ECLI:NL:RBDHA:2026:17665

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19720, NL26.19721 en NL26.21997
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 DublinverordeningArt. 4 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 29 lid 2 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en verlenging overdrachtstermijn

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 16 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Tevens verlengde verweerder de overdrachtstermijn vanwege onderduiken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn verplichting tot het arrangeren van een persoonlijk Dublingehoor had voldaan, ondanks dat eiser tweemaal niet was verschenen zonder geldige reden. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt de overdracht aan Bulgarije, waarbij eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een fundamentele systeemfout in Bulgarije.

Verder is de verlenging van de overdrachtstermijn terecht omdat eiser zich doelbewust buiten bereik van de autoriteiten heeft gehouden. De beroepen van eiser worden ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan op 13 mei 2026 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: De beroepen van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en de verlenging van de overdrachtstermijn aan Bulgarije worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19720, NL26.19721 en NL26.21997
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is (NL26.19720). Bij besluit van 16 april 2026 heeft verweerder de overdrachtstermijn (NL26.21997) verlengd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank en een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.19721) ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen van eiser op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 16 oktober 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Bulgarije asiel heeft aangevraagd. Bulgarije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. [1] Ook heeft verweerder de overdrachtstermijn op 16 april 2026 verlengd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?Dublingehoor2. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen. Het onderhoud biedt de verzoeker tevens de mogelijkheid de overeenkomstig artikel 4 aan Pro hem verstrekte informatie juist te begrijpen.
2.1
De rechtbank stelt vast dat er zich in het dossier twee rapporten ‘niet verschijnen voor het gehoor’ bevinden. In het rapport van 4 december 2025 staat dat eiser de dag voor het gehoor is uitgenodigd om zich op 26 november 2025 om 08:15 te melden in Budel, maar dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar heeft gemaakt. In het rapport van 22 december 2025 staat dat eiser de dag voor het gehoor is uitgenodigd middels bijschrijving op de oproeplijst van het COA om zich op 15 december 2025 om 08:15 te melden in Budel, maar dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar heeft gemaakt.
2.2
Met de zich in het dossier bevindende stukken en de toelichting die is gegeven in het bestreden besluit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser tweemaal is uitgenodigd voor het Dublingehoor. Eisers stelling dat hij niet is uitgenodigd volgt de rechtbank dus niet. Nu verweerder eiser tweemaal heeft uitgenodigd voor het Dublingehoor heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn in artikel 5 van Pro de Dublinverordening neergelegde verplichting tot het arrangeren van een persoonlijk onderhoud. Dat eiser tot twee keer toe, en zonder daarvoor een goede reden te geven, niet op het Dublingehoor is verschenen, komt voor zijn rekening en risico. Er bestaat in dit geval geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser nog een derde keer had moeten uitnodigen voor het gehoor. Dat er geen Dublingehoor heeft plaatsgevonden maakt in dit geval dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ook in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over de voorgenomen overdracht aan Bulgarije, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Verder was eiser niet aanwezig op zitting om een en ander nader toe te lichten.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Bulgarije uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 25 mei 2025 [2] en onlangs nog in de uitspraak van 20 april 2026 [3] geoordeeld dat voor Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling is in haar uitspraak van 20 april 2026 specifiek ingegaan op de situatie van Turkse onderdanen in Bulgarije. De Afdeling heeft overwogen dat een laag inwilligingspercentage op zichzelf niets zegt over de wijze waarop een lidstaat de asielverzoeken van een specifieke groep asielzoekers behandelt en over de vraag of die behandeling mogelijk gebreken vertoont. Het lage inwilligingspercentage vormt daarom op zichzelf geen aanwijzing dat er sprake is van een systeemfout bij de behandeling van aanvragen van Turkse asielzoekers. Ook is overwogen dat het AIDA-rapport onvoldoende concrete en actuele aanwijzingen biedt voor het aannemen van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure voor Turkse asielzoekers. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in Bulgarije sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt zoals bedoeld in het Jawo-arrest. [4] Eiser is hier niet in geslaagd. Daarbij is van belang dat de uitspraken [5] en het AIDA-rapport waar eiser in zijn gronden naar verwijst dateren van voor de Afdelingsuitspraak en dit het voorgaande dus niet anders maakt. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat als eiser problemen ervaart in Bulgarije, zowel ten aanzien van zijn Turkse nationaliteit als ten aanzien van zijn gestelde homoseksualiteit, hij daarover een klacht bij de Bulgaarse autoriteiten kan indienen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Voor zover eiser stelt dat hij homoseksueel is, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser bij eventuele problemen kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. De rechtbank verwijst hierbij naar wat in rechtsoverweging 3. is overwogen.
Verlenging overdrachtstermijn5. Verweerder heeft met het besluit de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. In de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 december 2022 [6] is overwogen dat uit het arrest Jawo blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is in ieder geval het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. De betrokkene behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten. [7]
5.1
Beoordeeld moet worden of eiser zich doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten heeft gehouden om overdracht te voorkomen. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is geregistreerd. De rechtbank stelt verder vast dat eiser bij zijn asielaanvraag een Model M35-H formulier heeft ondertekend. In het formulier is eiser geïnformeerd over zijn verplichting om (wijzigingen in) zijn woon- of verblijfplaats en adres zo spoedig mogelijk aan de IND door te geven. Eiser heeft de opvang verlaten en is naar een vriend toegegaan. Dat wordt ook niet door eiser betwist. Eiser heeft tot op heden geen concreet verblijfsadres doorgegeven. Dat hij wel bereikbaar zou zijn via zijn gemachtigde, doet daar niet aan af. Eiser was zelf ook niet op zitting. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser is ondergedoken en de overdrachtstermijn op 16 april 2026 terecht verlengd.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen worden ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Nu met de uitspraak op de beroepen er niet langer sprake is van connexiteit [8] is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 13 mei 2026 door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De griffier is verhinderd om te ondertekenen. rechter
Indien eiser het niet eens is met deze uitspraak op de beroepen, kan hij binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom hij het niet eens is met deze uitspraak. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Voetnoten

1.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.ECLI:EU:C:2019:218.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.