ECLI:NL:RBDHA:2026:17587
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor zijn echtgenote en vier kinderen. De aanvraag werd ingediend op 14 februari 2025, waarna de minister de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 15 augustus 2025 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is echter verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is gedaan op 20 november 2025 en het beroep tijdig is ingesteld op 17 december 2025. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt op grond van de Awb een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd.
Daarnaast wordt een dwangsom van €50 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van een bestuurlijke dwangsom af vanwege de nieuwe wettelijke regeling. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 25 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.