloofwaardig, omdat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister vindt om dezelfde reden ook de gedwongen rekrutering ongeloofwaardig.
4.2.
De minister oordeelt vervolgens dat de geloofwaardig bevonden asielmotieven onvoldoende zwaarwegend zijn om eiser als vluchteling aan te merken dan wel om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat zijn atheïsme zal worden ontdekt en tot gevaar voor eiser zou leiden. Bovendien kan eiser zijn tatoeages bedekken. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.
Het toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. [3] Dat kan met documenten of met geloofwaardig geachte verklaringen. [4] Verklaringen zijn geloofwaardig als ze voldoen aan vijf voorwaarden, waaronder dat de verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn. [5]
5.1.
De minister beoordeelt vervolgens of de geloofwaardig bevonden asielmotieven voldoende zwaarwegend zijn om eiser aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [6] Atheïsme is aan te merken als een geloofsovertuiging en is dus een vervolgingsgrond onder het Vluchtelingenverdrag. [7] Als eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, beoordeelt de minister of eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, waaronder in de vorm van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (het beginsel van non-refoulement). [8]
5.2.
De rechtbank moet er ook ambtshalve op toezien dat het beginsel van non-refoulement in acht wordt genomen. [9] Daarom heeft de rechtbank ook de algemene veiligheidssituatie in en rond [plaats 1] aan de orde gesteld.
Heeft eiser de problemen met de Ogadin-stam aannemelijk gemaakt?
6. Eiser voert aan dat hij met zijn verklaringen de moordaanslagen op zijn vader en broers aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft verklaard over de moord op zijn vader na een verkeersongeluk. Eiser vermoedt dat leden van de Ogadin-stam eisers jongste broer onder druk van martelingen hebben gedwongen om de verblijfplaats van eiser en zijn oudste broer te vertellen, voordat zij hem hebben vermoord. Daarna hebben leden van de Ogadin-stam eiser en zijn oudste broer opgespoord in [plaats 2] en deze broer neergestoken. Eiser zag dat zijn broer dit niet kon overleven en is gevlucht. Hij kon als illegale immigrant niet de politie om hulp vragen.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet (kenbaar) de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de moord op zijn ouders heeft beoordeeld. De minister heeft desgevraagd op de zitting aangegeven dat deze verklaringen niet geloofwaardig worden geacht en heeft erop gewezen dat in het bestreden besluit staat dat eisers verklaringen vaag zijn en dat hij “bijvoorbeeld” weinig tot niets kan vertellen over het overlijden van zijn broers. Hieruit wordt naar het oordeel van de rechtbank echter niet duidelijk dat de minister de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de moord op zijn ouders heeft beoordeeld en zo ja, waarom deze verklaringen niet geloofwaardig zouden zijn. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat de verklaringen van eiser over de moord op zijn ouders geloofwaardig zijn. [10]
6.2.
Toch slaagt deze beroepsgrond niet. Ook als eisers verklaringen over de moord op zijn ouders in 2002 geloofwaardig zijn, dan heeft eiser daarmee nog niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer problemen met de Ogadin-stam zal krijgen. De minister heeft namelijk op goede gronden eisers verklaringen over de latere moorden op zijn broers ongeloofwaardig geacht. De minister mocht eiser tegenwerpen dat hij (te) weinig weet over de moord op zijn jongste broer in 2015. Eisers oudste broer zou aan eiser hebben verteld dat zijn jongste broer was vermoord, maar eiser heeft niet uitgelegd hoe zijn oudste broer dat wist, terwijl eisers oudste broer in Kenia was en er geen andere familieleden in [plaats 1] waren. Eiser heeft zijn oudste broer ook niet gevraagd naar de omstandigheden van de moord op zijn jongste broer. Ook als de oudste broer eiser wilde beschermen, dan nog is het niet aannemelijk dat eiser zijn oudste broer niet heeft gevraagd naar de omstandigheden van zoiets ingrijpends als de moord op zijn jongste broer. De minister mocht eisers verklaringen dan ook onsamenhangend en onaannemelijk vinden.
6.3.
De minister mocht eiser ook tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over de moord op zijn oudste broer in 2016. Eiser weet niet wie de mannen waren die op zijn oudste broer instaken. Het enkele feit dat zij Somalisch spraken, betekent nog niet dat zij behoorden tot de Ogadin-stam. Eiser heeft ook niet uitgelegd hoe deze mannen eiser en zijn oudste broer zouden hebben opgespoord in [plaats 2] , een miljoenenstad. Daarnaast is het niet aannemelijk dat de Ogadin-stam mensen zou afsturen op eiser en zijn oudste broer, terwijl de Ogadin-stam de bezittingen die eerder in handen waren van eisers familie al had ingenomen. Eiser heeft ook geen hulp gezocht toen zijn oudste broer werd neergestoken. Eiser heeft aangevoerd dat hij als illegale immigrant geen hulp kon zoeken bij de politie. Ook als dat zo is, dan nog is onduidelijk waarom eiser nergens anders hulp heeft gezocht toen zijn oudste broer werd aangevallen en volgens hem zou overlijden.
6.4.
De minister heeft dus op goede gronden de problemen van eiser met de Ogadin-stam ongeloofwaardig bevonden.
Heeft eiser de gedwongen rekrutering aannemelijk gemaakt?
7. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar [plaats 3] of [plaats 4] . Dat zijn plaatsen in Somalië waar leden van de Dhulbahante-stam, waartoe ook eiser behoort, in de meerderheid zijn. Volgens eiser zal hij daar gedwongen worden gerekruteerd.
7.1. Met partijen is op de zitting besproken dat uit het bestreden besluit volgt dat de minister ervan uitgaat dat eiser kan terugkeren naar [plaats 1] , aangezien eisers verklaringen over de problemen met de Ogadin-stam ongeloofwaardig zijn geacht. Wat partijen hebben aangevoerd over terugkeer naar [plaats 3] of [plaats 4] is daarom niet van belang, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.
Loopt eiser gevaar vanwege zijn atheïsme en tatoeages?
8. Eiser voert aan dat hij atheïst is en dat in Somalië niet verborgen kan houden. Hij zal niet meedoen aan de islamitische gebruiken, zoals moskeebezoek, bidden en vasten. Dit zal in Somalië opvallen en als afvalligheid worden gezien. Eiser kan ook zijn tatoeages niet verborgen houden en deze worden in de Somalische cultuur niet geaccepteerd. Afvalligen lopen daar het risico om slachtoffer te worden van geweld.
8.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers atheïsme en het feit dat hem afvalligheid van de islam kan worden toegedicht niet maken dat dat in alle gevallen leidt tot discriminatie of intimidatie die eiser recht op bescherming geven. Eiser heeft geen innerlijke behoefte om anderen te overtuigen van het atheïsme en draagt dat niet openlijk uit. Eiser kan daarnaast zijn tatoeages bedekken. Het is niet gebleken dat eiser bij terugkeer problemen zal krijgen door zijn tatoeages.
8.2.
De rechtbank wijst eerst op de landeninformatie over afvalligheid. Uit pagina 44 van de European Union Agency for Asylum (EUAA) Country Guidance: Somalia van oktober 2025 volgt dat Somalië de facto de doodstraf hanteert voor afvalligheid. Bekering van de islam naar een andere godsdienst is strafbaar en is onaanvaardbaar. De zedenpolitie van Al Shabaab, de extremistische groep die bepaalde gebieden van Somalië (deels) controleert, waaronder gebieden rond [plaats 1] , [11] voert ontvoeringen, aanvallen, martelingen en moordaanslagen uit in gebieden buiten haar controle. EUAA gaat ervan uit dat afvalligen en zij die als afvalligen worden beschouwd in Somalië over het algemeen een gegronde vrees voor vervolging hebben. Uit pagina 94 van het Algemeen ambtsbericht Somalië van 4 april 2025 volgt daarnaast dat het vermoeden van afvalligheid of het doen van blasfemische uitingen (godslastering) kan leiden tot discriminatie of geweld vanuit de gemeenschap.
8.3.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn atheïsme. De stelling van de minister dat atheïsme niet in alle gevallen tot discriminatie of intimidatie leidt, gaat uit van een te zware bewijslast op eiser. Eiser moet immers aannemelijk maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, maar hoeft niet aan te tonen dat hij in alle gevallen discriminatie of intimidatie zal ondervinden. De minister heeft ook onvoldoende gemotiveerd hoe hij eisers verklaringen heeft beoordeeld in relatie tot de landeninformatie over afvalligheid, terwijl dat wel had gemoeten. [12] Het standpunt van de minister lijkt grotendeels te berusten op de stelling dat eiser zijn atheïsme niet actief uitdraagt, zodat niemand op de hoogte zal raken van zijn atheïsme. De minister reageert daarmee echter niet op eisers stelling dat hij in negatieve zin op zal vallen, doordat hij niet mee zal doen aan de islamitische gebruiken. Daar komt bij dat eiser zichtbare tatoeages heeft, terwijl dit niet is toegelaten binnen de islam. Ook dit is dus een voor de buitenwereld zichtbaar teken dat eiser zich niet aan de islamitische regels houdt. De rechtbank kan de minister niet volgen in diens stelling dat eiser zijn tatoeages kan bedekken. De tatoeages staan op de zijkant van de hand en arm van eiser. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd hoe eiser zijn tatoeages in het warme Somalië kan bedekken. Zeker voor de tatoeage op de hand is dat niet voor te stellen. [13]
8.4.
Deze beroepsgrond slaagt dus. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit en het aanvullende besluit vernietigt en de minister opdraagt om een nieuw besluit te nemen. Met het oog op de nieuwe beoordeling die de minister moet maken, beoordeelt de rechtbank ook de algemene veiligheidssituatie in [plaats 1] .
Kan eiser terugkeren naar [plaats 1] gelet op de veiligheidssituatie?
9. Eiser heeft op de zitting, naar aanleiding van door de rechtbank gestelde vragen, aangevoerd dat het in [plaats 1] onveilig is. Volgens eiser moet de minister uitgaan van een relatief hoog niveau van willekeurig geweld in [gebied], het gebied waar [plaats 1] in ligt.
9.1.
De minister heeft op de zitting aangevoerd dat [plaats 1] in handen is van de centrale overheid. Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) heeft bevestigd dat in [gebied] nog steeds een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt.
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister de veiligheidssituatie in [plaats 1] onvoldoende heeft meegewogen en niet (kenbaar) heeft beoordeeld of eiser in verband hiermee bij terugkeer een risico loopt op behandeling in strijd met het beginsel van non-refoulement. [14] Volgens pagina 3 van het Landenbeleid Somalië van 4 april 2025 geldt in [gebied] weliswaar een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [15] maar volgens pagina 18 van de EUAA Country Guidance: Somalia van oktober 2025 geldt een relatief hoog niveau. De minister heeft op de zitting aangevoerd dat TOELT heeft bevestigd dat nog steeds een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt, maar heeft daar geen onderbouwing van geleverd, zoals bijvoorbeeld een rapport van TOELT waarin een en ander gemotiveerd uiteen wordt gezet. Zo is voor de rechtbank niet controleerbaar waar dit standpunt van TOELT op is gebaseerd. De minister heeft dan ook onvoldoende onderbouwd waarom niet van een relatief hoog niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan. Daar komt bij dat de minister eisers atheïsme, tatoeages en toegedichte afvalligheid niet (kenbaar) heeft meegewogen als omstandigheden die het risico voor eiser op schending van het beginsel van non-refoulement kunnen verhogen.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat de minister het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. [16] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullende besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten [17] of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. [18] Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). [19] Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. [20] De rechtbank brengt daarbij onder de aandacht dat eiser tijdens het beroep een nieuw asielmotief naar voren heeft gebracht (homoseksualiteit), dat nu nog niet in de beoordeling is betrokken. De rechtbank geeft de minister acht weken om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de termijn om binnen 21 maanden na de asielaanvraag daarop te beslissen is overschreden. [21]
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. [22] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 januari 2025 en het aanvullende besluit van 6 november 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal - Moesker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zie ABRvS 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2073).
3.Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw.
4.Artikel 4, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, derde lid, van de
5.Artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid, van de Vw.
6.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.ABRvS 10 januari 2022, r.o. 10 (ECLI:NL:RVS:2022:94).
8.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de Vw.
9.HvJEU 17 oktober 2024, punten 49-50 (ECLI:EU:C:2024:892; Ararat).
10.ABRvS 11 maart 2019, r.o. 3.1 (ECLI:NL:RVS:2019:755).
11.Pagina 24 van de EUAA Country Guidance: Somalia van oktober 2025.
12.ABRvS 10 januari 2022, r.o. 23 (ECLI:NL:RVS:2022:94).
13.ABRvS 31 mei 2018, r.o. 6.3 (ECLI:NL:RVS:2018:1802).
14.In de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
15.In de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
16.In de zin van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
17.In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
18.In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
19.In de zin van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
20.In de zin van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
21.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
22.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgt eiser een vergoeding voor de rechtsbijstand die zijn gemachtigde heeft verleend. Daarbij is 1 punt gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.