ECLI:NL:RBDHA:2026:17645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.52416
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 71b Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:1 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij vertrek asielzoeker

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank onderzoekt of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact met zijn gemachtigde geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Verweerder heeft gemeld dat eiser is vertrokken en de gemachtigde bevestigde dat er geen contact meer is.

Hierdoor concludeert de rechtbank dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank wijst tevens op de wettelijke beslistermijnen en de mogelijkheid van een dwangsom bij overschrijding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52416

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte internationale bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
3. Verweerder heeft de rechtbank op 20 januari 2026 schriftelijk bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding van het bericht van verweerder heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om binnen vijf werkdagen kenbaar te maken wanneer hij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 11 februari 2026 geïnformeerd dat eiser geen respons geeft op de poging tot contact. Hieruit blijkt dus niet dat nog contact is tussen eiser en zijn gemachtigde.
4. Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.

Bijlage

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [3]
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [4] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [5]
Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023/3 [6] de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd, [7] is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. [8] Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Voor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht. [9] Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
Als verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [10] Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [11]
De rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. [12] Dit is de rechterlijke dwangsom.
Als eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. [13] De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en/of een dwangsom is verbeurd.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
3.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.
5.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
6.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
7.Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
8.Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.
10.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
11.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
12.Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
13.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.