Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.16863
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbDublinverordeningArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onvoldoende bewijs onderduiken

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om de overdrachtstermijn voor zijn asielaanvraag onder de Dublinverordening te verlengen, omdat de minister stelt dat eiser ondergedoken is. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser ondergedoken zou zijn. Het overgelegde TBBA-formulier, waarop de minister zich baseert, heeft beperkte bewijswaarde vanwege het ontbreken van ondertekening en onduidelijkheid over de invuller.

Eiser heeft gemotiveerd betwist dat hij op het moment van de geplande overdracht niet aanwezig was op zijn kamer of opvanglocatie. Zelfs als wordt uitgegaan van de feiten zoals door eiser gepresenteerd, is er geen sprake van onderduiken in de zin van de Dublinverordening, aangezien weigering mee te werken aan de overdracht niet gelijkstaat aan onderduiken.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om zelf in de zaak te voorzien af, omdat het beroep alleen ziet op de verlenging van de overdrachtstermijn. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van onderduiken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16863

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot verlenging van de termijn om eiser aan Frankrijk over te dragen (de overdrachtstermijn). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de verlenging van de overdrachtstermijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser is ondergedoken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn van eiser verlengd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 9 december 2024 een asielaanvraag ingediend. Op grond van de (toen geldende) Dublinverordening heeft de minister vastgesteld dat niet Nederland, maar Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag. De minister heeft Frankrijk daarom op 17 januari 2025 verzocht om eiser terug te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek op 28 januari 2025 geaccepteerd.
3.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser vervolgens met het besluit van 5 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit besluit omvat ook een overdrachtsbesluit. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 maart 2025. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft dit beroep met haar uitspraak van 27 juni 2025 ongegrond verklaard. [1] Eiser heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op dit hoger beroep nog geen uitspraak gedaan.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd, omdat hij vindt dat eiser is ondergedoken.
Is eiser ondergedoken?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zou zijn ondergedoken. Het bestreden besluit behelst immers slechts de
vaststellingdat eiser is ondergedoken (zonder nadere motivering) en uit het dossier blijkt ook niet welke feiten aanleiding zouden kunnen hebben gegeven tot de conclusie dat eiser is ondergedoken. Bovendien was feitelijk gezien ook geen sprake van onderduiken. Eiser verbleef naar eigen zeggen op de dag van de geplande (vrijwillige) overdracht (2 april 2025) op zijn kamer in het opvangcentrum. In de ochtend klopten medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) bij eiser aan om hem op te halen voor de geplande vlucht. Eiser heeft toen geweigerd om mee te gaan. Zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag zou namelijk enkele dagen later (op 10 april 2025) op zitting worden behandeld en eiser wilde de uitkomst van die procedure in Nederland afwachten. De medewerkers van de DV&O hebben dat genoteerd, en zijn toen (zonder eiser) weer vertrokken. Voor zover dat volgens de minister voldoet aan de definitie van ‘onderduiken’, is dat standpunt onjuist. [2]
4.1.
De minister heeft de overdrachtstermijn verlengd, omdat eiser volgens hem is ondergedoken. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser ruim van tevoren is geïnformeerd over de datum van de geplande overdracht en het geplande ophaalmoment, en dat hem (meermaals) is verteld dat hij beschikbaar moest blijven voor de verwijderingsprocedure en medewerking moest verlenen aan de overdracht. Omdat eiser op het geplande ophaalmoment echter niet aanwezig was op zijn kamer op de opvanglocatie en ook niet elders (zichtbaar) aanwezig was op het terrein van de opvanglocatie, [3] is sprake van onderduiken in de zin van de Dublinverordening. De minister stelt verder dat ook als moet worden uitgegaan van de feiten zoals door eiser gepresenteerd volgens hem sprake is van onderduiken. Eiser heeft in dat geval niet meegewerkt aan een verplichte overdracht. Bovendien wist hij dat hij zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten, omdat het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat beroep was afgewezen. [4]
4.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt. De minister heeft de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd op de grond dat eiser is ondergedoken.
4.2.1.
Van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening is sprake als een asielzoeker er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oog om deze overdracht te voorkomen. Dat wordt vermoed het geval te zijn wanneer de vreemdeling zijn woonplaats verlaat zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te stellen én de vreemdeling van tevoren is geïnformeerd over de verplichtingen die in dat kader op hem rusten. [5]
4.2.2.
Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser van tevoren is geïnformeerd over de overdracht en dat hem van tevoren is verteld dat hij daaraan moest meewerken. Eiser heeft echter wel (gemotiveerd) betwist dat hij op het moment van het ophaalmoment niet op zijn kamer of op de opvanglocatie verbleef. De minister stelt zich op het standpunt dat dit uit het overgelegde TBBA-formulier voldoende blijkt, maar de rechtbank volgt dat standpunt niet. Afgezien nog van het feit dat het formulier een standaardformulier lijkt te zijn dat verder niet op eiser is toegespitst en niet volledig is ingevuld (omdat enkele data ontbreken), is het onduidelijk door wie en in welke hoedanigheid het formulier is ingevuld en is het niet ondertekend. Hoewel dit – zoals de minister heeft gesteld – op zich geen afbreuk doet aan de (rechts)geldigheid van het formulier, heeft het wel gevolgen voor de bewijswaarde van het formulier. Zonder ondertekening kan de rechtbank aan het overgelegde TBBA-formulier niet dezelfde bewijswaarde toekennen als aan (bijvoorbeeld) een op ambtseed of -belofte opgemaakt proces-verbaal, en behelst het formulier slechts een schriftelijke herhaling van het standpunt van de minister zoals vervat in het bestreden besluit en het verweerschrift. Vanwege de beperkte bewijswaarde en gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser, gaat de rechtbank niet uit van de feiten zoals gepresenteerd in het TBBA-formulier. Omdat de minister zijn standpunt dat eiser zich op het ophaalmoment buiten bereik van de autoriteiten bevond op dit TBBA-formulier heeft gebaseerd, heeft dit oordeel tot gevolg dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser op 2 april 2025 is ondergedoken.
4.2.3.
Ook als de rechtbank uitgaat van de feiten zoals door eiser gepresenteerd, kan niet worden gesproken van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening. In dat geval zou het onderduiken gelegen zijn in de weigering van eiser om met de medewerkers van de DV&O mee te gaan. Uit de rechtspraak volgt echter dat dit slechts gelijk zou kunnen staan aan het frustreren van de overdracht, [6] maar – zoals eiser terecht heeft gesteld – niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser op het moment van de geplande overdracht buiten het bereik van de autoriteiten was en dus is ondergedoken. In zoverre is dus ook niet van belang wáárom eiser de overdracht heeft gefrustreerd en dat hij zijn beroep niet in Nederland mocht afwachten.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser is ondergedoken. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser en/of dat de minister eiser moet opnemen in de nationale procedure. Dat heeft immers betrekking op de asielaanvraag van eiser, terwijl dit beroep slechts gaat over de vraag of de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. De rechtbank zou in dat geval buiten de grenzen van het geschil treden. [7] Dat de oorspronkelijke overdrachtstermijn inmiddels ruimschoots is verstreken en de verantwoordelijkheid van Nederland voor de asielaanvraag van rechtswege volgt uit de vernietiging van het bestreden besluit, is geen reden om daar anders over te oordelen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934, met een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 27 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11344.
2.Eiser wijst op ABRvS 15 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3787.
3.De minister wijst ter onderbouwing op het formulier ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten in de zin van de Dublinverordening ter verlenging van de Uiterste Overdrachtstermijn’ (het TBBA-formulier) van 2 april 2025.
4.Rb. Den Haag (zp Arnhem) (vzr.) 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5540.
5.ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, met verwijzing naar HvJEU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218 (
6.ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, r.o. 7.
7.Vergelijk artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.