ECLI:NL:RBDHA:2026:17658

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20356 en NL26.20357
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Kroatië

Eiseres, een Sierra Leoonse asielzoekster, diende op 26 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres voerde aan dat het besluit onjuist was bekendgemaakt, zij de brochure over de Dublinprocedure niet ontving en dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege haar medische kwetsbaarheid.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van schriftelijke uitreiking van de brochure, omdat eiseres wel op de inhoud was gewezen en geen concreet nadeel aannemelijk maakte. Verweerder had het voornemen en het besluit zorgvuldig gemotiveerd en alle bezwaren inhoudelijk beoordeeld.

De rechtbank stelde vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië van toepassing is, gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat er sprake is van fundamentele systeemfouten in Kroatië die een uitzondering rechtvaardigen. Ook haar medische situatie werd onvoldoende onderbouwd met documenten.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen en eiseres terecht wordt overgedragen aan Kroatië. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten aan eiseres en verklaarde het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20356 en NL26.20357
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 13 mei 2026 op zitting behandeld.
Eiseres en haar gemachtigde waren met kennisgeving vooraf niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2
Eiseres heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20357) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiseres heeft op 26 januari 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Kroatië asiel heeft aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. [2]
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat het besluit op een onjuiste wijze aan haar gemachtigde is bekend gemaakt. Ook voert zij aan dat zij de brochure over de Dublinprocedure niet heeft ontvangen en zij hierdoor in haar belangen is geschaad. Daarnaast kan verweerder volgens eiseres niet volstaan met een standaard voornemen. Tot slot voert eiseres aan dat in het geval van Kroatië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zij gelet op haar medische situatie als kwetsbaar persoon gezien moet worden.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Bekendmaking van het besluit5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit weliswaar in het Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) portaal is geplaatst, maar dat de gemachtigde hier geen notificatie van heeft ontvangen. Nu dit niet duidelijk is geworden gaat verweerder ervan uit dat het beroep tijdig is ingediend. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen, dus het beroep is ontvankelijk.
Uitreiken brochure6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder de informatiebrochure 'De Dublinprocedure - Informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden' (Deel B) bij het aanmeldgehoor niet aan eiseres heeft uitgereikt. Tijdens het gehoor is eiseres wel op de informatie uit de brochure gewezen. In artikel 4, tweede lid, van de Dublinverordening is vastgelegd dat de informatie schriftelijk moet worden verstrekt waarbij gebruik wordt gemaakt van de voor dat doel opgestelde gemeenschappelijke brochure. Door enkel op de inhoud te wijzen zonder de informatie schriftelijk te verstrekken is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, zodat het besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres is door de gehoormedewerker wel gewezen op de inhoud van de brochure, heeft gelegenheid gehad om haar verhaal te doen en haar is gevraagd om haar bezwaren tegen overdracht aan Kroatië toe te lichten. De ingediende zienswijze is betrokken in de besluitvorming en in de beroepsfase heeft eiseres kunnen reageren op het bestreden besluit. Eiseres heeft onvoldoende aangevoerd welke concrete informatie zij heeft gemist en in welk belang zij daardoor is geschaad. Omdat niet is gebleken dat eiseres door de gang van zaken is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren.
Voornemen7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk heeft uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Daarin staat ook dat verweerder geen reden ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. [3] Vervolgens heeft verweerder alle bezwaren, die eiseres tijdens het aanmeldgehoor en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, in het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Er is geen grond voor het oordeel dat deze handelwijze onzorgvuldig is. Door eiseres is niet geconcretiseerd hoe zij hierdoor in haar belangen is geschaad, bijvoorbeeld door uit te leggen op welke wijze zij in de zienswijze had willen reageren anders dan zij nu heeft gedaan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [4] geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025 [5] en 21 november 2025. [6] Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat er in Kroatië sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt zoals bedoeld in het Jawo-arrest. [7] Eiseres is hier niet in geslaagd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen informatie naar voren heeft gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. Zo zijn het AIDA-rapport en de Human Rights Watch Report van 2024 waar eiseres naar verwijst uitgebracht vóór de laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar ervaringen onvoldoende zijn, nu zij deze niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat eiseres heeft verklaard maar één dag in Kroatië te hebben verbleven en dat zij niet eerder als Dublinclaimant aan Kroatië is overgedragen. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat als eiseres problemen ervaart in Kroatië zij daarover een klacht bij de autoriteiten kan indienen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiseres heeft gesteld dat zij gezondheidsproblemen heeft, maar heeft hier geen medische documenten van overgelegd. Voor zover eiseres stelt dat zij kwetsbaar is vanwege haar medische situatie en dit juist de reden is waarom zij is gevlucht uit het land van herkomst, heeft verweerder er terecht op gewezen dat de medische problemen van eiseres ook in Kroatië kunnen worden behandeld. Verder was eiseres niet op zitting aanwezig om een en ander nader toe te lichten.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat verweerder haar asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiseres terecht wordt overgedragen aan Kroatië.
11. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 Awb Pro ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
12. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
5.ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919.
6.ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
7.ECLI:EU:C:2019:218.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.