Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17076

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL25.61657
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VwArt. 3.105f VbArt. 3.86 VbArt. 62 VwArt. 66a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking asielvergunning en oplegging terugkeerbesluit wegens poging tot doodslag en openbare orde

Eiser, een Somalische nationaliteit, kreeg in 2012 een verblijfsvergunning asiel met subsidiaire beschermingsstatus. Na een veroordeling voor poging tot doodslag tot acht jaar gevangenisstraf, heeft de minister van Asiel en Migratie zijn asielvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken, een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn opgelegd en een inreisverbod van tien jaar uitgevaardigd.

Eiser betwistte het besluit en voerde aan dat de minister ten onrechte niet had getoetst aan het begrip 'bijzonder ernstig misdrijf' en onvoldoende had onderbouwd dat hij een actuele bedreiging vormt. Ook stelde hij dat het besluit niet evenredig is en in strijd met artikel 8 EVRM Pro vanwege een gebrekkige openbare ordetoets.

De rechtbank oordeelt dat het aangehaalde artikel uit de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing is omdat eiser een subsidiaire beschermingsstatus heeft. De minister heeft een deugdelijke openbare ordetoets uitgevoerd, waarbij ook het goede gedrag van eiser in detentie is meegewogen, maar dit slechts beperkt belang heeft. De rechtbank ziet geen strijd met artikel 8 EVRM Pro en acht terugkeer naar Somalië niet in strijd met artikel 3 EVRM Pro.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de asielvergunning, het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61657

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Joseph).

Inleiding

In het besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 6 februari 2022. Verder is bij het bestreden besluit tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op een zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Temeltasch als waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1979 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij is op 2 oktober 2011 Nederland binnengekomen. Op 13 september 2012 heeft hij een verblijfsvergunning asiel gekregen. Deze is op 1 november 2017 en op 1 september 2022 verlengd, laatstelijk tot 7 september 2027.
2. In het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg van 8 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:1695, is eiser voor het plegen van poging tot doodslag veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van voorarrest. In het arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 juli 2024 (parketnummer 20-000721-23, niet gepubliceerd) is dit vonnis vernietigd en is eiser voor hetzelfde feit veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van voorarrest.
3. Vanwege deze veroordeling heeft verweerder op 4 maart 2025 het voornemen geuit om eisers asielvergunning in te trekken en tegen hem een terugkeerbesluit en inreisverbod uit te vaardigen. Eiser heeft op 25 april 2025 bij verweerder een zienswijze met bijlagen ingediend. Eiser is op 29 oktober 2025 door verweerder gehoord over het voornemen.
4. In het bestreden besluit is verweerder bij zijn voornemen gebleven. Verweerder heeft eisers asielvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 6 februari 2022, omdat dit de pleegdatum is van het strafbare feit waarvoor eiser is veroordeeld. Verweerder baseert deze intrekking op artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verweerder is sprake van een ernstig misdrijf zoals bedoeld in artikel 3.105f, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en wordt voldaan aan de zogenoemde glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb. Daarnaast vormt eiser volgens verweerder een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarnaast heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw eiser een terugkeerbesluit opgelegd zonder vertrektermijn wegens gevaar voor de openbare orde en op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser moet terugkeren naar Somalië en dat hij daar geen reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel eiser in Nederland privéleven heeft zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM is een inmenging daarop gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde, aldus verweerder. Omdat dit belang volgens verweerder zwaarder weegt, acht verweerder dit besluit evenredig.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf zoals bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU. Daarnaast voert hij aan dat verweerder niet heeft onderbouwd dat hij een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de samenleving vormt. Volgens eiser heeft verweerder namelijk ten onrechte niet onderzocht of er sprake is van een recidiverisico, en heeft verweerder onvoldoende onderkend dat hij zich in detentie goed gedraagt. Als laatste voert eiser aan dat het bestreden besluit niet evenredig is en niet in overeenstemming is met artikel 8 van Pro het EVRM vanwege de gebrekkige openbare ordetoets.
6. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Het door eiser aangehaalde onderdeel van de Kwalificatierichtlijn is niet op hem van toepassing. Er heeft dan ook wel degelijk een deugdelijke openbare ordetoets plaatsgevonden. Dat eiser zich goed gedraagt in detentie is daarbij van beperkt belang, aldus verweerder.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. In het besluit van 13 september 2012 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dit betekent dat eiser geen vluchtelingstatus heeft gekregen, maar een subsidiaire beschermingsstatus. Dit brengt mee dat het door hem aangehaalde artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing is. Anders dan eiser aanvoert, had verweerder dan ook niet hoeven toetsen aan het begrip ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en de vereisten daarvoor zoals die zijn uiteengezet in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 6 juli 2023 in de zaak MA (ECLI:EU:C:2023:543).
8. Niet in geschil is dat wel moet zijn voldaan aan het zogenoemde Unierechtelijke openbare ordecriterium. Dit houdt in dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet zijn. Een veroordeling voor een strafbaar feit is hierbij een belangrijke factor, maar daarnaast moeten alle feitelijke en juridische gegevens met betrekking tot het gepleegde strafbare feit in de motivering worden betrokken. Dit volgt uit het arrest van het HvJEU van 11 juni 2015 in de zaak Z.Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3579). Anders dan eiser aanvoert, voert de motiveringsplicht van verweerder echter niet zo ver dat verweerder gehouden zou zijn om onderzoeken te laten verrichten naar het recidiverisico. Wel moet verweerder de door eiser overgelegde gegevens en afgelegde verklaringen in zijn beoordeling betrekken. Dat heeft verweerder in het bestreden besluit gedaan. Verweerder heeft onderkend dat eiser tijdens zijn detentie goed gedrag vertoont en zich inspant om opleidingen te volgen. Verweerder heeft hier echter terecht slechts een beperkt belang aan toegekend, omdat hieruit niet kan worden afgeleid hoe eiser zich zal gedragen als hij niet meer onder toezicht staat. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2670) en 7 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:73).
9. Gelet hierop kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat de evenredigheidsbeoordeling en de beoordeling in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM berusten op een ondeugdelijke openbare ordetoets.
10. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat terugkeer van eiser naar Somalië in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM. Hierbij verwijst de rechtbank naar het arrest van het HvJEU van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat (ECLI:EU:C:2024:892).
11. Concluderend moet het beroep ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
12. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.