Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17151

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.22473
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf ouders bij dochter wegens onjuist toetsingskader

Eisers, ouders van Jemenitische nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan om bij hun dochter in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af, stellende dat geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid die het gebruikelijke overstijgen in een ouder-kindrelatie. Eisers gingen in beroep tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelt dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door exclusieve afhankelijkheid als doorslaggevend criterium te gebruiken en te stellen dat eisers en referente niet zonder elkaar kunnen functioneren. De rechtbank volgt de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het gaat om emotionele banden die het gangbare overstijgen, niet om exclusiviteit of volledige afhankelijkheid.

Feiten zoals langdurige samenwoning, medische afhankelijkheid door diabetes, dementie en depressie, en de emotionele impact van familieverliezen in Jemen, maken dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De proceskosten worden aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22473
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag 1] 1959, eiser

[eiseres], geboren op [geboortedag 2] 1968, eiseres
beide van Jemenitische nationaliteit, hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. L.T.M. Hooijmans)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel: verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] (de dochter van eisers, die in deze procedure optreedt als referente).
1.1.
Met het besluit van 20 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 6 mei 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben aanvullende gronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referente en de gemachtigde van verweerder. Ook was aanwezig A. Sharbat als tolk in de Arabische (Jemenitische) taal.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eisers op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar deze zaak over gaat
4. Referente is de dochter van eisers. Referente, geboren in 1992, woonde tot aan haar huwelijk in 2017 bij eisers in Jemen. Na een korte periode van gescheiden wonen zijn eisers in 2019 bij referente en haar gezin ingetrokken. Het gezin bestaande uit referente, haar echtgenoot en inmiddels twee kinderen. Referente is vanwege de veiligheidssituatie in Jemen in september 2021 naar Nederland vertrokken en heeft op 23 augustus 2022 een verblijfsvergunning asiel toegekend gekregen. In deze periode zijn eisers in gezinsverband blijven wonen met de echtgenoot en kinderen van referente. Referente heeft in oktober 2022, met succes, een nareisaanvraag ingediend voor haar echtgenoot en hun twee kinderen. Kort daarna, in november 2022 heeft referente onderhavige aanvraag ingediend om ook haar ouders naar Nederland te laten komen. De echtgenoot en kinderen van referent zijn in juni 2023 naar Nederland vertrokken. Vanaf die periode zijn de ouders van referent inwonend bij een vriendin van referente, mevrouw [persoon 2] .
Besluitvorming
5. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Volgens verweerder is geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Daartoe overweegt verweerder dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en haar ouders. Volgens verweerder is niet gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referente en haar ouders die uitstijgt boven wat gebruikelijk is in een ouder-kindrelatie. Verweerder erkent de sterke onderlinge band, maar stelt zich op het standpunt dat zowel op emotioneel, praktisch als medisch vlak geen sprake is van overstijgende afhankelijkheid. Eisers zijn niet exclusief afhankelijk van referente en zij kunnen functioneren zonder elkaar. Met betrekking tot de financiële ondersteuning overweegt verweerder dat dit gebruikelijk is voor meerderjarige familieleden en dat dit ook op afstand kan plaatsvinden. Ten aanzien van eisers en hun kleinkinderen ontbreken volgens verweerder de hechte persoonlijke banden. Hoewel sprake is van samenwoning overstijgen hun banden niet de gebruikelijke banden tussen grootouders en kleinkinderen en de gebruikelijke omgang. Verweerder heeft voorts de belangenafweging in het nadeel van eisers laten uitvallen. Het ontbreken van familieleven, het economisch belang van de Nederlandse Staat en het restrictief toelatingsbeleid zijn hierbij doorslaggevend geweest voor verweerder.
Toetsingskader
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Het is vaste rechtspraak van het EHRM [2] dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘further elements of dependency, involving more than normal emotional ties’)
6.1.
Uit vaste rechtspraak [3] volgt ook dat de vraag of sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. [4] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke emotionele band. [5] Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid [6] , de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [7] , de banden met het land van herkomst [8] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [9] .
6.2.
De rechtbank toetst de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band – evenals het EHRM – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 en maakt deze overwegingen de hare. [10]
Hechte persoonlijke banden
7. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat familie- of gezinsleven tussen grootouders en hun kleinkinderen wordt aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden. [11] De vraag of sprake is van ‘hechte persoonlijke banden’ is een kwestie van feitelijke aard. [12] Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en overweegt als volgt.
Toetsingsmaatstaf
9. Eisers hebben terecht aangevoerd dat verweerder ten onrechte uitgaat van exclusieve afhankelijkheid. Daarmee heeft verweerder een onjuist beoordelingskader gehanteerd. In het bestreden besluit en op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat zwaarwegend maar geen doorslaggevend belang mag worden toegekend aan het exclusief afhankelijk zijn van zorg. Verweerder heeft in het bestreden besluit echter meerdere keren, ook ten aanzien van andere aspecten, geoordeeld dat niet is gebleken dat eisers afhankelijk zijn van referente. Volgens de uitspraak van de Afdeling van
4 april 2019 [13] is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet vereist dat in dit geval eisers volledig en exclusief van zorg afhankelijk zijn van in dit geval referente. In het bestreden besluit benoemt verweerder op pagina 4 dat er geen sprake is van noodzakelijke afhankelijkheid en dat eisers praktische steun ontvangen van mevrouw [persoon 2] en de buurman. Daarmee is volgens verweerder duidelijk dat eisers niet exclusief afhankelijk zijn van referente. Op pagina 6 overweegt verweerder dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op medisch gebied, omdat niet is onderbouwd welke specifieke medische zorg referente voor eisers heeft verleend die niet door andere kan worden overgenomen. Ook op pagina 7 wordt benoemd dat eisers niet exclusief afhankelijk voor zorg van referente of haar echtgenoot. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van verweerder de facto neerkomt op een toets waarbij exclusiviteit als doorslaggevend wordt gebruikt.
10. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich bij de boordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eisers en referente niet zonder elkaar kunnen functioneren. Voorgaande wordt door verweerder meerdere keren aangehaald in het bestreden besluit. [14] Ook dit is naar oordeel van de rechtbank een te streng en onjuist criterium. In de jurisprudentie van het EHRM komt dit criterium van niet zonder elkaar kunnen functioneren niet voor. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt ook niet dat sprake moet zijn van een afhankelijkheid die het gebruikelijke overstijgt, maar dat het draait om de vraag of de emotionele banden het gangbare overstijgen. De rechtbank verwijst hierbij naar de rechtspraak van het EHRM. [15]
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
11. De rechtbank is – vol toetsend – van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij is het volgende redengevend.
11.1
Eisers en het gezin van referente hebben in Jemen langdurig samengewoond, namelijk hun hele leven met uitzondering van twee jaar. Eisers zijn weer bij referente ingetrokken nadat hun fysieke en gezondheid achteruit was gegaan. Referente is toen voor hen gaan zorgen. Vanwege de veiligheidssituatie heeft referente moeten vluchten. In die periode zijn eisers bij de rest van het gezin gebleven en is de echtgenoot van referente voor hen gaan zorgen. Ook zijn er in die periode heftige familiegebeurtenissen voorgevallen: verlies [persoon 3] (zus/dochter), vermissing [persoon 4] en [persoon 5] (zoons/broers), marteling [persoon 6] (broer). Dat dit allen heeft geleid tot een zeer sterke emotionele verbondenheid is logisch te achten.
11.2
Ook is door eisers met medische stukken onderbouwd dat er sprake is van medische afhankelijkheid. Eiser lijdt onder andere aan diabetes en dementie en kan niet meer zelfstandig naar buiten. Eiseres lijdt aan een ernstige depressie. Deze klachten zijn niet in geschil. Bij de aanvraag zijn meerdere verklaringen overgelegd. Hieruit volgde al dat de klachten van eiseres zijn verergerd door het vertrek van dochter. De zorgbehoefte van eisers is door referente tijdens de hoorzitting in bezwaar, met verklaringen in beroep en op de zitting nader toegelicht. Met name uit de medische verklaringen in beroep volgt duidelijk waaruit de (omvang) van de nodige zorg en in het verleden verleende zorg volgt. Referente verleende emotionele en psychologische steun aan eiseres, hield toezicht op het innemen van medicatie, creëerde een stabiele thuissituatie en zorgde voor dagelijks sociaal contact door omgang met kleinkinderen. Hierbij wordt benoemd dat de gezondheid van eiseres sterk achteruit is gegaan door het vertrek van referente en zij nu behandeling weigert. Gelet op de aard van haar ziekte kan dit in deze context niet aan haar worden tegengeworpen. Ten aanzien van eiser staat opgenomen dat hij hulp nodig heeft bij medicatie (o.a. insuline) innemen, dagelijkse praktische zaken zoals bijvoorbeeld eten, wassen, naar buiten gaan en tot slot medische afspraken. In de verklaring staat genoemd dat voorheen referente en haar echtgenoot deze zorg leverden en eiser emotioneel en psychisch ondersteunden.
11.3
Daar komt bij dat niet in geschil is dat sprake is van financiële ondersteuning voor medische kosten, levensonderhoud en andere noodzakelijke uitgaven. Tot slot overweegt de rechtbank dat eisers weliswaar altijd in Jemen hebben gewoond maar dat de banden met het land van herkomst enigszins moeten worden genuanceerd. De band met Jemen is afgenomen nu alle kinderen, voor zover nog in leven en niet vermist, in Nederland wonen.
11.4
Concluderend maken de medische omstandigheden van eisers, gelegen in de psychische problemen van eiseres en de dementie van eiser, de oorlogssituatie in Jemen, het verlies en de marteling van familieleden en de hieruit volgende psychische problemen en de sterke emotionele afhankelijkheid, dat tussen referente en ouders sprake is van emotionele banden die de gebruikelijke banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgen. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eisers en referente.
Hechte en persoonlijke banden
12. Niet in geschil is dat de kleinkinderen een fijne en sterke band hebben met eisers en dat zij enige tijd hebben samengewoond, ook na het vertrek van referente. Eiseres was echter vanwege depressie niet in staat om ouderrol volledig te vervullen, zo is ook erkend op zitting. Met de beschikbare informatie is onvoldoende gebleken dat en waarom sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eisers en de kleinkinderen. Verder is geen nadere onderbouwing van invulling van de band, behalve dat er vaak telefonisch contact is en dat ze elkaar missen. Met de informatie die er nu ligt kan de rechtbank verweerder volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat geoordeeld is dat sprake is van familieleven zal verweerder in het nieuw te nemen besluit een belangenafweging dienen te maken. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Er hoeft geen griffierecht te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens.
2.Het Europese Hof van de Rechten voor de Mens.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, r.o. 2.1.
4.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
5.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
6.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
7.Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
8.Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
9.Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
10.ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9 tot en met 9.5.
11.Zie bijvoorbeeld (een gedeelte van) paragraaf 48 van het arrest van het EHRM van 26 november 2013, Vasquiez tegen Zwitserland van 26 november 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1126JUD000178508: “Regarding the relationship between the applicant and his brothers and sisters in Switzerland, the Court notes that the central relationships of family life under Article 8 are those of husband and wife, and parent and child. Under certain circumstances the relationship between siblings also falls under the concept of family life, depending on the existence of close personal ties […]”.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, rechtsoverweging 2.
14.Pagina 4 en 5 van het bestreden besluit.
15.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 10 september 1992 in de zaak K tegen Zweden, 20470/92.