ECLI:NL:RBDHA:2026:17360
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
Verzoeksters, van Surinaamse nationaliteit, dienden een verzoek om schadevergoeding in wegens overschrijding van de redelijke termijn door de minister van Asiel en Migratie bij de behandeling van hun verblijfsvergunningaanvragen. De minister kende aanvankelijk een vergoeding van €1.000 toe, maar wees het overige verzoek af. De rechtbank kwalificeerde het beroep als een verzoekschrift op grond van de Awb en beoordeelde de overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, werd overschreden met vier jaar, waarbij de totale procedure vijf jaar en zeven maanden duurde. Verzoekster overleed tijdens de procedure, waardoor haar aanspraak op schadevergoeding onder algemene titel overging op haar dochter, verzoekster II. De rechtbank berekende de vergoeding op basis van de duur van de overschrijding en de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de minister en de rechtbank.
De minister werd veroordeeld tot betaling van €2.727,27 en de Staat der Nederlanden tot €3.272,73 aan verzoekster II. Daarnaast werden proceskosten van €467 toegekend, waarvan de helft voor rekening van de minister en de helft voor de Staat komt. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalde dat het griffierecht wordt gerestitueerd.
Uitkomst: Verzoekster II krijgt een immateriële schadevergoeding van €6.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.